Lezers van ze maken

Afgelopen week schreef ik op Twitter: “De grootste uitdaging voor mij als leraar is niet om leerlingen (beter) te leren lezen, maar om lezers van ze te maken.”

Daarmee bedoelde ik te zeggen dat lezen meer dan alleen een vaardigheid is. Het is uiterst belangrijk dat leerlingen goed leren lezen. Het is dan ook fijn om te zien dat daar kloeke boeken over verschijnen en conferenties over worden georganiseerd. De urgentie van goed leesonderwijs kan niet voldoende worden benadrukt, vind ik.

Maar leesonderwijs is geen doel op zich. Je wilt leerlingen goed leren lezen omdat lezen naast een praktische ook een culturele functie heeft. Filosoof Maarten Doorman omschreef het belang van lezen als volgt: “Onze democratie is tot stand gekomen door lezen en schrijven en kan nog steeds niet zonder. Lezen heeft ons vrijheid en rechtvaardigheid gebracht. Lezen ten slotte, vergroot onze woordenschat en draagt zo bij aan het (niet altijd even grote) plezier om met andere mensen om te gaan.”

Voor mij als leraar is het dus niet alleen belangrijk dat leerlingen later in staat zijn om bijsluiters, huurcontracten of gebruiksaanwijzingen te kunnen lezen en begrijpen, maar ook dat ze met enige regelmaat een boek of krant openslaan en lezen. Dat mijn leerlingen, met andere woorden, na het funderend onderwijs lezers zijn geworden, omdat dit zoals Doorman mooi laat zien – en wat ook een wettelijke opdracht (WPO, artikel 8, derde lid) van het funderend onderwijs is – actief burgerschap en sociale integratie bevordert.

Het inwijden van leerlingen in de culturele rijkdom van het gedrukte woord is vooral een proces van verleiding. In tegenstelling tot technisch lezen bestaat er geen methodiek die je kunt inzetten om van je leerlingen lezers te maken. Er is geen methode die je kunt volgen en die je garandeert dat je leerlingen later nog boeken zullen lezen. Wel zijn er diverse boeken en dissertaties geschreven over dit onderwerp. En deze boeken kun je gebruiken als inspiratie en als bron. De beste leidsman is wat mij betreft Daniel Pennac. Zijn boek In een adem uit. Het geheim van het lezen laat zien wat hij als leraar deed om van zijn leerlingen lezers te maken. Jammer is dat veel mensen van zijn boek alleen de poster hebben onthouden en gebruiken. Die poster beschrijft de tien rechten van de lezer. Quentin Blake heeft er een klein kunstwerkje van gemaakt.

Maar als je alleen de poster ziet als kern van Pennacs boek, dan maak je je er te gemakkelijk vanaf. Want feitelijk gaat het boek van Pennac over wat je als leraar kunt doen om leerlingen boeken te laten lezen. En dat is, zo laat hij zien, een lastig avontuur.

Een manier van Pennac om zijn leerlingen aan het lezen te krijgen- ik moet dit uit mijn hoofd doen, omdat ik het boek al geruime tijd kwijt ben – was het voorlezen in de klas. Hij stopte dan bij een cruciale passage. Pennac beschrijft hoe zijn leerlingen vervolgens na afloop van de les naar de bibliotheek gingen om het boek te lenen om zo zelf te ontdekken hoe het verhaal verder ging.

Pennac is in zijn boek openhartig over zijn eigen leesontwikkeling. Die kwam, zo meen ik me te herinneren, maar langzaam op gang. Ervaren lezers kunnen vlinders zijn die zijn vergeten dat ze ooit een rups waren. Pennac niet. Die wist heel goed dat hij ooit een rups was. Die rupsen nu zaten tegenover Pennac en hij wist hoe moeilijk het kan zijn om iemand te transformeren tot een lezer. Tijd speelt hierbij een belangrijke rol. Hij benoemt het niet expliciet, maar binnen het lesrooster maakte Pennac de nodige tijd vrij om met zijn leerlingen te lezen. En dat is misschien wel de meest cruciale keuze waar je als leraar voor staat. Als je lezers van je leerlingen wilt maken, dan is er tijd nodig, veel tijd. En in de volle roosters en binnen de brede opdracht die we in het onderwijs hebben, lijkt die maar moeilijk te vinden. Maar dat is niet zo. Het lezen van een boek is veel meer dan het lezen van dat boek. Doorman heeft gelijk als hij lezen koppelt aan burgerschap. Je leest en leert over de wereld waarvan je zelf een actief onderdeel bent. En de woordenschat van leerlingen ontwikkelt zich sneller, breder en dieper door te lezen dan door de opdrachten uit het taalboek te maken. Dat weten we, als ervaren lezers maar al te goed.

Wat Pennac ook deed was boeken met grote letters voorlezen. De bladspiegel in die boeken is rustiger. Je krijgt hierrdoor het idee dat zo’n boek je gemakkelijker toelaat tot de wereld achter de woorden dan een boek waar de zinnen kort op elkaar staan. Dat gegeven is een mooi bruggetje naar een voorbeeld uit mijn eigen praktijk. Ik las deze week met mijn leerlingen Owen en de soldaat van Lisa Thompson. Owen en de soldaat is een relatief kort verhaal (95 pagina’s) en het boek is – zie de foto van de openingspagina hieronder – zeer toegankelijk. De bladspiegel is rustig en de regels staan niet al te dicht op elkaar. Dat maakt het boek uitnodigend om te lezen.

Dat is natuurlijk niet voldoende. Het verhaal zelf moet ook uitnodigend zijn. Wie de eerste alinea leest zal, naar ik aanneem, geïnteresseerd zijn in het geheim van Owen en willen doorlezen. Dat is in ieder geval wat ik deed. Ik las een aangrijpend verhaal over een jongen die in de klas stil is, zeer creatief is met woorden en zijn handen, die diezelfde handen vol heeft aan zijn moeder, een jongen ook die worstelt met de afwezigheid van zijn vader en die ook nog eens door zijn leraar Engels gevraagd wordt om bij de opening van de bibliotheek een eigen gedicht voor te dragen. Owen is vrij eenzaam. Hij zit dagelijks na schooltijd in een plantsoen en deelt zijn gevoelens en gedachten met een stenen soldaat. Zijn gesprekspartner is een standbeeld dat daar staat ter herinnering aan de soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn gesneuveld. Als Owen hoort dat het plantsoen zal worden gerenoveerd en dat het standbeeld zal sneuvelen, komt hij in actie. Thompson vertelt kundig en vlot én in amper 100 pagina’s een verhaal dat mij emotioneerde. En dat heb ik maar weinig met kinderboeken.

Al deze zaken bijeen maakten dat ik besloot om het boek met mijn leerlingen te lezen. Ik schafte voor elk kind een exemplaar aan en begon afgelopen donderdag met lezen. Ik las de eerste hoofdstukken voor. Af en toe pauzeerde ik en vroeg de leerlingen hun theorieën over het verhaal in kleine groepjes te bespreken en in de klas te delen. Hadden ze een idee over het geheim van Owen? Herkenden ze Owens gevoel als meneer Jennings hem een vraag stelt over het gedicht van Rupert Brooke dat ze bij de Engelse les lazen en hij moeite heeft om een antwoord te geven?

Binnen een uur kwam ik aan bij de passage waar Owen in actie komt in zijn poging het standbeeld te redden van de vuilnisbelt. Daar stopte ik, geheel tegen de zin van de leerlingen. Ik vroeg ze of ze thuis de volgende hoofdstukken wilden lezen. De volgende dag zouden we dan vanaf hoofdstuk 10 weer verder lezen. Iedereen nam het boek mee naar huis en las de volgende hoofdstukken. Op vrijdag pakten we samen het verhaal weer op bij hoofdstuk 10. In dat hoofdstuk leest Owen een gedicht voor bij de opening van de bibliotheek en deelt hij met de toehoorders, waaronder de verantwoordelijke wethouder, het belang van hem en voor de stad van het standbeeld. Ook lees je dan dat Owens vader in Syrië is gesneuveld. Als Owen klaar is met het voorlezen van zijn gedicht zijn de toehoorders stil. Dat was in de klas net zo.

Dat zijn vader in Syrië is gesneuveld blijkt echter niet het geheim van de openingsalinea te zijn. De hele school weet van de dood van Owens vader. Alleen vraagt niemand aan Owen hoe het met hem gaat. Slechts een klasgenoot, Megan, heeft in de gaten dat Owen met een ander geheim rondloopt. In de laatste hoofdstukken maakt Thompson duidelijk wat nu het geheim van Owen is. Een van mijn leerlingen zei hierover dat kleine geheimen in werkelijkheid de grote geheimen zijn.

Eigenlijk doe ik tijdens zulke lessen maar een beperkt aantal dingen. Ik selecteer een toegankelijk en goed geschreven boek, ik creëer tijd en ruimte om het verhaal te lezen, ik weet waar ik moet stoppen om de leerlingen te stimuleren zelf verder te lezen en ik geef de leerlingen de ruimte om met elkaar en mij over het boek te praten. Zo af en toe laat ik zien wat een schrijver doet om je in het verhaal te trekken, maar dat is ondergeschikt aan het verhaal zelf. Het verhaal doet feitelijk het werk. En ik hoop – veel meer dan hoop is het vaak niet – dat zo’n verhaal leerlingen verleidt om meer te lezen. Om, met andere woorden, de leeservaringen die je hebt opgedaan in en door het verhaal in een ander verhaal opnieuw te beleven. Ik moet als leraar dan klaar staan om leerlingen naar zulke boeken te leiden. Want vergis je niet. Pennac kreeg zijn leerlingen alleen aan het lezen omdat hij zelf een groot lezer was en de boeken die hij in de klas las van binnen en buiten kende. Om van leerlingen lezers te maken moet de leraar een groot lezer zijn.

Nu het boek uit is en het verhaal klaar, mogen ze het boek houden. Lezers hebben boeken. Veel van mijn leerlingen hebben er thuis geen. Er zijn overal bibliotheken in Amsterdam, maar zelf boeken hebben is een groot en kostbaar bezit. Er is zo ontzettend veel geld in en rond het onderwijs dat je een deel ervan gerust zou kunnen gebruiken om leerlingen jaarlijks 5 boeken te schenken. Dan heb je als rups na acht jaar basisonderwijs 40 boeken in de kast staan. Dat is een kleine schatkamer; een schatkamer waar je je kunt verpoppen om een leesvlinder te worden.

Rijke taal binnen versnipperd taalonderwijs

Waarom verschijnen er zoveel dikke onderwijsboeken de laatste tijd? Kan het niet wat minder, vraag ik me af. Is er echt zoveel over een onderwerp te zeggen? Neem Rijke taal, van Erna van Koeven en Anneke Smits. Dat is een turf van 432 pagina’s, die zich overigens in twee zinnen laat samenvatten.

Zin 1: Bij het leren van taal op school kun je onderscheid maken tussen explicatie leerprocessen (technisch lezen, spelling en grammatica) en impliciete ontwikkelingsprocessen, zoals het begrijpen van een tekst en de ontwikkeling van woordenschat.

Zin 2: De beste wijze waarop je de ontwikkelingsprocessen van taal tot hun recht kunt laten komen in je onderwijs is door deze onderdeel te te laten zijn van rijke onderwijscontexten (zinvolle thema’s) en derhalve niet expliciet te onderwijzen door middel van methodes en instructiemodellen.

Met deze twee zinnen is direct duidelijk waar Van Koeven en Smits staan in het gesprek over taalonderwijs. Zij zien een versnipperd taallandschap (Van Schooten en Van Gelderen noemden dit eerder ‘verkaveling’) met allerlei ‘vakken’ die los van elkaar onderwezen worden. De auteurs streven naar ‘duurzaamheid’. Ze bedoelen hiermee dat in hersenen van leerlingen ‘rijke verbindingen (..) tot stand worden gebracht’. Ik wijs in dit verband nog maar eens op het werk van Hofstadter en Sander, waarin zij stellen dat voor het ontwikkelen van ideeën van iemand wordt gevraagd dat hij analogieën kan maken. Hiervoor is kennisrijkdom en diepere kennis van woorden en hun betekenissen voorwaardelijk.

Het is prettig dat Van Koeven en Smits een heldere opvatting over taalonderwijs hebben. Ze kunnen hierdoor heel mooi laten zien waar de schoen wringt in ons versnipperde taalaanbod. Zo tonen ze de tekortkomingen van het expliciete woordenschatonderwijs in relatie tot de impliciete wijze waarop de ontwikkeling van de woordenschat gaat. De rijkdom van een woord als ‘rood’ (rood staan, lid zijn van de rode familie, hij staat in rood in de almanak) leren leerlingen niet als je het woord herhaaldelijk uitlegt en inoefent. Dat geldt niet alleen voor woordenschat. Ook begrijpend lezen is als los onderdeel van het lesprogramma weinig effectief. Het is zinvoller én verstandiger om binnen een rijk thema veel teksten (herhaald) te lezen, te bespreken en hier – bijvoorbeeld – schrijfopdrachten aan te koppelen. De hele hype rond Close Reading wordt hiermee vrolijk gerelativeerd. Omdat Van Koeven en Smits dat zelf niet zo expliciet schrijven in hun boek, zal ik het hier maar opschrijven: Als je teksten leest door middel van de Close Reading-methodiek maar je geen idee hebt hoe dit past binnen een visie op kennisontwikkeling en werken binnen zinvolle contexten dan is het niet veel meer dan dor hout.

Wie mijn blogberichten kent en daarmee ook enig idee heeft van mijn opvattingen over taal- en leesonderwijs, die weet wel dat ik de opvatting van Van Koeven en Smits onderschrijf. Daarmee is niet gezegd dat we een vergelijkbare opvatting hebben over onderwijs. Het feit dat je de impliciete taalprocessen laat oplossen in bijvoorbeeld thematisch onderwijs geeft nog niet een opvatting weer van hoe je een curriculum opbouwt en wat het doel van het curriculum is. Ik wil maar gezegd hebben dat het raamwerk dat Van Koeven en Smits bieden veel ruimte biedt voor scholen om vanuit een eigen visie de versnippering van het taalonderwijs aan te pakken.

Naast aandacht voor de impliciete ontwikkelingsprocessen, is er veel ruimte vrijgemaakt voor de expliciete processen. Er staat een heldere uiteenzetting in het boek over technisch lezen – waarbij het voortgezet technisch lezen weer mooi een plek krijgt binnen zinvolle contexten – en dit geldt ook voor spellingonderwijs en grammatica.

Rijke taal is een interessant, lezenswaardig en vlot te lezen boek. Ik heb evenwel een drietal kritiekpunten op het boek. Voorts wil ik een ‘opvallendheid’ en een gevoeligheid met je delen.

Een eerste kritiekpunt is dat de auteurs naar mijn idee onvoldoende weten van (expliciete) directe instructie en dat het voorbeeld dat zij hiervan geven (pagina 65) de methodiek tekort doet.

Een tweede kritiekpunt betreft hoofdstuk 2 (De maatschappelijke context van het taal- en leesonderwijs). Dat is een allegaartje van problemen, ideeën en ideologieën die in de context van het boek uit de toon vallen. De auteurs zeggen wel dat de aspecten die in dat hoofdstuk besproken worden telkens terugkeren in de volgende hoofdstukken, maar dat is slechts mondjesmaat het geval.

Een derde kritiekpunt betreft bronverwijzingen. De auteurs geven aan veel bronnen te hebben geraadpleegd. ‘Onze beweringen onderbouwen we met wetenschappelijke bronnen’ zo schrijven de auteurs in het voorwoord. De literatuurlijst is indrukwekkend, maar op sommige plekken mis je in alinea’s de verwijzing naar literatuur, zodat bij lezing op die plekken in het boek het beeld ontstaat dat de opvatting van de auteurs aan de wetenschappelijke verantwoording voorafgaat.

De opvallendheid betreft de indeling van jeugdliteratuur (gemaksboeken, lekker-lezen-boeken, lekker-lezen-plus-boeken en boeken om in te (ver)dwalen). Bij elke categorie geven de auteurs diverse voorbeelden van boeken en auteurs, maar bij de laatste (en hoogste?) categorie – ‘boeken om in te (ver)dwalen’ – blijft het angstig stil. Een mooie lijst boeken, ter inspiratie van de lezer, had hier op z’n plaats geweest.

De gevoeligheid betreft de naam van het beroemde boek van Harriet Beecher Stowe. Dit boek kun je heden ten dage nog in veel (kinder)boekhandels vinden. Het staat als de Hut van Oom Tom in de kast. Die titel is reeds vele jaren gangbaar.

Rijke taal, beste lezers van dit blog, is een rijk en interessant boek over taal. De auteurs hebben een interessante opvatting over taalonderwijs en brengen die onderbouwd over het voetlicht. Er is veel technische kennis te halen en er staan ideeën en opvattingen in het boek die een schoolteam (en de taaloördinator in dat team) zou kunnen gebruiken om taalbeleid te ontwikkelen en om doordacht taalonderwijs te geven.

Een niet te missen boek over begrijpend lezen

Jane Oakhill, Kate Caine en Carsten Elbro schreven met Understanding and Teaching Reading Comprehension een niet te missen boek over begrijpend lezen. In slechts 129 pagina’s leggen de drie auteurs de inzichten over het lesgeven in leesvaardigheid en het bestrijden van mogelijke problemen die bij het ontwikkelen van leesvaardigheid ontstaan in heldere taal uit.

De auteurs beginnen het boek met een geruststelling die in 2000 al viel te lezen in het lijvige verslag van het National Reading Panel, namelijk dat bij de meeste leerlingen de ontwikkeling van begrijpend lezen gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de technische leesvaardigheid.

Een tweede punt dat de auteurs maken is dat de ontwikkeling van leesvaardigheid geen doel op zich is, maar bedoeld is om ons in staat te stellen om de teksten die we lezen te begrijpen. Het is, met andere woorden, een vaardigheid die we nodig hebben en geen op zichzelf staand doel.

Dat laatste lijken we in het Nederlandse onderwijs nog weleens te vergeten, omdat we begrijpend lezen als zelfstandig vak zien, met andere woorden als doel op zich. Dat is overigens wel te begrijpen, want in het rapport van het National Reading Panel werden inzake begrijpend lezen een zevental effectieve strategieën genoemd die lezers inzetten om teksten te begrijpen. Men is toen, onder meer in Nederlandse aanpakken, het aanleren van die strategieën als doel van het onderwijs gaan beschouwen en daarmee is het uiteindelijke doel van leren lezen en van begrijpend lezen, namelijk om zelf teksten te kunnen lezen en begrijpen, naar de achtergrond verdwenen.

Enfin, terug naar het boek van Oakhill cs. De ontwikkeling van de leesvaardigheid verloopt, zoals gezegd, bij de meeste leerlingen zonder al te grote problemen. En dat is, gezien de complexiteit van de vaardigheid, bijzonder. Ze laten zien dat bij lezen acht componenten een rol spelen, zoals onderstaande afbeelding uit het boek laat zien:

Je begrijpt als je naar de afbeelding kijkt dat wanneer een leerling moeite heeft met begrijpend lezen of wanneer zijn/haar ontwikkeling niet goed verloopt, er diverse oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen. Hierbij is het, aldus de auteurs, van belang om onderscheid te maken tussen technische leesproblemen en leesvaardigheidsproblemen. Er staat in het boek een interessant stukje over twee leerlingen die een tekst voorlezen. De eerste leerling maakt enorm veel leesfouten, moet tijdens het lezen gecorrigeerd en voorgezegd worden, terwijl de tweede leerling de tekst vlot en vrij foutloos leest. Je verwacht dat de tweede leerling de tekst beter zal hebben begrepen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Het geeft maar aan, hoe complex de vaardigheid is en hoe lastig het is om vast te stellen waar een leerling nu precies tegenaan loopt.

Je kunt het boek zien als een uitwerking van de diverse problemen die ten grondslag liggen aan een stagnerende ontwikkeling van het begrijpend lezen. Zo wordt het leggen van relaties en het maken van gevolgtrekkingen – iets wat elke goede lezer doet – besproken, alsmede het belang van woordenschat, de opbouw van zinnen en de relaties tussen zinnen (verbindingswoorden en verwijswoorden) en kennis van de structuur en opbouw van een tekst. Deze onderwerpen worden in het boek in afzonderlijke hoofdstukken besproken. Ook komen andere aspecten van begrijpend lezen als het monitoren van begrip en het visualiseren van de tekst voorbij. Dat lijkt veel voor zo’n klein boekje, maar de auteurs houden het compact en weten tegelijkertijd in die compactheid ontzettend veel inzichten en kennis te delen.

Het boek zet aan tot nadenken over de onderwijspraktijk inzake begrijpend lezen. De inzichten die worden gedeeld en de adviezen die de auteurs geven zetten hiertoe aan. Ik zal hiervan twee voorbeelden geven, met als bedoeling om iets van de rijkheid en de reikwijdte van het boek te kunnen laten zien. Nogmaals, het is een klein boekje met enorm veel inhoud. Dat is zonder meer een prestatie van formaat te noemen.

Welnu, als eerste woordenschat. Het belang van woordenschat voor het begrijpen van een tekst is alom bekend. Wat de auteurs evenwel laten zien, is dat het hierbij gaat om diepere kennis van woorden. Of, zoals ze het zelf omschrijven: ‘it is less beneficial to comprehension to know lots of words but only at more superficial levels.’ En dat is, in alle eerlijkheid collega’s, wel wat gedaan wordt door veel van de taalmethodes die in scholen worden gebruikt. We leren leerlingen wekelijks tien – naar we veronderstellen – nieuwe woorden en begrippen (400 woorden per jaar, wat op de ontwikkeling van de algehele woordenschat peanuts is). We doen dat zonder veel diepgang en met weinig relatie tot kennis en kennisopbouw. Neem eens de volgende zin: Zoals u wellicht weet ben ik van de blauwe knoop. Iedereen die dit leest zal de betekenis van de woorden kennen die in deze zin staan. Dat wil niet zeggen dat je daarmee begrijpt wat ik schrijf. Veel woorden hebben diepere betekenissen dan louter de oppervlakkige die wij onze leerlingen leren in de onnatuurlijke setting van het taalonderwijs. Als je die betekenissen wilt opdoen, dan loont het om veel te lezen. Er is, zo laten de auteurs zien, een wederkerige relatie tussen veel lezen en de ontwikkeling van woordenschat. Als je veel woorden kent, dan kun je gemakkelijk moeilijkere teksten lezen, die er voor zorgen dat je woordenschat groeit, waardoor je weer in staat bent om andere teksten te lezen en te begrijpen. De ontwikkeling van de woordenschat is daarmee iets wat nooit stopt.

Aangaande woordenschat laten Oakhill cs. ook zien dat je als lezer in staat moet zijn om woorden en de betekenis van die woorden met elkaar te verbinden. Dat tonen ze de lezer aan de hand van deze korte zin: ‘She opened the door and noticed that the window was open.’ Daarbij moet je als lezer de relatie leggen tussen de deur en het raam, die beide een onderdeel van de kamer zijn:

Dit deed mij denken aan het werk van Hofstadter en Sander. Zij beschreven – onder meer op basis van de wijze waarop Albert Einstein en Max Planck tot hun natuurkundige inzichten kwamen – het belang van het verbinden van gedachtewolken en het maken van analogieën. André Klukhuhn heeft dit treffend beschreven in zijn boek Over de grenzen van de rede (2015):

Woordenschat, met een diepe kennis van woorden en hun relaties, is daarmee niet alleen een voorwaarde om teksten te kunnen doorgronden, het speelt ook een belangrijke rol in het vinden van oplossingen, het begrijpen van situaties en het bedenken van nieuwe inzichten.

Een tweede punt dat ik hier kort wil bespreken is structuur in teksten. Leerlingen die moeite hebben met het begrijpen van een tekst hebben vaak ook moeite met het het herkennen van de structuur van een tekst. Leerlingen kunnen evenwel enorm geholpen worden en grip krijgen op de structuur van (langere) teksten als ze instructie krijgen over en leren werken met grafische weergaven van een tekst. Je kunt hierbij denken aan schema’s, diagrammen, etc. Ook kan ze worden geleerd dat er in een tekst signaalwoorden zijn – ik gebruik ze ook in deze tekst… – die deze structuur aanduiden.

Leerlingen zouden vanaf jonge leeftijd met informatieve teksten in aanraking moeten komen en gerichte instructie moeten krijgen om te leren hoe je de structuur van een tekst kunt doorgronden. Hierbij geven de auteurs aan, dat het begrijpen van de structuur van een tekst en het leggen van relaties tussen diverse onderdelen van een tekst gemakkelijker verloopt bij het lezen van een korte tekst. Dat is een mijns inziens een belangrijk punt, omdat er in het basisonderwijs – de toetsen van Cito en de teksten uit veel lesboeken laten dit zien – de tendens bestaat om met steeds kortere teksten te gaan werken. Je zult als leraar hierdoor wellicht het idee krijgen dat je leerlingen de structuur van een tekst begrijpen, maar het is maar zeer de vraag of dit ook geldt voor langere teksten; langere teksten die leerlingen in het dagelijks leven tegenkomen en waarmee ze ook in het voortgezet onderwijs worden geconfronteerd. Het heeft, met andere woorden, zin om met leerlingen langere teksten te lezen en ze te helpen de structuur van deze teksten in te zien.

Ik heb, naar ik hoop, met een korte bespreking van slechts twee aspecten uit dit brede boek, laten zien dat Understanding and teaching reading comprehension een kort maar tegelijkertijd rijk, interessant en niet te missen boek is. Ik sluit af met de opmerking dat het de moeite loont om het boek in gezamenlijkheid te lezen en te bespreken. Er is op het gebied van begrijpend lezen nog een wereld te winnen én we willen leerlingen winnen voor de magische wereld van geschreven teksten. Als je goed kunt lezen en je bent in staat om lange teksten goed te begrijpen, dan zie je er niet tegenop om later zelf een krant, tijdschrift of boek te lezen. En hoe meer je leest…

De dennenappel

Denise vroeg, terwijl ze wees naar de grote, massieve dennenappel die op mijn bureau lag, wat dat was. Ik pakte de kegelvrucht op, gaf haar die en vroeg: ‘Wat denk jij dat het is?” Ze woog de dennenappel in haar hand, draaide ‘m om en antwoordde: “Een ananas?”

Denise zat in groep 7 van mijn stamgroep 6-7-8 op een basisschool in Zaandam. Ze leefde zowel thuis als op school in chaos. We legden in die tijd huisbezoeken af en de slaapkamer van Denise leek op een slagveld. Overal lagen spullen. En vuile kleding.

Hoewel dit verhaaltje over Denise gaat, zou het ook over Abram kunnen gaan, over Dyamairo of over Chaima. En ik herinner me nog een Wouter, een jongen die angstig de wereld in keek.

Denise herkende de dennenappel niet als zodanig omdat ze er nog nooit eerder een had gezien. Denise woonde in een arbeidersbuurt van Zaandam. Haar ouders waren gescheiden, haar vader was niet in beeld en haar moeder moest het doen met een karige uitkering. Denise kwam niet of nauwelijks haar buurtje uit. Het enige uitstapje dat ze kende was een busrit naar de Zwarte Markt in Beverwijk. Daar waande je jezelf even in een ver buitenland met al die wonderlijk geurende specerijen en glimmende spulletjes.

Als Denise op zaterdagmorgen de bus nam, dan was de kans groot dat er ook enkele Turkse klasgenootjes van haar in de bus zaten. Die zochten de markt af naar nieuwe cassettes van hun held Tarkan. Op zaterdagmiddag en de hele zondag zongen en dansten ze dan thuis mee met zijn muziek. Op maandag schreven ze zich in voor de kring van vrijdag. Dan lieten ze aan de rest van de klas hun kunsten zien en vertelden ze waarover Tarkan zong. De wat meer vrome Turkse jongens sisten dan dat Tarkan in de ban gedaan moest worden. Hij hield van mannen en dat was zondig.

De jongens voetbalden op zaterdagen op de voetbalvelden bij de rotonde die je neemt om de stad te verlaten. Iets wat zij nooit deden.

Toen ik in Duivendrecht werkte had ik leerlingen uit Amsterdam-Zuidoost in mijn klas. Zij kwamen niet of nauwelijks hun wijk uit. ‘De Poort’ was het middelpunt van hun wereld. Ze bezochten de bioscoop naast het grote stadion en fietsten en renden tussen de flats door.

Ik werkte in De Pijp op een klein schooltje waar ik een groep 7-8 onder mijn hoede had. Op een morgen gingen we met de tram en de metro naar het Waterlooplein voor een tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog. Het was een stille herfstdag. Na afloop van het bezoek stelde ik voor om terug naar school te lopen. We hoefden niet veel meer te doen dan de Amstel te volgen en via de Hogesluis over te steken naar hun buurtje. We stonden naast de Stopera aan de kant van de rivier en toen ik vroeg welke kant we op moesten lopen, wist niemand het antwoord. Ook zij kwamen amper hun wijk uit.

Als je kinderen laat lezen over een verzonnen vogel, zoals een ‘wug’ dan valt bij het beantwoorden van vragen over die vogel het verschil in sociaal-economische status weg. Het speelveld is dan plots gelijk. Verschillen die wij toekennen op basis van veronderstelde intelligentie zijn als sneeuw voor de zon verdwenen. Kennis is veel bepalender voor iets als leesvaardigheid.

Voor Denise was de dennenappel een ‘wug.’

Ik zei tegen Denise: “Ruik eens aan de vrucht. Ruikt deze naar ananas?” Ze schudde haar hoofd. De vrucht rook niet in de verste verte naar ananas. We legden de dennenappel op de verwarming. Op een stille donderdagmiddag sprong-ie open. Iedereen keek verrast op toen het krakende geluid de rust in de klas verstoorde. De zaadjes die uit de dennenappel kwamen heb ik verdeeld. Dat schooljaar verkochten enkele leerlingen op Koninginnedag jonge dennenboompjes. Misschien dragen deze bomen nu vruchten.

Inwijden in het leven

Božena Němcová

De Schoolmeester van Božena Němcová is een ode aan de dorpsonderwijzer.

De aardigste meester die ik ooit heb gehad, was meester G. Hij gaf les aan de vierde klas en had een uitgesproken fascinatie voor militaire uniformen uit de tijd van Napoleon. Hij nam leerlingen mee naar huis, trok ze een uniform aan, waarna hij ze fotografeerde. In dit malle tijdsgewricht zou dat hoogst verdacht zijn en leiden tot verdachtmakingen op sociale media en wellicht zelfs een auto door de voorpui van de school; midden jaren ’70 van de vorige eeuw kraaide er geen haan naar. De juf van de tweede kleuterklas, juf S., nam haar leerlingen in het weekend mee naar huis voor logeerpartijtjes en de juf van de tweede klas van de lagere school, juf H., nodigde leerlingen uit voor een kopje thee bij haar thuis.

Ik ben opgegroeid in een omgeving waar de mensen elkaar kenden. En waar bepaalde beroepen je als persoon een haast vanzelfsprekende status verleenden. Het beroep van schoolmeester was er een van. De katholieken waren op het voetbalveld onze vijand. Wij kochten nooit iets bij roomse slagers, groenteboeren of grutters en De Volkskrant werd bij ons thuis gemeden als de pest, maar voor de bovenmeester van de katholieke school, meester Z., toonden zelfs wij blagen van een jaar of 11 respect. Wee je gebeente als je dit niet deed.

Holm Friebe beschrijft in De Steenstrategie hoe mensen die in een stedelijke omgeving wonen na een jaar of tien elkaar goed leren kennen, gaan groeten, bij elkaar over de vloer komen en daardoor gaan samenleven zoals men dat in dorpen gewoon is. Dat zal zo zijn, maar de samenleving, zeker die in de stad, is ondertussen zo veranderd dat de traditionele status die bij bepaalde beroepen hoorde is weggespoeld als een strandpaviljoen na een noordwesterstorm. In de stad waar ik onderdak heb gevonden, loopt de leraar eerder gebogen dan fier door de straten

In de novelle De Schoolmeester (1859) van Božena Němcová toont de verteller van het verhaal ons een dorpsonderwijzer die met een enorme rust en warmte de leerlingen in zijn klas onderwijst. De lessen vinden niet alleen in maar ook buiten het lokaal plaats. Als de schoolmeester met zijn leerlingen in de omgeving van de school kuiert vertelt hij hoe zijn leerlingen die later boer zullen worden het land op een andere manier zullen gebruiken en bewerken dan hun ouders en voorouders. Als de vertelster, reeds volwassen, aan het eind van het verhaal het dorp bezoekt voor de uitvaart van de schoolmeester, ziet ze dat het land precies zo wordt gebruikt zoals haar leraar had voorspeld. Zelfs na zijn dood groeit de status van haar leraar.

De schoolmeester in het verhaal van Němcová is een zachte, lieve en geduldige man. Het angstbeeld van een strenge, boze meester dat het meisje op haar eerste schooldag mee het lokaal in neemt, verdwijnt terstond als ze de schoolmeester heeft ontmoet. Ze stapt een wereld binnen waar zowel de schoolmeester als haar mede-leerlingen oog voor haar hebben. Iedereen hoort erbij en bij elkaar.

Wie zelf voor de klas staat herkent wel de warmte van de kleine gemeenschap die je samen vormt. Je trekt een tijdje samen op en het is de opdracht van de leraar om de kinderen in zijn klas in te wijden in het leven. Dat is een universele gedachte, want of je nu over een klas in Japan (Kanamori), Amsterdam (Thijssen) of op het platteland van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije (Němcová) leest, de meester smeedt een band met zijn leerlingen en zijn leerlingen met hem. Het is, zo weten wij ondertussen ook wel, voorwaardelijk om tot fijn en goed onderwijs te komen.

Aan het einde van het korte verhaal vertelt Božena Němcová iets over de pedagogische ideeën van haar meester en dat hij na vele omzwervingen uiteindelijk pas in het dorp zijn eigen stiel en stem vond. Němcová toont daarmee de zoektocht die iedere leraar onderneemt in zijn of haar carrière. De leraar die je was aan het begin van je loopbaan bestaat niet meer. Onderweg leren leraren ook, veranderen ze en vinden zij, naar ik hoop en verwacht, de stem die hen maakt tot iemand die de reisgezel is en blijft van veel jongeren. Als ik weleens fiets over het eiland waar ik ben opgegroeid en langs fort De Schans rijd, dan denk ik altijd even aan meester G., die ons meenam naar deze plek en vurig vertelde over Bonaparte en zijn militaire overwinningen en nederlagen. Toen ik jaren geleden in Leipzig bij het door de dampen van verbrand bruinkool aangevreten monument ter herinnering aan de Volkerenslag (1813) stond, stond meester G. in gedachten naast me.

Božena Němcová schetst in haar novelle een prachtig beeld van wat onderwijs zou moeten zijn. De novelle is de verwoording van wat Theo Thijssen ook al zo mooi omschreef in zijn meest gelukte boek De gelukkige klas:

M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen.

Zo is het.

Doelbewuste training

“My guess is that many people are cruising through life doing precisely zero hours of daily deliberate practice.” (Duckworth, Grit, p. 138)

We doen het voorkomen alsof onderwijs een beroep is waarbij de inhoud en de aanpak in de loop der tijd grondig veranderen, maar dat is niet zo. We herkennen zoveel in de aanpak van leraren als Thijssen, Ligthart en Korczak omdat die nog steeds toepasbaar is (én blijft) in onze eigen onderwijspraktijk. Er zijn beroepen denkbaar waarbij de professional zich gedurende haar carrière tenminste tweemaal moet bijscholen omdat de kennis over de aard en de inhoud van het beroep dusdanig zijn veranderd dat een terugkeer naar de schoolbankjes noodzakelijk is. Als Theo Thijssen nu jouw school zou binnenlopen om een openstaande vacature te vervullen, dan zou hij wellicht moeten wennen aan de digitalisering van het onderwijs en de merkwaardige methodiek van het spellingonderwijs (‘rechercheur’ is een chef-woord. Ik hoor /sj/ maar…’), maar na een korte inwerkperiode zou-ie zich alleen nog vergissen in het feit dat je in de klas niet meer mag roken; hij zal al snel tevreden en redelijk voldaan langs de tafeltjes lopen en belangstellend in de schriftjes van de leerlingen kijken.

Er zijn leraren die alles over onderwijs lezen wat los en vast zit. Als je dit doet, dan kom je er na een tijdje achter dat er niet zoveel nieuws meer is onder de zon. Zo stuurde iemand mij onlangs een 300 pagina’s dik Amerikaans onderzoeksrapport over begrijpend lezen toe. Daar stonden enkele interessante punten in, maar het meeste is ondertussen wel bekend. Je kunt dan ook, denk ik, met een paar goede boeken over (effectief) onderwijs toe en daardoor houd je tijd over om fijne boeken te lezen die raakvlakken met het onderwijs hebben en die je kunnen helpen om na te denken over je eigen beroepspraktijk. In dit blogbericht bespreek ik een aantal van deze boeken. Het zijn er vier, die ik (in alfabetische volgorde op de achternaam van de auteur) opsom:

  1. Amibile, T. & Kramer, S. (2011). The progress principle: using small wins to ignite joy, engagement, and creativity at work. Boston, Massachusetts: Harvard Business Review Press.
  2. Curry, M. (met bijdragen van Hoeke, E.) (2017). Dagelijkse rituelen. Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken. Maven Publishing.
  3. Duckworth, A. (2018). Grit. Why passion and resilience are the secrets to succes. New York: Scribner Book Company.
  4. Ericsson, A. & Pool, R. (2016). Piek. Hoe gewone mensen buitengewoon kunnen presteren. Houten/Antwerpen: Spectrum.

Grit en Piek

Laten we beginnen met Grit van Angela Duckworth en Piek van Anders Ericsson. Duckworth opent haar boek met een stuk over spellingwedstrijden, waar ze in de Verenigde Staten dol op zijn. Jongeren staan dan op een podium onder felle lampen de meest onmogelijke woorden te spellen. Duckworth deed er onderzoek naar en kwam tot de slotsom dat de meest succesvolle spellers kinderen zijn die op weg naar de wedstrijd het meest hebben geoefend. Dat verbaast niet, want uit Piek van Ericsson weten we dat top-musici meer oefenen dan hun wat meer gemiddelde vakgenoten. Ericsson gaf in zijn boek ook aan dat er een verschil zit in de wijze van oefenen. Hij noemde de manier waarop de beste musici oefenen ‘deliberate practice’ (in de Nederlandse vertaling: doelbewuste training). Die top-musici oefenden dus niet alleen veel meer, maar ook nog eens doelgerichter.

Duckworth beschrijft in haar boek dat ze na het onderzoek naar de spellers met Ericsson in contact kwam. Op basis van gesprekken over haar onderzoek ondernamen ze samen een tweede onderzoek. De centrale vraag hierbij was welke aanpak deze jongens en meisjes hadden gekozen ter voorbereiding op de moordende competitie. Het bleek dat ze veel lazen, spelletjes als Scrabble speelden, maar ook dat ze doelgericht en doelbewust woordcategorieën oefenden. En verder dat ze dit jarenlang deden. Dit laatste wordt weleens samengevat in de 10.000 uur-regel; dit is de tijd die je gemiddeld gezien nodig hebt om ergens zeer goed in te worden. Maar dat is slechtst de helft van het verhaal. De andere helft, de doelbewuste training, is minstens zo belangrijk. En met name dát aspect maakt het verschil; het verschil tussen iemand die redelijk presteert en iemand die excellent presteert.

Afbeelding uit Grit van Angela Duckworth

Bij doelbewuste training is kwalitatief hoogwaardige feedback van groot belang. Anders loop je, aldus Ericsson in Piek, op een bepaald moment tegen een grens aan. Zonder doelbewuste training met hoogwaardige feedback doorbreek je dit plafond niet en is er sprake van ‘arrested development’. Je kunt iets aardig, maar je blinkt er niet in uit.

Het schema hierboven laat bij het leren van een vaardigheid drie routes zien. De eerste route is dat je na een tijdje de pijp aan Maarten geeft. De verkoopmatjes tijdens Koningsdag zijn gevuld met attributen die ooit zijn aangeschaft om een hobby uit te oefenen, maar die amper zijn gebruikt. De tweede route is dat je, zoals gezegd, tegen een plafond aanloopt. Je kunt iets best aardig, maar ook al blijf je oefenen, je vaardigheid wordt niet groter. En dan is er de route naar het expertschap. Om daar te geraken, ik herhaal het nog maar eens, is doelbewuste training en hoogwaardige feedback nodig.

Een van de interessantste voorbeelden van doelbewuste training is Benjamin Franklin. Duckworth beschrijft in haar boek – ik denk overigens dat ze dit voorbeeld heeft ontleend aan Mastery van John Green – hoe doelbewust Franklin trainde om een vaardig schrijver van essays te worden. Hij vergeleek zijn eigen werk met de best gewaardeerde essays in die tijd. Deze verschenen in The Spectator. Franklin las de essays, maakte aantekeningen, legde The Spectator weg en herschreef het essay. Dit vergeleek hij met het origineel en verbeterde eventuele fouten. Ook husselde hij zijn aantekeningen door elkaar om te kijken of hij in staat was om ze in een logische volgorde te rangschikken. Het was een tijdrovende en lastige bezigheid, maar zoals Franklin hierover opmerkte: ‘There are no gains without pains.’

Feedback

Laten we even teruggaan naar het begin van dit blogbericht. Daar staat een citaat uit het boek van Duckworth. Haar veronderstelling dat mensen in hun werk feitelijk niet of nauwelijks iets aan doelbewuste training doen roept de vraag op hoe je ervoor kunt zorgen dat dit wel gebeurt en wat hiervoor nodig is. Er is veel over te zeggen, maar ik beperk tot een tweetal punten.

Het eerste punt heeft te maken met de kern van feedback. Die is, aldus Duckworth, door de bank genomen negatief. Het kan demotiverend werken als je herhaaldelijk hoort dat je iets niet goed of goed genoeg doet en wat je anders en beter moet doen. Een valkuil in het onderwijs is dat leraren lesbezoek krijgen waarbij een lange observatielijst wordt gehanteerd. Als er uit die lijst nu veel punten komen, dan kan het zo zijn dat je er als werknemer moedeloos van wordt. Waar te beginnen? is dan de vraag. Het antwoord ligt opgesloten in Piek. Je richt je in je verbetering dan wel ontwikkeling op een klein aspect van het brede palet dat je als ter beschikking hebt. Denk maar aan een top-tennisser. Die traint dagelijks, maar richt zich hierbij niet op het spel als geheel, of op bepaalde fases uit een wedstrijd, maar op een klein aspect uit het spel. Er wordt een tijdlang geoefend op de dubbelhandige backhand, om maar iets te noemen. Dit heeft als voordeel dat je hier als trainer direct feedback op kunt geven.

Het tweede punt gaat over de psychologie achter kleine verbeteringen van je werkplek. Leraren zouden, als we Duckworth en Ericsson volgen, vaker en doelgerichter feedback moeten krijgen, feedback gericht op een klein onderdeel van de onderwijspraktijk. Leraren zouden ook zó ondersteund moeten worden dat hun perceptie van hun professionele ontwikkeling positief is. Dit psychologische proces moet gelijk opgaan met de inhoudelijke begeleiding. Amibile en Kramer laten in hun boek zien dat kleine verbeteringen van de beroepspraktijk een grote invloed hebben op het werkplezier en werkgeluk. Als je als werknemer inziet dat je vooruitgang boekt, dat zaken stapsgewijs beter gaan, dan ervaar je feitelijk dat je groeit. Dat is iets wat we als leraren ten opzichte van onze leerlingen veel en vaak doen, maar als professionals naar elkaar vaak vergeten. Het boek van Amibile en Kramer is wijdlopig, maar in de kern komt het er op neer dat we oog moeten hebben voor het innerlijk werkleven van, in dit geval, leraren. Als hier oog voor is in school, dan leidt het tot een cyclus die er als volgt uitziet:

Bron: https://www.mudamasters.com/nl/verandermanagement-leiderschap/progress-principle-tamabile-skramer-samenvatting

Leraren die niet het gevoel hebben of krijgen dat ze vooruitgang boeken zullen op termijn afhaken.

Ritmes en routines als basis

Nu is een interessante vraag in welke context deze doelbewuste training zou moeten plaatsvinden. Een vermakelijk boekje van Currey wijst ons hierbij de weg. Hij heeft van een kleine 150 creatieve mensen beschreven hoe hun dagelijkse rituelen eruit zagen. Laten we als voorbeeld John Cheever nemen, een schrijver die ik nogal bewonder en van wie de verhalen mij nooit vervelen. Welnu, Cheever trok ’s morgens zijn netste pak aan en deed het voorkomen alsof hij met de andere bewoners van het appartementencomplex waar hij woonde naar zijn werk zou forensen. Maar Cheever verliet het pand niet, doch ging naar het souterrain, alwaar hij een fiks aantal uren hard werkte aan nieuwe verhalen. Dag in, dag uit.

Het is een vergissing te denken dat kunstenaars als Satie, Van Gogh en Robinson maar wat deden en wachtten op inspiratie. Nee, ze hanteerden vaste ritmes en routines bij het creëren van hun kunstwerken. En dat is iets wat de leraar – als onderwijskunstenaar – ter harte mag nemen. Iets creëren is vaak en vooral een kwestie van hard werken, volhouden, verwerpen, opnieuw proberen, verbeteren en uiteindelijk publiceren, tonen of ten gehore brengen. Voor dit proces helpt het als je als kunstenaar vaste ritmes en routines hebt.

De leraar nu is bij uitstek een professional die werkt met vaste ritmes en routines. Ze werkt, bijvoorbeeld, met een vast instructiemodel, heeft in haar dagprogramma steeds terugkerende vakken en onderwerpen en is vaak voor langere tijd verbonden aan een jaargroep of afdeling. Dat gegeven maakt doelbewuste training gekoppeld aan effectieve feedback relatief gemakkelijk te realiseren. En toch geldt voor de werkpraktijk van de leraar meestal het citaat van Duckworth: “My guess is that many people are cruising through life doing precisely zero hours of daily deliberate practice.” Er zijn maar weinig leraren die zeer regelmatig feedback krijgen op hun werk, laat staan dat ze doelbewust trainen op een klein aspect van hun beroepspraktijk. Daarmee zijn ze, als we Duckworth mogen geloven, geen uitzondering, maar jammer is het wel.

Enkele voorbeelden

Dat leraren weinig doelbewust trainen kun je heel mooi zien aan de invoering van een nieuwe methodiek of nieuwe methode. Er wordt vaak meer tijd besteed aan het uitkiezen van zo’n aanpak of lesmethode, dan aan het invoeren ervan. Hierdoor ontstaan in een schoolorganisatie grote verschillen in aanpak en kwaliteit tussen leraren. Als leraren bij de invoering van een methodiek doelbewust zouden trainen en hierbij hoogwaardige feedback zouden krijgen, dan zouden de verschillen tussen de leraren kleiner zijn en de kwaliteit hoger liggen. Dat is wel de kernboodschap die uit de vier hierboven genoemde boeken valt te destilleren. Maar hoe doe je dat dan? Ik zal enkele voorbeelden geven.

Het komt er op aan om de nieuwe methodiek in kleine, behapbare brokken op te delen. Neem Close Reading. Een eerste stap bij het hanteren van deze methodiek is dat je als leraar in staat bent om een goede, inhoudelijke interessante tekst te selecteren. Als je deze eerste stap beheerst, dan is het vorm en inhoud geven aan zo’n les niet zo heel ingewikkeld. Als je bij de tekstselectie goede begeleiding met krachtige feedback krijgt (en hierbij tevens leert dat Nieuwbegrip niet geschikt is voor CR omdat de teksten zo belabberd zijn) dan is de eerste slag geslagen.

En dat geldt ook voor een onderwerp als het gedrag van leerlingen. Je kunt een leraar helpen door bepaalde interventies in de klas doelbewust te trainen. Een eerste stap is hierbij door met deze collega achter in de klas van een andere leraar te gaan zitten en te bespreken en te benoemen wat die leraar doet om storend gedrag voor te zijn. Dit zijn vaak zeer effectieve micro-interventies die ervoor zorgen dat de orde in de klas bewaard blijft en het ritme van de les niet onderbroken. Je ziet dat ervaren leraren micro-correcties uitvoeren tijdens een les en dat is door doelbewuste training met effectieve feedback door veel leraren te leren.

Een derde voorbeeld betreft het formuleren van een lesdoel. Binnen het EDI-model wordt gewerkt met lesdoelen die bestaan uit een concept en een vaardigheid. Je kunt, als oefening, bij een blok spelling of rekenen bij elke les een lesdoel formuleren en deze bespreken met een leraar die zeer bedreven is in het formuleren van lesdoelen. Als je een goed en helder lesdoel hebt, dan heb je het fundament van je les staan.

Ter afsluiting

Lesgeven is een complexe vaardigheid. Die vaardigheid moet je doelbewust trainen en ontwikkelen. Dat lukt je in tegenstelling tot Benjamin Franklin, waarschijnlijk niet ‘op je eentje.’ Daar heb je feedback bij nodig; feedback gegeven door iemand die in staat is om ervoor te zorgen dat je als leraar je ontwikkelt en dat je hierbij steeds meer aspecten van die complexe vaardigheid onder de knie te krijgt. Je ervaart dan ‘small wins’ die verdraaid positief werken voor je werkgeluk en die je helpen om een betere leraar te worden. Ik ben, na 25 jaar lesgeven, nog steeds blij met collega’s die me verder helpen en me feedback geven zodat mijn lespraktijk verbetert.

Theo Thijssen – Taal en schoolmeester (1911)

Theo Thijssen heeft over veel onderwerpen geschreven en daarbij diverse vormen gehanteerd. We lezen tegenwoordig nog zijn boeken over meester Staal en Kees de Jongen (zijn meest gewaardeerde boek), maar Thijssen heeft ook artikelen, recensies en opiniestukken geschreven. In eerdere blogberichten schreef ik reeds over ‘De Nieuwe School,’ het blad waarin hij veel scherpe stukken publiceerde. Een aantal van deze stukken werd in 1911 gebundeld in de brochure Taal en schoolmeester. Deze publicatie is online te lezen op de site dbnl.org.

Bij het lezen van die stukken moest ik denken aan Karl Marx. Thijssen trad, net als Marx, in het perk tegen opponenten die allang zijn vergeten. Nu zal niet iedereen die dit blogbericht leest Marx hebben gelezen, maar wellicht wel iets over hem weten. Van Ludwig Feuerbach heeft zo’n lezer waarschijnlijk niet gehoord. Marx schreef 11 stellingen tegen deze ‘idealist.’ Die werden gebundeld in een boekje dat ik eens las. Tijdens het lezen vroeg ik me af wat nu de drijfveren waren van Marx om met de pen op te trekken tegen deze Duitse filosoof, die -zoals gezegd – amper een spoor heeft nagelaten in de geschiedenis van de filosofie. Thijssen doet dit eigenlijk ook in deze publicatie. Hij trekt op tegen vergeten auteurs en doet dit met een scherpte en met een venijn die in zijn romans compleet afwezig zijn.

Laten we als voorbeeld J. A. Schutte nemen, ‘hoofd eener Openbare School te Zutphen.’ Deze Schutte had een bundel met spreekwoorden gepubliceerd. ‘Een prul,’ aldus Thijssen. Van deze bundel was net een tweede editie verschenen die Thijssen nauwgezet had doorgenomen. Hij betichtte Schutte van plagiaat en gaf maar liefst zeventien voorbeelden van dit plagiaat. Na een stuk of vijf heb je het idee wel te pakken, zou je denken. Maar dat was voor Thijssen blijkbaar niet genoeg. Die Schutte was in de tijd van Thijssen al achteloos terzijde geschoven. Zijn bundel werd in het onderwijs niet of nauwelijks gebruikt. Het is daarom nogal verwonderlijk dat Thijssen pagina na pagina van leer trekt tegen het arme schoolhoofd. Maar naast verwonderlijk is het ook kenmerkend. Thijssen was een vilein auteur. In zijn lijfblad ‘De Nieuwe School’ doopte hij zijn pen met regelmaat in vitriool.

Er zijn meerdere van dit soort stukken aan te wijzen in de publicatie en dat maakt ‘Taal en Schoolmeester’ tot een langdradige spokenjacht. Je moet tussen de regels en grote woorden door op zoek naar interessante observaties en inzichten. Die zijn er gerust, maar het is – om in de traditie van Schutte te blijven – spijkers op laag water zoeken. Er staan er gelukkig enige in, zoals het citaat hieronder:

Want het is een leùgen, dat wij in school gladde, slimme maniertjes hebben, om de jongens wat te leren; dat wij maar effene, gebaande weggetjes afwandelen, zeker er dan wel te komen. Wij allen scharrelen, zoeken; ons schoolleven is een aaneenschakeling van mislukkingen; van teleurstellingen; elke les op zichzelf is meestal een onding. Van al het pedagogies geschrijf der laatste jaren is dit juist het fatale: het is ophakkerij geweest. Als dat heerlike wonder in school: de gewenning, ons niet hielp, dan richtten we niets uit.

Die ‘ophakkerij’ zie je heden ten dage ook. Veelal wordt de suggestie gewekt dat een bepaalde methodiek of zienswijze het onderwijs direct beter zal maken of zelfs zal redden. Leraren weten hoe moeilijk het vak is, hoe vaak dingen niet gaan zoals gehoopt of voorspeld. Ze vragen zichzelf ook met enige regelmaat af of de leerlingen in de klas wel iets hebben geleerd. Er verandert, zo leert Thijssen ons, maar weinig in het onderwijs. Wat Thijssen schrijft was, is en blijft herkenbaar.

Thijssen is in de klas zoekend, tastend en gericht op relatie en de ontwikkeling van kennis; zijn ‘schoolromans’ getuigen daarvan. Buiten de klas is hij echter een grommend en bijtend monster. Het is de bekende januskop, die je ook bij hedendaagse leraren herkent. Twitter is hun ‘De Nieuwe School’. Bij Thijssen was het verzoek om een lichtere toon in de stukken aan dovemansoren gericht. Hoe dat op Twitter gaat weet ik niet. Daar kun je maar beter niet komen.

Theo Thijssen – Jongensdagen

Niet ver van mijn huis had je een voetbalveld. 100 meter lang, een meter of vijftig breed. Twee doelen met houten palen. Bomen om het veld. Berken vooral. Het veld lag daar maar en leek van niemand te zijn. Dus was het van ons. We fietsen er na schooltijd naartoe, bal onder de snelbinders. Je fietste dan zo hard mogelijk het veld op, sprong uit het zadel en gaf de fiets een zet mee, zodat deze zichzelf parkeerde tussen de bomen die om het veld stonden. We voetbalden net zo lang door tot de moeder van Erik, die van ons allen het dichtst bij het veld woonde, vanuit de achtertuin riep dat er gegeten moest worden.

‘Morgen weer?’

‘Ja, morgen weer.’

Ons leven was heerlijk overzichtelijk.

Bij Erik thuis hadden ze een fijne collectie oude kinderboeken. Van uit de tijd dat er nog echte jongensboeken werden geschreven. In die boeken speelden jonge ventjes eindeloos buiten, richtten clubs op en leerden jou dat er toch echt niets mooiers bestond dan een jongen zijn met liefde voor sport en spel. We waren Katjangs, A.F.C.-ers en Artapappa’s. Tegenslagen waren er om overwonnen te worden. We waren altijd buiten. We voetbalden, zwommen, knikkerden, bouwden hutten en lazen alleen in de verloren laatste uren van de dag of als de regen de ramen teisterde. Al vroeg leerde ik de gouden uitdrukking waarmee een ventje op Texel werd opgevoed:

‘Het is droog, wat doe je binnen?’

In die collectie kinderboeken bij Erik thuis heb ik Jongensdagen nooit zien staan. Of het boek is me niet opgevallen, dat kan ook. Ik las het pas veel later, net voordat mannen zich in pofbroeken hesen om rond de Westerkerk de zwembadpas te tonen. Heel even leefde in Amsterdam de herinnering aan Thijssen op en vond men dat de nagedachtenis aan hem in ere moest worden gehouden. De man heeft een standbeeld, een klein museumpje en wat scholen die zijn pedagogiek uitdragen. Daarmee komt Thijssen er niet al te bekaaid vanaf hoor. Maar toch… Maar toch vond ik dat baaivangen van die volwassen kerels een aankondiging van een traditie; het herstel van de verbinding met de grootsheid van deze eenvoudige onderwijzer. Maar goed, het bloedde dood. En dat is, zeker met Jongensdagen in het achterhoofd, jammer.

Jongensdagen speelt daar waar Thijssen opgroeide: Langs de Amsterdamse grachten en in de Jordaan. Het zwembad dat op de vier vrienden in het verhaal zo’n grote aantrekkingskracht heeft, heeft echt bestaan. Het lag aan de Westerdoksdijk en je kon er leren zwemmen aan de hengel.

Van Jongensdagen wordt gezegd dat het een braaf boekje is. Dat is vast zo. Maar dat waren de boeken uit die tijd over het algemeen allemaal. Jongensdagen is gewoon een fijn jongensboek. Wat de vrienden doen (buiten spelen, elkaar een beetje uitdagen, ophakken, stiekem roken en zwemmen) is de hemel op aarde voor jochies van die leeftijd. Er is de nodige miserie in het verhaal, maar Ko en Henk slaan zich er aardig doorheen. Thijssen beschrijft heel eenvoudig en in prachtige dialogen het leven zoals het ruim honderd jaar geleden was voor een ventje van een jaar of elf, twaalf. Er komt een zomer aan en dan wist je als kind dat de dagen eindeloos duurden en dat ook de mogelijkheden eindeloos waren. Je kon alles doen en toch maar een ding tegelijk. En verdraaid, dan moesten de jongens ook nog klusjes doen voor hun moeder die een winkeltje had. De vader was dood, net als die van Thijssen overigens. Maar het lukte, het ging en er was genoeg tijd voor leuke avonturen en eindeloze zwempartijen.

Kijk, wij gingen niet zo vaak op vakantie. We woonden immers op Texel, dat genoeg te bieden had. En mijn moeder verdiende niet al te veel. Maar ik geloof niet dat het ons belemmerde. Ik kwam pas in Frankrijk toen ik rond de twintig was. Ik vond de Dordogne leuk, maar haalde het voor mijn gevoel niet bij de Slufter. Bovendien: er lag een veld achter de Wilsterstaat en daar rolde de bal eindeloos door het vochtige gras.

‘Zullen we tienen?’

Ik keek laatst nog eens naar wat jeugdliteratuur in mijn boekenkast en in de collectie van school. Ik herlas links en rechts wat van de boeken die we onze leerlingen tegenwoordig aanbieden. Jongensboeken zitten er nog amper tussen. Het malle ding van bobbistiek (Leonie Kooiker) is er een. En Godje van Daan Remmerts de Vries. De spoeling is dun. Het lijkt wel of het niet meer mag. En dat is verdraaid jammer, want er is vast een mooi boek te schrijven over jochies hier in Amsterdam-Oost. Moet je eens letten op hoe ze elkaar roepen om naar buiten te komen. Het lijkt op het ‘riet-pe-tioe! van de Ko en zijn vrienden. Maar dat is misschien wat ik wil horen.

Ik heb weleens geprobeerd om Jongensdagen voor te lezen aan een groep 8, maar dat werd geen succes. Jongensdagen is een boek voor kerels die terugverlangen naar hun jeugd. Kerels die zich opgesloten voelen in het beton en steen van de stad en het liefst een balletje zouden trappen op een veldje waar de doelen houten palen hebben. Niets machtiger dan het geluid van kiezelhard schot dat uiteenspat op de lat.

Voor altijd Jongensdagen…

Theo Thijssen – Barend Wels

Als tiener trof ik in de boekenkast van mijn moeder een aantal boeken van Theo Thijssen aan. Ik las diens autobiografie In de ochtend van het leven, een boek dat nogal zuinig werd gerecenseerd door Kees Fens in De Volkskrant, School-land, Kees de Jongen en De Gelukkige Klas. Toen begin jaren ’90 van de vorige eeuw het verzameld werk van Thijssen verscheen, kocht ik trouw alle vier delen en las ze van voor naar achter. De blauwe bandjes staan prominent in mijn boekenkast, samen met oorspronkelijke uitgaven van Thijssens werk, dat verscheen bij uitgeverij Van Dishoeck. Thijssen was en is voor mij een inspirator en dat ik een tijdje heb gewerkt op een school die naar hem is vernoemd en in de wijk staat waar Thijssen opgroeide, heb ik altijd een leuk gegeven gevonden.

Barend Wels is de eerste roman van Thijssen. Het verscheen eerst als feuilleton in het blad waarvan hij samen met Piet Bol de redactie voerde: ‘De Nieuwe School’. Bol en Thijssen moesten, net als veel van hun collega’s overigens, niets hebben van de ‘wetenschappelijke’ pedagogiek van J.F. Herbart, die in Nederland werd geïntroduceerd door de directeur van de Middelburgse Rijkskweekschool, Harm de Raaf. In hun eerste nummer zetten de onderwijzers direct de toon: ‘Niet de letters van de man aan de schrijftafel, de daden van de man voor de klasse zijn pedagogiek.’

‘De Nieuwe School’ kent nog enkele andere, regelmatig terugkerende thema’s. Zo is er de felle kritiek van Thijssen op de Nederlandse jeugdliteratuur. Vrijwel geen enkel boek dat hij bespreekt in het blad kan de toets der kritiek doorstaan. Deze boeken waren over het algemeen slecht geschreven en veel te moralistisch.

Een ander thema is de strijd voor autonomie van de leraar, met name op het gebied van de eerder genoemde pedagogiek. Het is interessant om Bol en Thijssen in dit geval uitgebreid te citeren:

‘De paedagogiek wordt bepaald door het gemiddelde van de klasse en de persoonlijkheid van de onderwijzer. De onderwijzer met sterke individueele eigenaardigheden heeft dus aan de normaal-psychologische paedagogiek niets. De man moet werken bij intuïtie, d.w.z. het juiste weten te treffen, doordat hij de kinderen beoordeelt naar z’n eigen individualiteit – en doordat de ervaring in de klasse hem zegt, wanneer hij mistast’

Een vierde thema is dat van de streberige schoolmeester. Dat is in de ogen van Bol en Thijssen iemand die niet van onderwijzen het doel maakt van zijn carrière, maar wil doorgroeien en bovenmeester of leraar aan een HBS wil worden. Voor zo iemand is lesgeven op een lagere school blijkbaar te min.

En daarmee hebben we Barend Wels te pakken. In het gelijknamige boek is het aanvankelijk de ambitie van Wels om zijn hoofdakte te halen en dan door te studeren. ‘Fransch’ of misschien ‘teekenen.’ Maar dat Wels zou doorpakken en hogerop zou gaan stond voor hem vast. Dat doel vindt hij belangrijker dan goed en fijn lesgeven. Voor de klas is hij een monster. Op de momenten dat we naast Wels staan en meekijken naar het onderwijs dat hij geeft, zien we een getormenteerde man die zijn frustraties afreageert op de leerlingen. Orde houden is een doel op zich. Urenlang oefent hij de kinderen in stil zitten. Als ze dat kunnen, dan moet het nog stiller. Van onderwijs, van iets leren en van contact maken, valt maar weinig te zien.

In het boek maakt Wels evenwel een transformatie door. Krachten en voorbeelden uit zijn omgeving sturen hem de kant op van iemand die leert de waarde van goed werk te zien. Neem zijn vader, een kleermaker. Die is tevreden over het beroep dat hij uitoefent en met het leven dat hij leidt. En Wels ziet een politieagent en een tramconducteur zonder morren hun werk doen. Maar het is vooral zijn broer Henk, ‘een rooie,’ die Barend confronteer met de vraag of hogerop komen een doel moet zijn:

Hei-je nooit eris lui, die de boel d’r bij neersmijten, en met al dat gejaag ophouen, en ‘es lekker rustig gewoon d’r lui vak hebben….

Zijn broer, in het verhaal groeien ze sterk naar elkaar toe, doet Wels beseffen dat het vak van onderwijzer voldoende waarde en belang heeft. Het hoeft geen springplank naar een andere functie te zijn. Onderwijzer is een waardig beroep. De volgende opmerking van zijn broer is dan ook bedoeld om Wels wakker te schudden:

Dan moet ik toch zeggen, dat schoolmeester – toch oòk een verdomd treurig baantje is.

Om de waarde van het beroep in te zien heeft Barend Wels niet alleen de spiegel die zijn broer hem voorhoudt nodig, maar ook de linkse, oproerkraaiende collega’s op zijn school. Die zijn wel in staat om rustig en vrolijk met een moeilijke klas of met lastige leerlingen om te gaan.

Wels ondertussen ploetert voort en wekt de indruk dat hij op het punt staat om zich volledig te verliezen en een leerling een keiharde aframmeling te geven. Dat gebeurt bijna met Greta Honig, een meisje dat hij volgens zijn mentor, bovenmeester Beckers, teveel ruimte heeft gegeven. Met enige regelmaat horen zijn collega’s Wels tekeer gaan tegen de klas en tegen haar. Ze steken geen vinger uit om hem te helpen, honen hem eerder en het is uiteindelijk Beckers die hem een nieuwe klas geeft en daarmee een nieuwe kans om in te zien hoe fijn onderwijzen kan zijn.

Aan het einde van het boek kent Wels uiteindelijk de waarde van het vak van onderwijzer. De afsluitende alinea, bestaande uit één zin, geeft aan dat door die transformatie Wels eraan toe is om het vak te betreden:

Toen kon Barend Wels onderwijzer worden.

Daden voor de klas zouden nu eindelijk pedagogisch worden. Gelukkig maar, denk je als lezer. Anderzijds vraag je jezelf ook af, of dat inzicht op een minder moralistische manier tot stand had kunnen komen. Want in de kern is Barend Wels een moralistische roman, waarin de lezer wordt voorgehouden dat socialisten begrijpen hoe de wereld in elkaar zit en voor welke keuzes je in het leven komt te staan. Dat past geheel in het ontwikkelingspatroon van de socialist Thijssen zelf – die na zijn leraarscarrière bezoldigd bestuurder van de onderwijzersbond werd en weer later Tweede Kamerlid voor de SDAP – maar het doet ruim een eeuw later toch enigszins gedateerd aan.

Een andere tekortkoming van Thijssens aanpak in dit boek is dat hij veelvuldig invult hoe we over de personen in het verhaal moeten denken of hoe hun handelingen geïnterpreteerd moeten worden. Dat laat een schrijver over het algemeen over aan het vernuft, het inzicht en de afweging van de lezer. Daar gaat een schrijver nu eenmaal niet over, zullen we maar zeggen. Thijssen meent de rol en de positie van de personen en hoe wij over ze denken dan wel oordelen te sturen. Dat doet echt afbreuk aan de kwaliteit van het verhaal. Maar ook dat past in de moralistische opvatting van Thijssen, die in de kern van zijn werk altijd herkenbaar is als opvoeder.

Laten we tot slot terugkeren naar het begin van dit blogbericht, waar ik schreef over Thijssen de recensent. Als je dat gegeven erbij pakt, dan is de vraag hoe hij Barend Wels zou beschouwen vanuit zijn kritiek op schrijvers die verdraaid moralistisch waren. Of waren die werken, die jeugdboeken van ruim honderd jaar geleden, nog moralistischer dan Barend Wels? Dat zou wat zijn.

Vier dagen onderwijs als medicijn, niet als remedie.

Deze week publiceerde de rijksoverheid in de Staatscourant “Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 mei 2020, nr. PO/24137474, houdende regels voor een experiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de gemeenten Amsterdam, Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5).”

Deze beleidsregel is niet meer dan de uitwerking van een van de scenario’s die in de loop van dit schooljaar zijn ontwikkeld om het lerarentekort in de grote steden het hoofd te bieden. Dit beleid faciliteert feitelijk wat, onder meer, door het bestuur van de Westelijke Tuinsteden is voorgesteld. Als het lerarentekort zo ernstig is dat je vijf dagen onderwijs niet kunt garanderen, maar vier dagen lukt wel, dan heb je daar wel de goedkeuring vanuit de overheid voor nodig.

Als je rugpijn hebt, dan kun je een pijnstiller nemen. Dat helpt voor even. Het neemt de oorzaak van de pijn evenwel niet weg. Wil je geen pillen (meer) slikken, dan zul je maatregelen moeten treffen. Je zou op zoek kunnen gaan naar de oorzaak en bedenken wat een remedie is of kan zijn. En er is de preventievraag: hoe kun je ervoor zorgen dat je het niet nogmaals krijgt.

Je zou deze beleidsregel kunnen zien als een tijdelijke pijnstiller (het recept is geldig tot 2024). Om te voorkomen dat het onderwijssysteem krakend tot stilstand komt, is het nodig om deze maatregel te treffen. Die is niet voor elke school in een van de vijf grote steden nodig, zo begreep ik. Ik werk voor een groot bestuur en ik heb begrepen dat de maatregel hoogstens voor enkele scholen zal worden ingezet. Je zult als bestuur toch echt inzichtelijk moeten maken dat er sprake is van een langdurig en hardnekkig tekort.

Over de wijze waarop de vijfde dag kan en mag worden ingevuld, is de beleidsregel duidelijk:

De beleidsregel biedt ruimte om maximaal 22 uur per maand – dus niet gemiddeld – het onderwijs door andere professionals te laten verzorgen. Dit komt neer op een dag (5,5 uur) per week. De professionals kunnen niet worden ingezet voor de vakken Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke opvoeding. Met zintuigelijke en lichamelijke opvoeding wordt het bewegingsonderwijs bedoeld dat binnen het curriculum valt. Sport- en spelactiviteiten die daarbuiten vallen mogen wel door andere professionals worden aangeboden. De wettelijke onderwijstijd blijft gelijk, maar wordt deels anders ingevuld.

Als dit scholen lucht geeft en een oplossing biedt voor een hardnekkig probleem, dan lijkt me dat in orde. Maar als je de reacties bekijkt op allerlei sociale media dan heb ik het vast mis.

De beleidsregel geeft mijns inziens scholen en besturen lucht om onderwijs te waarborgen en te zoeken naar een remedie voor dit probleem. Want dat lijkt me voorwaardelijk in dit geval. Ik ga ervan uit dat landelijke en lokale overheden in samenwerking met de besturen (en al die collecten en bonden) werk maken van het oplossen van het onderliggende probleem. Zo niet, dan is en blijft deze beleidsregel een vorm van pijnstilling. Want laten we elkaar niet voor de gek houden. Hard roepen dat onderwijs geven iets is en blijft voor bevoegde leraren strookt al niet meer met de praktijk. Er zijn talloze dames en heren die diplomaloos voor de klas staan. Verder heeft de Rotterdamse situatie laten zien dat het lerarentekort groter is dan men tot nu toe deed voorkomen.

De minister degradeert niet het beroep van leraar, zoals een van de bonden doet voorkomen. De beleidsregel is een pil die sommige scholen en besturen moeten slikken. Het is even niet anders.

En door het toedienen van die pijnstiller kunnen we ook eens rustig kijken naar de vraag waarom leraren weglopen en zo moeilijk te vinden zijn. Er zijn diverse redenen waarom leraren het vak verlaten. Ruim bovenaan staat de organisatie van het onderwijs, gevolgd door werkdruk en het niet zien van de expertise van de ‘schoolverlater’. Daar is, zonder geld en zonder grote woorden, veel aan te doen. Begin daar eens mee. Begin bijvoorbeeld met een visie op leren en met een visie op leren organiseren. Dat is niet roepen dat je je vak terug wilt en het is vast niet sexy, maar het werkt wel. Daar hoort ook bij dat je dit onderwijs samen organiseert en dat je een aanpak invoert die de werkdruk verlaagt en het werkplezier doet toenemen. Dan is zo’n school een goede en interessante plek om te werken. Dat vraagt om goed leiderschap op alle niveaus. En omdat die scholen er in alle grote steden zijn, zou ik als beleidsmaker en als bestuurder daar eens beginnen. Zorg ervoor dat hun succesvolle aanpak wordt gedeeld en op andere scholen wordt ingevoerd. Ondertussen krijgen scholen in zwaar weer de tijd om orde op zaken te stellen en ervoor te zorgen dat het een plek is waar je graag wilt werken. Als bevoegde leraar natuurlijk. Dat dan weer wel.

Want beste lezer, er is ongelooflijk veel te doen. De Staat van het Onderwijs en Pisa laten dat zien. Er zijn kloeke en moedige leraren nodig. Die zijn er. Win ze terug of leid ze op vanuit een visie op leren, leren organiseren en het borgen ervan. Onderwijs is dan ‘the place to be.’

Ik zou zeggen: Laat de minister met rust en ga aan de slag.