Week 12: De juf is ziek

Opgedeeld of weggestuurd 

Vanmorgen bleef de klas leeg. De juf was gistermiddag ziek naar huis gegaan en we hadden de ouders laten weten dat er vandaag geen vervanger beschikbaar was. De leerlingen van groep 7 hadden vandaag vrij.

Ik wandelde deze week door de gangen van een andere basisschool en daar zaten leerlingen van groep 8 aan een overlevingspakket te werken. Je weet wel, zo’n eindeloze stapel kopieerbladen die aan het eind van de dag door een langslopende leraar of conciërge bijeen worden geveegd en in de papierbak verdwijnen. We weten wel hoe we die gasten moeten bezighouden hè? Maar dat weten die leerlingen ondertussen ook wel, dus die breken als ze ook maar even de ruimte krijgen de tent af.

En gelijk hebben ze.

Wij verdelen de leerlingen steeds minder vaak. We sturen ze weg. Er zijn plekken in Nederland waar nog reserveleraren zijn, maar in de hoofdstad van dit land van mest en mist niet. Ziek is ziek en we voelen er weinig voor om leraren die nog wel staande zijn extra te belasten met een plukje leerlingen uit een andere groep. Of ouders er begrip voor hebben, is me niet duidelijk. Laat ik het zo zeggen: Ik heb ze nog niet horen morren.

Kijk, dat we in de grote steden afstevenen op een vierdaagse schoolweek omdat er niet genoeg leraren zijn om de lessen te verzorgen lijkt me evident. We zullen trendsetter zijn voor de rest van het land, want leraar zijn is nu niet een beroep waar veel mensen gemakkelijk en snel voor kiezen.

En gelijk hebben ze.

Prima dag

Voor leerlingen is zo’n vrije dag fantastisch. Ik spijbelde als leerling in het vo regelmatig en moest dan de aandrang bedwingen om niet langs school te lopen en te zwaaien naar mijn klasgenoten die kromgebogen over hun wiskundeboek hun kansen berekenden. Ik vond de middelbare school een verzoeking en vertoefde liever buiten dan binnen de school. Soms fietste of wandelde ik dan over het eiland waar ik ben opgegroeid, maar minstens zo vaak zat ik met mijn neus in een boek dat me wel interessante levenslessen bood. Je begrijpt wel dat Holden Caulfield een van mijn helden was.

De pisang

Je bent als leerling de pisang als je op zo’n extra vrije dag toch naar school moet. We kondigen het altijd keurig aan in het bericht dat we aan de ouders sturen: Als uw kind toch naar school moet komen, dan vangen wij hem of haar op.

Vanmorgen liep ik groep 7 binnen om de leerlingen die toch naar school zouden komen op te vangen. Het was er uiteindelijk een; een jongen die rustig in zijn bankje was gekropen en zat te lezen in het nieuwste boek van Alan Gratz, D-Day. Ik had hem dat vorige week gegeven en nu was hij aangeland bij de passage waarin de kogels om je heen inslaan op het strand dat op die dag Omaha Beach heette. Ik pakte zijn overlevingspakket en bracht hem naar een andere groep. Daar zat hij de rest van de dag tussen jongere leerlingen; deels onzichtbaar, maar toch ook opgelaten. Elke vraag die de juf aan de klas stelde – groep 5 – wist hij wel te beantwoorden en toch hield hij zijn mond. Zijn werk had hij vlot af, waarna ik op zoek ging naar aanvullend werk.

De juf weifelt

Wat het ernstig tekort aan leraren bewerkstelligt, is dat leraren zich bijna niet ziek melden. Ze gaan door tot voorbij de grenzen van wat het lichaam aankan. Het is de meest eenvoudige manier om betrokkenheid van leraren bij hun leerlingen, collega’s en school te zien. Zoals de leraar van groep 7 zei: “Ik ga snel naar huis, dan kruip ik onder de wol en morgen gaat het dan wel weer.”

Als een leerling een dagje ziek is, dan fronsen wij. We gunnen deze leerlingen een dag op de bank en voor de tv, daar niet van. Maar als je echt ziekt bent, dan trekt die ziekte niet als een haastige gast langs je huis en door je lijf.

Dat merkte mijn collega in groep 7 ook. Ze gaf aan zieker te zijn dan ze hoopte. Ik was daar blij om. Want stel je voor dat ze de volgende dag weer gewoon in de klas zou staan en zichzelf aan flarden zou werken omdat er niemand meer is die haar klas kan overnemen. Dan zouden we met z’n allen verder van huis zijn.

De leraren bibberen

Als de juf ziek is, is de juf ziek. We kunnen dat als school maar beter niet wegpoetsen of maskeren. Als de juf ziek is, dan bibberen de overige collega’s, die de leerlingen moeten opvangen. Hun klassen worden voller, hun ritmes raken onderbroken. Vandaar ook dat een onvervangbare zieke leraar leidt tot het naar huis sturen van de leerlingen. Als we dat niet doen, wordt de uitval alleen maar groter. Dat lijkt voor de leerlingen leuk, maar als je twee dagen thuis bent geweest, dan wil je graag weer naar school. Je mist de sleur van zo’n schooldag sneller dan jezelf in de gaten hebt.

 

 

 

 

 

 

Week 11: Uitgeput

Terugkijken

Het valt me op, dat ik in mijn blogberichten over een jaar onderwijs vaak terugkijk naar het begin van mijn carrière. Ik bekijk dan hoe het toen was geregeld in het onderwijs. Dat is deze keer niet anders. Als ik mijn blogberichten op een rij zet, dan lijkt het er op dat ik de balans van een kwart eeuw lesgeven opmaak en dat alle stukjes tezamen de aankondiging vormen van iets wat ik nu nog niet helder voor ogen heb.

We zullen zien.

Maar terug naar ruim 25 jaar geleden, toen ik als stagiair op diverse basisscholen in Alkmaar en omstreken meedraaide in het schoolteam. Ik werd uitgenodigd om teamvergaderingen mee te maken en ervoer hoe zelfbewust en ook reactionair de leraren in die tijd waren. Menigmaal heb ik meegemaakt dat een directeur door enkele leraren van het team werd teruggefloten en kreeg medegedeeld dat bepaalde voorstellen niet zouden worden uitgevoerd.

Het was een interessante periode. Er viel nogal wat van deze leraren, in overgrote meerderheid mannen overigens, te leren. Laat ik het zo zeggen. Er stonden leraren voor de klas die van wanten wisten, die kennis van zaken hadden en die zich niet iets lieten zeggen door mensen die niet voor de klas stonden.

Kom daar maar eens om tegenwoordig.

Een vol dienblad

Want ik heb, als ik met leraren spreek en andere scholen bezoek, sterk het idee dat leraren maar mondjesmaat ingaan tegen wat een bestuur of schoolleiding voorstelt. Er wordt wel gemopperd, er wordt ook veel geklaagd, maar de meeste dingen blijven zoals ze zijn. Als ik weleens een team kom begeleiden of voor een zaal vol leraren sta, dan kun je de weerzin tegen weer een scholing of verplichte bijeenkomst haast voelen. Praat je met schoolleiders, dan bruist het van de energie; zit je om de tafel met leraren dan kijk je voor de zekerheid toch even waar de AED hangt.

Kijk, ik ben het met leraren eens. De werkdruk is hoog. Leraren doen te veel in te weinig tijd. Als ik terugdenk aan mijn eerste jaren voor de klas, dan valt me op dat er minder lessen werden gegeven, terwijl de leerlingen wel net zo lang naar school gingen als nu. Het lesprogramma was overzichtelijker en minder ambitieus. Er was in die tijd een prettige balans tussen wat moest worden aangeboden en de tijd die je ervoor had. Die balans stond toen al onder druk, maar die leraren die ik hierboven noemde, beschermden die balans met verve en vol vuur.

Want stel je eens voor, dat jouw school besluit om een methode voor sociaal-emotionele ontwikkeling in te voeren; een methode als De Vreedzame School of Leefstijl. Die methode vraagt een tijdsinvestering van een of meer uren per week. Die uren moeten ergens vandaan komen. Je krijgt er van de schoolleiding of het bestuur niet de uren bij. Als je dus, met andere woorden, niet iets uit het curriculum haalt als je er iets aan toevoegt, dan neemt de druk op de leraar toe en neemt de kwaliteit af. Je moet namelijk onderwerpen en lessen afraffelen om ervoor te zorgen dat je alles hebt gedaan wat door je school verplicht is. En als je half werk levert, dan zullen de resultaten navenant zijn.

Een verstandig team van leraren vraagt aan een bestuur of aan de schoolleiding wat er uit het curriculum gaat als er iets bij komt. Als er niets af kan, dan kan er ook niets bij. Dat moet de stelregel zijn. Handhaaf je deze regel niet, dan loop je zo de valkuil van de werkdruk in.

Maar er is meer.

Kennis van zaken

Je hoeft als school namelijk helemaal geen methode voor sociaal-emotionele ontwikkeling te hebben. Je kunt aan de wettelijke eisen voldoen door voor een andere aanpak te kiezen. Daar is wel kennis van zaken voor nodig. En laten we eerlijk zijn: veel leraren hebben die niet. Die denken dat zo’n methode verplicht is, of dat je – een ander voorbeeld – met groepsplannen moet werken, ook zo’n werkdruk verhogende methodiek. Dat hoeft allemaal niet, als je maar kunt aantonen dat je de leerlingen op je school goed volgt en interventies pleegt die gebaseerd zijn op data en (daar is-ie weer) kennis van zaken.

Als basisschool hoef je helemaal niet zo veel. Maar veel scholen maken er zaak vaak om bovenop de wettelijk verplichte bouwstenen en ambities een pakket aan lessen, methodes en methodieken in te voeren en aan te bieden die in de tijd die daarvoor bestemd is helemaal niet kunnen worden aangeboden. Je zou eens moeten onderzoeken in hoeverre het aanbod van je school afwijkt van de wettelijke vereisten. Als je daar zicht op hebt, dan heb je daar een bron van de werkdruk te pakken. En die bron kun je aanpakken.

Want, prachtig hoor, al die brandende ambities van besturen en schoolleiders, maar als zij ze zo belangrijk vinden, dan voeren ze die toch zelf uit? Wij hebben er geen tijd voor.

Je begrijpt dat deze twee zinnen een vrijwel letterlijk citaat zijn van wat ik 25 jaar geleden hoorde. Je mag ze best gebruiken als iemand met een idee komt dat niet hoeft, een idee ook dat geen toegevoegde waarde heeft en jou de stuipen op het lijf jaagt omdat het de werkdruk verhoogt.

Weg met de cao

Nu helpt de cao ook niet echt. Dat moet gezegd. Uit dat boekje zou je de gehele passage over taakbeleid moeten scheuren en verbranden. Want ook dat is veranderd in de kwart eeuw dat ik lesgeef. Tegenwoordig wordt tot achter de komma berekend of jij je ‘uren’ wel maakt. Naast je lesgevende taken en de na- en voorbereiding moet je, als een medewerker van een productiebedrijf, ergens mee bezig zijn. Vandaar al die commissies, werkgroepen en vergaderingen. Ook die lekken tijd, energie en gaan ten koste van je humeur. En ze voegen weinig toe aan de kwaliteit voor hetgeen waarvoor je zo graag gezien wordt, namelijk goed lesgeven.

Ik weet nog hoe op een basisschool in Alkmaar een leraar van groep 7 in de lerarenkamer zat te wachten tot hij naar huis mocht. Het was in de tijd dat de besturen werden verzelfstandigd en dat de lui aan het hoofd van deze besturen bedachten dat je op bepaalde tijden op school moest zijn. De leraar had zijn werk af, wilde een ommetje maken om over mooi onderwijs na te denken, maar mocht het pand niet verlaten. Hij zat daar maar, met een donkere wolk om zijn hoofd.

Als iets uitputtend is, dan is het wel te moeten aanschuiven bij bijeenkomsten waarvan je het belang niet inziet. En nogmaals. Vijfentwintig jaar geleden nam ik niet deel aan werkgroepen of commissies. Ik werkte in Zaandam en fietste heen en weer tussen mijn huis in Alkmaar en de school, die in het centrum van de stad staat. Het was een fietstocht van ruim een uur, dwars door de industriegebieden van de Zaanstreek en de rust en kalmte van de Schermer. Ik was vrijwel altijd om half zes thuis.

Nu mag de leraar blij zijn als zij om half zes naar huis kan. Ze komt thuis, is uitgeput en heeft tijd noch zin om na te denken over wat moet en mag in het onderwijs. Je begrijpt wel wie bij zo’n model garen spint. Dit doorbreek je alleen als je begint met nadenken en uitzoeken en begint met het stellen van vragen aan de mensen die jou zien als een productiemedewerker in plaats van een vakman.

Een verwenteld schaap

In de tijd dat ik nog op Texel woonde en over het eiland rondrende alsof ik gedragen werd door de wind, heb ik menig schaap dat op haar rug lag rechtop gezet. Dat hoorde bij de opvoeding, zullen we maar zeggen. Als kind kreeg je ingeprent dat wanneer je een schaap dat met de poten omhoog lag zou laten liggen het dier een gewisse dood tegemoet ging. Dus sprong ik over slootjes, trotseerde ik schrik- en prikkeldraad om een verwenteld schaap er weer bovenop te helpen.

Welnu, als ik aan de leraar denk, dan denk ik aan een verwenteld schaap in een weiland van het Büttikofers Mieland.

Of andersom. Dat kan ook.

Enfin.

Er valt veel te zeggen over het beroep van leraar. Over de zwaarte bijvoorbeeld. Of over de waardering. Of over het feit dat er zo weinig mensen zijn die het vak van leraar kiezen. De maatschappelijke stormwind beukt al enige jaren tegen de leraren aan.

En soms vallen de leraren om.

En daar liggen ze dan. Met grote ogen kijkend en wachtend tot iemand ze weer overeind helpt. Want zelf kunnen ze dat niet. Of: niet meer.

Ik luister weleens naar leraren als ze op radio of televisie uitleggen wat er mis is met het beroep. Het zijn eloquente vertellers. Vaak zijn het dezelfde vertellers, dat wel, maar hun woorden klinken mooi en duidelijk. Ik hoor het allemaal graag aan. Deze leraren geven een heldere analyse van wat er mis is in het onderwijs en wat er anders zou moeten. En met hun woorden wijzen ze de partijen en instanties aan die naast de verantwoordelijkheid voor de ellende ook de taak hebben om het probleem aan te pakken. Bonden, besturen en politiek worden aangesproken.

De leraar zelf blijft meestal buiten schot.

De stormwind die het onderwijs nu teistert, werd in 2007 al voorspeld. Het rapport LeerKracht! van de commissie-Rinnooy Kan staat vooral bekend om de vlammende openingszin: “Nederland staat aan de vooravond van een dramatisch kwantitatief tekort aan kwalitatief goede leraren.”

In het debat over het onderwijs hebben we de begrippen kwantitatief en kwalitatief gescheiden. Leraren hebben het kritisch kijken naar zichzelf gelaten voor wat het is. Alle initiatieven daartoe zijn gestrand of gesaboteerd. Een groot deel van de beroepsgroep staat in zijn ontwikkeling stil.

En ook dat is de schuld van anderen.

Leraren kregen een klap geld tegen de werkdruk. Ik heb dat altijd ironisch gevonden, omdat leraren hun eigen werkdruk organiseren. Ze zijn er kampioen in. Ze weten niet wat moet en mag en doen daardoor allerlei dingen die niet hoeven, maar waarvan ze zelf denken dat deze moeten. Feitelijk weten die leraren niets van de opdracht die ze hebben. Of, anders gezegd: wat hun vak omvat.

Wat me verder opvalt, vandaar de vergelijking met het verwentelde schaap, is de hulpeloze en afwachtende houding van leraren binnen hun eigen organisatie. Leraren weten wat ze nodig hebben om goed onderwijs te geven (veel voorbereidings- en ontwikkeltijd bijvoorbeeld) maar wachten af tot anderen dat voor hen regelen.

Ik begrijp niet dat leraren wachten en verwachten dat op landelijk niveau iets wordt geregeld dat ze met wat inzet en doorzettingsvermogen in hun eigen school voor elkaar kunnen krijgen. Ze vormen bovenschools een collectief, maar vergeten dat in hun eigen school te doen.

Het lerarentekort is ernstig, zeer ernstig zelfs. Het salaris kan beter. Zeker het salaris van een leraar in het po heeft een injectie nodig. Ook moeten scholen en besturen meer werk maken van loondifferentiatie. Al die leraren die in L10 blijven hangen is weinig motiverend als je een aardig potje kunt lesgeven.

Maar dat zijn allemaal zaken die slechts beperkt van invloed zijn op de kwaliteit, dat heikele punt dat we maar steeds laten voor wat het is. Een betere leraar worden vraagt tijd, veel tijd. Lees Anders Ericsson er maar op na (Piek!). Die tijd en de bijbehorende begeleiding moet jij als leraar (en als team van leraren) eisen en organiseren. Lesgeven, lessen evalueren, verbeteren en voorbereiden vormen samen de kern van je vak. De rest is voor het grootste deel ketelmuziek. En laten we eerlijk zijn: de huidige onderwijsproblematiek biedt kansen om die ruimte te eisen. Niemand wil je kwijt. En daar moet je gebruik van maken. Dus pak die ruimte.

Want vrienden, de volgende storm wint al aan kracht. Op 3 december 2019 komt Pisa met een onderwijsranglijst van 80 landen die met elkaar zijn vergeleken op het gebied van lezen, rekenen en natuur en techniek. Ik voorspel twee dingen. De eerste voorspelling is dat Nederland, zeker als het om rekenen gaat, terugzakt (we staan nu op 11) naar de grijze middenmoot. De tweede voorspelling is dat dit op het conto van de leraar zal worden geschreven.

Ben je klaar voor die storm? Overleef je die? Of lig je op 4 december verwenteld achter je bureau?

 

 

 

 

 

 

Week 10: Samenwerken

Naar de wc

Ik ben niet veel anders dan een aantal leerlingen in de klas, denk ik weleens. Wat zij doen als kind, dat doe ik als volwassene. Dit inzicht zorgt ervoor dat ik gedrag van leerlingen aardig kan voorspellen. Zo zat ik laatst achter in een klas. Ik keek naar een rekenles. Na een korte werkinstructie kregen de leerlingen de opdracht om in groepjes van vier enkele rekenproblemen op te lossen. In de fase tussen het laatste woord van de leraar en het oplossen van de eerste som liepen drie leerlingen uit hun groepje en bezochten de wc. Dit waren precies de leerlingen die me qua gedrag waren opgevallen toen ik voorafgaande aan de rekenles naar een spellingles had gekeken. Je herkent dit soort leerlingen direct. Ze zijn voortdurend afgeleid, zijn veelal gericht op andere leerlingen in de klas en ze zijn constant op zoek naar mogelijkheden om te ontkomen aan de opdracht die de leraar geeft. De wc is voor deze leerlingen een veelbezochte vluchtheuvel. Als je mijn vorige blog over gedrag terugleest, dan weet je wat het probleem van de leraar is en wat de speelruimte is die deze leerlingen krijgen.

Maar goed, ik gaf aan dat ik zelf niet anders ben dan deze leerlingen. Ik zal daarvan een voorbeeld geven. Ik bezocht onlangs een onderwijsconferentie en tijdens een van de workshops die ik daar volgde gaf de workshopleider een samenwerkopdracht aan de aanwezigen. Ik keek om me heen en zag dat ik met allemaal mensen aan tafel zat die ik niet kende. Deze opdracht was voor mij dan ook het signaal om op te staan, de wc te bezoeken en een kop koffie te halen. Toen ik terugkwam, was mijn groepje al een flink eind op streek. Ik schoof aan en luisterde naar wat anderen hadden bedacht.

Samenwerken

Ik ben niet zo dol op samenwerkopdrachten. Het lijkt er van een afstandje op dat leerlingen die met elkaar samenwerken hard aan het werk zijn en veel leren, maar dat is vaak schijn. Als ik achterin een klas zit en samenwerking tussen leerlingen zie, dan dwalen mijn gedachten als vanzelf af naar het werk van Graham Nuthall, die in The Hidden Lives of Learners laat zien wat voor complexe vaardigheid samenwerken is. Zo beschrijft hij hoe een groepje leerlingen moet praten over de kenmerken van Antarctica. Ze hebben hierover al uitleg en instructie gekregen. Een jongen in het groepje verkondigt nonsens over neerslag op het continent, maar wordt niet gecorrigeerd door de andere leerlingen in het groepje. En dat terwijl deze leerlingen wel het juiste antwoord kennen en dus weten dat de jongen onzin uitkraamt.

In de klas waar ik observeerde domineerde een wat grotere leerling zijn groepje. Hij rekende een som uit, maar kwam tot een verkeerd antwoord. Nadat hij dit antwoord had gedeeld zag ik iedereen in zijn groepje het antwoord in het daartoe bestemde vakje schrijven. Toen ik naar de antwoorden keek, bleken de wat meer schroomvallige leerlingen een ander antwoord te hebben genoteerd. Dit was het juiste antwoord. Ze hadden, terwijl de jongen hardop dacht, de som zelf uitgerekend. Ze vonden het blijkbaar niet nodig hem te corrigeren of uit te leggen waar hij de mist was ingegaan.

In een ander groepje leken de leerlingen goed met elkaar samen te werken, maar dat was niet zo. De hoofden waren dicht bij elkaar; maar dat was dan ook alles. Een meisje in dat groepje merkte tegen haar buurman op dat hij alleen maar ging samenwerken als de meester keek. Maar de meester keek niet. Hierdoor kon de jongen verder gaan met tekenen in de marge van zijn schrift. Je begrijpt al dat hij een van de leerlingen was die gezwind naar de wc rende toen de opdracht tot samenwerken was gegeven.

Kennis delen

Nuthall beschrijft in zijn boek hoe eenvoudig het is om te voorspellen of leerlingen zich een nieuw aangeleerd concept eigen hebben gemaakt.

We discovered that a student needed to encounter, on at least three different occasions, the complete set of information she or he needed to understand a concept. If the information was incomplete, or not experienced on three different occasions, the students did not learn the concept.

Je bent als leraar dwaas als je een van die drie momenten een samenwerkingsmoment van je leerlingen laat zijn.

Maar dit terzijde.

Terug naar het samenwerken. Nuthalls scherpe blik leert ons dat leerlingen in een klas niet altijd bereid zijn om hun kennis met elkaar te delen. Je kunt je voorstellen dat een leerling in je klas die een concept al kent of goed heeft opgelet tijdens de uitleg, weinig zin heeft om dit te delen met een leerling die minder vlot is of tijdens de uitleg met andere dingen bezig was. Niets menselijks is deze leerlingen vreemd en dat reflecteert zich in hun houding tijdens samenwerkend leren.

Ik vind leerlingen die met elkaar samenwerken over het algemeen geen indicator van leren in een klas. Er zijn wel meer dingen die we leerlingen in de klas laten doen en die een indicatie lijken te geven dat leerlingen ook daadwerkelijk iets leren. Robert Coe noemt deze zaken ‘Poor proxies for learning.’ Je kunt hierbij denken aan leerlingen die hard aan het werk zijn, leerlingen die betrokkenheid en motivatie tonen, leerlingen die aandacht en feedback krijgen of dat het stil en rustig is in de klas.

Als je deze constateringen van Nuthall en Coe combineert, dan begrijp je ook dat Nuthall meende dat je eigenlijk geen afgewogen oordeel kunt geven of een leraar goed les geeft of niet. De indicatoren die op de afvinklijstjes staan die schoolleiders of externen gebruiken om jouw les te beoordelen zijn vaak precies ‘the poor proxies’ die ik hierboven noemde. Bekijk deze lijstjes maar eens kritisch, dan zul je veel van deze punten tegenkomen.

Moeilijke vragen

Als ik op klassenbezoek ga, laat ik de lijstjes thuis. Ik ga weleens zitten in een groep en let dan op de vragen die de leraar stelt. Mij valt op dat leerlingen, zowel in het po als in het vo, nauwelijks echt moeilijke vragen krijgen voorgeschoteld. Een (moeilijke) vraag die ik mezelf hierbij stel is of de wijze waarop wij in het onderwijs instructie en uitleg geven hier niet op aanstuurt. Hier heb ik niet direct een antwoord op. Ik zal daar later dit jaar nog eens op terugkomen.

Soms geef ik zelf een lezing of workshop. Bij de voorbereiding wordt dan regelmatig gevraagd of ik de aanwezigen een actieve rol wil geven. Er moet altijd wel een opdracht inzitten waarmee de aanwezigen aan de slag kunnen. Als de deelnemers aan mijn workshop dan met elkaar overleggen, loop ik even naar het koffieapparaat en denk ik aan Nuthall en aan The Poor Proxies for Learning van Coe. Het is bezigheidstherapie. Meer niet. En daar zijn we in het onderwijs koningen in. Samenwerken is hierop vaak geen uitzondering, maar een bewijs.

 

 

 

Week 9: Ordeloosheid

Het is herfstvakantie, maar de onderwijswereld dendert door. Vandaar dit tussenblog, over de bende in scholen en klassen.

De vloek van kennis

Toen ik op de lagere school zat was gedrag geen probleem, maar op de middelbare school liepen de zaken regelmatig uit de hand. Met name bij natuurkunde gedroegen leerlingen alsof ze uit het gekkenhuis waren ontsnapt. Wangedrag was de regel en ik vormde hierop geen uitzondering. Het liep in die klas zelfs zo uit de hand dat een leerling in gevecht ging met de leraar. En won.

Dat die leraar nog lang voor de klas heeft gestaan is me altijd een raadsel geweest. De man was een didactisch onbenul en zag niet in dat de kennis die voor hem vanzelfsprekend was voor ons een onbekend universum vormde. Dit gold overigens ook voor de leraar wiskunde II. Ook die kon maar niet begrijpen dat jij iets wat voor hem vanzelfsprekend was niet begreep. Je kunt je voorstellen dat dit spanningsveld bijdroeg aan ons wanordelijke gedrag. Maar de werkelijke oorzaak voor ons liederlijk gedrag bij een vak als natuurkunde was iets anders. Dat we ons gedroegen zoals we ons gedroegen werd voor een belangrijk deel veroorzaakt door een gebrek aan professionaliteit in de school in het algemeen en van de leraar natuurkunde in het bijzonder.

Handelingsverlegen

Als ik het goed begrijp is de situatie die ik op mijn middelbare school uitzonderlijk vond in het Nederlandse (basis)onderwijs schering en inslag. Oud-inspecteur Joop Smits deed er onderzoek naar. Een landelijk dagblad vatte dit onderzoek als volgt samen:

De helft van de leerlingen op honderden Brabantse basisscholen ervaren ordeproblemen in hun klas. Op veel scholen kunnen ze niet rustig werken, treden leerkrachten niet kordaat op bij ongewenst gedrag en ontbreekt het de juffen en meesters aan natuurlijk gezag. Veel leraren onderschrijven het probleem.

Die laatste zin fascineert me: Leraren onderschrijven het probleem. Dus? Feitelijk geven leraren aan dat zij als professionals tekortschieten. Ze doen er blijkbaar onvoldoende aan om ongewenst gedrag te voorkomen. Het lijkt erop alsof ze handelingsverlegen zijn. Deze leraren geven, met andere woorden, aan dat ze niet weten hoe ze dit probleem moeten adresseren.

Dat vind ik nogal wat.

Grenzen

Veel scholen zeggen dat ze een heldere gedragsaanpak hebben. In protocollen ligt vast wat van leerlingen verwacht wordt. Maar de papieren werkelijkheid komt vaak niet overeen met de werkelijkheid in de klassen, zo laat Smits ons zien. Het begint er natuurlijk mee dat een heldere gedragsaanpak wordt doorgevoerd in de hele school. Ik blijf herhalen dat een rustige en ordelijke school geen verdienste is, maar een voorwaarde. Dat natuurkunde het vak was waar ik de laagste resultaten voor haalde, haalt je de koekoek. Als het gedragsmatig een bende is in de klas, dan lijdt het leren er onder. Ik durf te wedden dat bijlesinstituten garen spinnen bij de wanorde in scholen en klassen.

Heldere gedragsverwachtingen uitspreken en handhaven vraagt het nodige van leraren. Ik leg dit uit aan de hand van een afbeelding die ik heb overgenomen uit het boek Orde houden in het voortgezet onderwijs van René Kneyber:

Schermafbeelding 2019-10-25 om 10.27.51

In deze afbeelding zie je wat er gebeurt als de persoonlijke grenzen van de leraar voorbij de professionele grenzen liggen. Leerlingen gaan zich bewegen in de ruimte tussen de regels van de school en die van de leraar. Bij mijn begeleiding van startende leraren en van studenten gaat het regelmatig over het spanningsveld tussen wat jij als persoon acceptabel gedrag vindt en wat binnen een professionele schoolorganisatie van je gevraagd wordt. Als je ingrijpt en leerlingen tot de orde roept als ze jouw persoonlijke grenzen overschrijden, dan ben je feitelijk te laat. Leerlingen vertonen dan gedrag dat je slechts met moeite kunt corrigeren. Je moet dan, zoals ze dat in Amsterdam zeggen, flink op je poot spelen.

Op veel scholen zijn de gedragsverwachtingen voor leerlingen onduidelijk, onbekend of afwezig. En als ze er wel zijn, dan handelen leraren er onvoldoende naar. In beide situaties is er sprake van een tekort aan professionaliteit. De leerlingen lachen zich rot en bewegen zich tussen de regels door. Ik heb dat als leerling én als leraar ervaren.

Preventie

Mijn natuurkundeleraar mocht dan veel kennis hebben van de wet van behoud van energie of de gravitatiewet van Newton, als het om gedrag ging wist de arme man niet wat hij niet wist. En dat geldt, zo valt me op, voor meer leraren. Het onderwijs heeft zo zijn eigen wetten en een daarvan is de weerbarstigheid van de werkelijkheid.

Ouders ervaren het probleem van hun persoonlijke grenzen als ze een verjaarsfeestje organiseren en ze plots een huis vol hebben met kinderen die zich net zo gedragen als hun eigen zoon of dochter. Na afloop van het feestje moeten ze gezamenlijk aan de zuurstof, terwijl ze ondertussen een nieuwe bank en een nieuw kleed voor in de huiskamer bestellen. Startende leraren ervaren dit probleem als ze denken net lekker onderweg te zijn. Als ze dan niet snel inzicht krijgen in het spanningsveld tussen wat kan en wat zij toelaten, dan wordt het lastig om ze binnen boord te houden.

Dat opleidingen tot leraar weinig aandacht hebben voor gedrag en het reguleren van gedrag is iets waar ik niet veel aan kan doen. Ik weet wel dat ik als onderdeel van de schoolleiding en opleider in school invloed kan hebben op het gedrag in de klas door heel simpel voor een collega op een blaadje twee cirkels te tekenen en uit te leggen in welke vrije ruimte de leerlingen zich in de klas bewegen. Ik had gehoopt dat iemand mij dit had verteld toen ik als leraar begon. Want als het gaat om gedrag ben ik door schade en schande wijs geworden.

Ik kan die cirkels slechts tekenen omdat ik werk op een school waar heldere gedragsregels zijn waar iedereen zich aan houdt. En met iedereen worden ook de leraren bedoeld. Want stel je eens voor dat je van leerlingen verwacht dat ze de regels volgen, terwijl jij als leraar meent en denkt dat je het wel zonder kunt. Dat is niet professioneel te noemen. En het leidt, zo heb ik mogen ervaren, tot vechtpartijen tussen leerling en leraar.

 

 

 

Week 8: Stopverf

Stopverf

Onderwijs is een deeltijdwereld. Veel leraren werken niet een volledige week. De redenen zijn uiteenlopend, maar het gevolg is wel dat het vaak moeilijk is om de formatie van een school passend te maken. En soms is dat zo ingewikkeld dat een leraar gevraagd wordt links en rechts wat gaten te vullen.

Ik ben dit schooljaar zo’n leraar. Ik vul de gaten die in de formatie zijn overgebleven. Ik ben, met andere woorden, de stopverf in de schoolorganisatie. Dat is overigens een weloverwogen keuze. Ik heb me bewust weggecijferd om ervoor te zorgen dat andere leraren zoveel mogelijk een eigen groep kunnen krijgen. Maar goed, als ik nu na acht weken onderwijs de balans opmaak, dan ben ik niet erg enthousiast over de keuze die ik heb gemaakt.

Laat me dat uitleggen.

Baantjesverzamelaar

Eigenlijk ben ik sinds de start van de Alan Turingschool nu ruim drie jaar geleden getransformeerd van leraar naar iemand met diverse taken, opdrachten en posities in de schoolorganisatie. Ik ben twee dagen leraar. Ik ben teamleider. Ik ben opleider in school. En ik begeleid buiten onze school nog diverse leraren en ik geef weleens trainingen en lezingen. Het lastige is dat al die dingen leuk zijn. Ik zou geen van deze dingen willen missen. En zeker in combinatie met elkaar zijn deze activiteiten zo fijn. Zo heb ik als teamleider een belangrijke rol in de keuzes over wat we de leerlingen in acht jaar onderwijs aanbieden. Als leraar vind ik het fijn om die inhoudelijke keuzes aan de praktijk van alledag te toetsen. Levert, om een voorbeeld te noemen, ons thematisch onderwijs op wat we voorstaan?

We hebben in school een kwaliteitszorgsysteem waarbij we ons telkens de volgende vragen stellen over de kwaliteit van ons onderwijs:

  • Doen we de goede dingen?
  • Doen we de goede dingen goed?
  • Vinden anderen dat ook?
  • Hoe weten we dat?
  • Wat doen we met die wetenschap?

Kennis vanuit de groep, dus van de leraar en de leerlingen, helpt om het onderwijs te verbeteren. En hoewel ik met mijn andere bezigheden genoeg te doen heb in de vier dagen die ik werk, kan ik me niet voorstellen dat ik de klas zou verlaten. Ik krijg uit de praktijk veel feedback over wat we als school voorstaan. Maar vergeet ook niet dat ik lesgeven nu eenmaal erg fijn vind om te doen en het contact met ‘jongelui’ (zoals mijn oud-collega Fred zijn leerlingen altijd aansprak) kleurt mijn dag. En bij dat laatste punt zit nu de pijn.

Ik heb geen eigen groep. Ik sta een dag per week voor groep 5 en alternerend op woensdag voor groep 4 en groep 5. Mijn contact met de leerlingen is daardoor toch beperkt. Zo heb ik moeite, en de leeftijd zal daar wellicht ook een rol bij spelen, om me de namen van de leerlingen van groep 4 eigen te maken. Ik loop dan ook weleens groep 4 binnen om te kijken of ik alle namen ondertussen ken. Het eerlijke antwoord is: nee.

In groep 5 ervaar ik een ander probleem. Ik draai de groep op donderdag en om de week  op woensdag, maar ik heb als leraar weinig mogelijkheden om inhoudelijk iets op te bouwen. Met andere woorden, als ik op donderdag een thematische les geef en door de interactie met de groep tot ideeën kom over een vervolgles, dan heb ik weinig mogelijkheden om deze uit te voeren. Kort gezegd dreigt het gevaar dat ik een lesboer word. Daar waak ik voor door met mijn collega’s afspraken te maken over de ruimte die ik heb om eigen keuzes te maken, maar het wringt soms toch.

Juffrouw Witvliet

In mijn jeugd was deeltijdwerken onder leraren een onbekend verschijnsel. Ik kan vanaf de eerste klas (de huidige groep 3) zo opsommen welke leraren ik had: Commandeur, Hazewinkel, Van Empel, Gerrits, Lohning en Heethuis. De laatste was ook het hoofd der school en had vanuit die functie op twee middagen in de week tijd om andere taken uit te voeren. Hij werd dan vervangen door juffrouw Witvliet. Met haar hadden we geen band. Sterker nog, we hadden een hekel aan haar. Haar stijl was sober, afstandelijk en regelmatig bits. Achteraf begrijp ik waarom ze vaak reageerde zoals ze reageerde. De klas stond naar de hand van Heethuis en zij kon in de vier uur per week dat ze ons lesgaf niet of nauwelijks een band opbouwen. De uren met haar kropen voorbij en zeer regelmatig stond ik in het kamertje van het hoofd, omdat ze mij de klas had uitgestuurd.

Nu zijn er in scholen de nodige juffen Witvliet. Ze doen hier en daar een groep. Ze zijn de stopverf in de schoolorganisatie. Ze zijn, gezien het aantal leraren dat in deeltijd werkt, onmisbaar. Maar missen ze niet het ritme van een eigen groep?

Na acht weken in groep 4 en groep 5 beantwoord ik die vraag met ja. Maar goed, we zijn nog maar net begonnen…

 

Week 7: de schoolfotograaf

Spiegelbeeld

Op de oudste schoolfoto die ik heb sta ik niet afgebeeld zoals ik ben. Niet dat u dat zou zien, maar mij valt het direct op als ik naar de zwart-witfoto kijk. De foto is gemaakt op kleuterschool ‘De woelige hoek’ in Den Burg op Texel. De kleuterschool bestaat niet meer, het gebouw waarin ‘De woelige hoek’ gehuisvest was evenmin. Maar de foto, die heb ik nog. En die foto die klopt niet.

Op de foto namelijk houd ik een kwast vast die ik in een verfpot doop. Voor me ligt een vel papier dat wacht op de klodders en strepen die ik voornemens ben te gaan zetten. Nou ja, de compositie doet die suggestie. Op de kleuterschool schilderde ik nauwelijks. Ik maakte puzzels, streepte wat met wasco en maakte constructies met materiaal dat wel iets weghad van Nopper; maar schilderen, dat deed ik niet.

Dat is evenwel niet de reden dat de foto niet klopt. Het gaat om de kwast en de hand. Ik houd de kwast vast met mijn rechterhand, terwijl ik linkshandig ben. Maar de fotograaf had alles zo neergezet, dat alleen een foto met de kwast in de rechterhand mogelijk was. En het lukte mij maar niet om dat te doen. Telkens wisselde ik van hand, tot ergernis van de fotograaf.

Spanning

Die fotograaf was geen kindervriend. Hij kwam zijn werk doen. Meer niet. Mijn linkshandigheid vond-ie lastig en hij bleef me corrigeren totdat ik stilzat met een kwast in mijn rechterhand.

Als kind was je gespannen voor de schoolfoto. En dat is tegenwoordig niet anders. Veel leerlingen komen op de dag van de schoolfotograaf net iets netter gekleed naar school dan normaal. Je ziet uitbundige jurken, een overdaad aan gel en bij de oudere meisjes verschijnt al een voorzichtige streep lippenstift.

De spanning bij de schoolfotograaf is evenwel groter. Die moet in een moordend tempo honderden gezichten vereeuwigen en vele klassenfoto’s maken. Als jij met je klas aan de beurt bent en aanschuift op de bankjes in de saaie speelzaal, dan voel je die spanning. Want een ding weet je bijna zeker: het fotograferen van leerlingen gaat zelden volgens schema.

Jouw taak als leraar is om de leerlingen rustig te houden voorafgaand en tijdens de fotosessie. Veel leerlingen worden namelijk onrustig en gespannen door de schoolfotograaf. Als je er van een afstand naar kijkt, dan is die spanning op zijn minst bijzonder te noemen. Alle leerlingen zijn immers al ontelbaren malen gefotografeerd. Hele datacentra aan de rand van de stad vreten energie om al die foto’s te kunnen bewaren in een subtiel spel van nullen en enen. Maar dat maakt op een dag als deze niet uit. De spanning is enorm, want deze foto moet de beste worden.

Het gaat om de groep

En dat wordt-ie vaak niet. Als de foto’s op school worden afgeleverd en jij ze uitdeelt, dan tonen veel leerlingen – en later hun ouders – zich ontevreden over de foto. Het is een beetje alsof ze hadden gehoopt dat Erwin Olaf was langsgekomen om van elk kind een staatsieportret te maken. En dat terwijl het vooral productiewerk is. Esthethiek is een onbekend fenomeen bij schoolfotografen. Er wordt weleens gespeeld met houding en aankleding. Zo heb ik een schoolfoto waarop mijn zoon staat afgebeeld op blote voeten. Maar die ligt onder in een lade. Experiment mislukt, zullen we maar zeggen.

Als een kind al zoveel en zo vaak wordt gekiekt, dan zou je kunnen denken dat de schoolfoto zijn langste tijd heeft gehad. Maar dat is niet zo. Ik ken verhalen van scholen alwaar ouders in woede ontstaken toen de school aankondigde met de schoolfoto te stoppen. En ik begrijp dat wel. Want wat mij betreft zijn de klassenfoto’s unieke documenten die vastleggen met wie je een tijdje bent opgetrokken. Ik weet nog wel dat mijn moeder de portretfoto weleens liet voor wat-ie was, maar de groepsfoto eigenlijk altijd wel afnam. En daar ben ik haar dankbaar voor. Die klassenfoto’s tonen namelijk een vervlogen tijd en verloren vriendschappen.

Martijn van de Griendt

Wij hebben het geluk gehad om een jaar lang een fotograaf over de vloer te hebben die fotografeerde wat ik in mijn wekelijkse blog beschrijf, namelijk de gang van zaken op een basisschool. De fotograaf, Martijn van de Griendt, schoof aan bij het kerstdiner, zag de leerlingen spelen met een bal, de gymmeester een conflict oplossen én leerlingen gespannen zijn voor de schoolfotograaf. Het zijn dierbare herinneringen die laten zien hoe wij ons als school hebben ontwikkeld. Woorden zijn fijn, maar beelden hebben ook zo hun kracht en waarde.

EF8Fed4WkAA8Awz.jpeg

Onzichtbare herinneringen

En die kracht en waarde zit ook in een aantal prachtige groepsfoto’s die ik heb. Eerst met mij als leerling en later met mij als leraar. Ik bekeek ze laatst en zag hoe de leraar van mijn toenmalige vijfde klas gekleed was. Hij droeg een overhemd met daarover een effen wollen trui. Op een van mijn klassenfoto’s als leraar draag ik exact dezelfde kleding. Alsof er in 25 jaar weinig is veranderd, behalve dan dat ik zijn plek heb ingenomen.

De laatste groepsfoto waarop ik als leerling sta, dateert uit 1977. Onze klas staat met de hoofdmeester op een rij voor de school. De hoofdmeester staat uiterst rechts, met de handen over elkaar geslagen. Ik sta dicht bij hem. Ook met mijn handen over elkaar. Mijn haar zit wild en mijn hoofd ziet er verhit uit. De foto is direct na de kleine pauze gemaakt. In die pauze voetbalden we altijd. De teams waren al tijdens de les gemaakt, zodat we lang konden spelen. De uitslag ben ik vergeten, maar als ik de foto zie, dan zie ik direct het veldje voor me waar we onze potjes speelden. Ik weet ook nog met welke bal we speelden. Het was een bruine, plastic bal waarop in zware letters Arsenal stond. Ik zie ‘m zo rollen door het natte gras van het veldje.

Zo zie je maar. Schoolfoto’s leggen veel vast. De spanning vergeet je, maar de onzichtbare herinneringen niet.