Week 15: Leesvaardigheid in een vrije val

Als het om rapporten, schema’s en grafieken gaat, moet je proberen om voorbij de abstracte getallen te kijken. Ik ben opgeleid door een stel bevlogen historici die bleven benadrukken dat het bij een studie als geschiedenis of politicologie in de kern altijd om mensen gaat. Dat heb ik onthouden. Dus als het om rapporten, schema’s en grafieken over onderwijs gaat, dan stel ik mezelf altijd de vraag: wat betekenen die abstracte getallen nu voor de leerlingen waarover het gaat? Wat vertellen die cijfers ons over wat deze leerlingen kennen en kunnen?

Vandaag kwam het langverwachte Pisa-rapport uit. 15-jarige leerlingen uit ruim 70 landen zijn met elkaar vergeleken op de gebieden lezen, rekenen en wetenschap & techniek (science). In de rapportage van dit jaar ligt de nadruk op lezen. Nederland was in het verleden, als het om leesvaardigheid gaat, in de bovenste regionen te vinden. In het rapport van dit jaar is ons land weggezakt naar een plaats in de grijze middenmoot. Dat is vervelend als je van winnen houdt, maar zegt niet zoveel. Stel je voor dat ik in VWO-3 zit en voor elk wiskundeproefwerk een 8 haal. Ik doe het dan best aardig en mijn wiskundeleraar zal zich weinig zorgen maken over mijn ontwikkeling. Edoch, als alle andere leerlingen in die klas voor hun proefwerken telkens een 8,1 of hoger halen, dan bungel ik in de ranglijsten van die klas steevast onderaan. Ik zou dan best aardig zijn in wiskunde, maar vergeleken met de andere leerlingen in mijn klas haal ik wel de laagste resultaten.

Maar goed, zo zit het met onze leesresultaten niet. Die zijn niet stabiel, maar in de loop der jaren omlaag gegaan. Zowel een tekst als een grafiek uit het Nederlandse Pisa-rapport geeft dit duidelijk aan.

Schermafbeelding 2019-12-03 om 17.16.16

Schermafbeelding 2019-12-03 om 09.13.41.png

Nu hoeft dit nog steeds niet zoveel te betekenen. Stel dat het gemiddelde leesniveau daalt, maar dat alle leerlingen die onderzocht zijn desondanks wel toegroeien naar een niveau waarmee ze zich later goed kunnen redden in de samenleving; dan is er geen reden tot paniek, lijkt me. Je zou je dan zorgen kunnen maken over het feit dat je op achterstand raakt ten opzichte van de buurlanden, maar maatschappelijk gezien is het geen reden tot zorg.

Maar dat is nu met de leesvaardigheid van de Nederlandse leerling niet het geval. Al enige tijd circuleren er cijfers over het hoge percentage laaggeletterden in de Nederlandse samenleving. In schattingen wordt gesproken over een procent of vijftien. En laaggeletterdheid is nu juist wél een probleem. Het is namelijk een sociale handicap die ertoe kan leiden dat iemand fiks in de problemen raakt. Een laaggeletterde kan bijsluiters van medicijnen amper lezen, lastige contracten en formulieren (mobiele telefonie, toeslagen, huurwoning e.d.) niet doorgronden of vlot een krant lezen. De problemen die laaggeletterden tegenkomen zijn vaak financieel van aard. Zo is de helft van alle cliënten in de schuldsanering laaggeletterd.

Dus als ik zo’n rapport over leesvaardigheid lees en kijk naar de uitkomsten voor Nederland, dan ligt mijn interesse met name op dit vlak. Hoe zit het met het aantal laaggeletterden? Hoeveel procent van de leerlingen heeft een gevaarlijk lage leesvaardigheid? Dit zegt het Pisa-rapport over het risico op laaggeletterdheid in Nederland:

Schermafbeelding 2019-12-03 om 17.41.19

Bijna een kwart van de 15-jarige leerlingen loopt dus het risico om als laaggeletterde de middelbare school te verlaten.

Zorgwekkend is dat deze groep leerlingen in de loop van 15 jaar ruim is verdubbeld. Kijk maar naar dit schema:

Schermafbeelding 2019-12-03 om 17.55.19

Het is, als het om laaggeletterdheid gaat, crisis in veel landen. Bij ons is die crisis nog ietsje groter.

Maar er is meer. Uit de grafiek blijkt dat een ander kwart van de leerlingen functioneert op niveau 2. Bij niveau 2 horen deze vaardigheden:

Schermafbeelding 2019-12-03 om 17.44.32

Ik durf het haast niet te zeggen, maar dit is toch wel het minimale niveau waarmee je een leerling van de basisschool laat uitstromen naar het voortgezet onderwijs. De harde en eenvoudige conclusie is dan ook, dat de helft van de Nederlandse leerlingen op 15-jarige leeftijd op of onder het nagestreefde eindniveau van de basisschool zit.

De score van de gemiddelde vmbo-gl/tl-leerling is 458. Die leerling functioneert dus op niveau 2 (score tussen 407-480). En om het allemaal nog scherper neer te zetten, het volgende. De gemiddelde 15-jarige havo-leerling kan dit niet:

Schermafbeelding 2019-12-03 om 18.06.30

Ik kan talloze redenen aanvoeren waarom de resultaten dalen. Ik citeer graag een leraar uit een rapport van de onderwijsinspectie over de staat van het onderwijs van enkele jaren geleden. Deze leraar smeekte bijna om van de kernvakken weer de hoofdzaak en hoofdtaak van het onderwijs te maken: ‘Laat lezen en rekenen weer de eerste prioriteit zijn.’ Deze leraar is een roepende in de woestijn. Want wat je bij elk confronterend onderwijsrapport ziet, is dat de verdedigende stellingen worden betrokken. We werken allemaal hard, wordt dan geroepen. Of het lerarentekort wordt van stal gehaald. Die stellingen zijn voor de helft van al onze leerlingen een blokkade voor maatschappelijke kansen en moeten dus doorbroken worden. Het lerarentekort is van recente aard. De leerlingen die nu in de puree zitten, zijn in 2007 in groep 1 begonnen. Laten we ons niet verschuilen achter problemen die met een lage leesvaardigheid tittel noch jota van doen hebben. Het wordt gewoon tijd dat de overheid, gezien de ernst van het probleem, afdwingt dat het probleem wordt aangepakt. Het wordt tijd dat er in het Nederlandse leesonderwijs alleen met bewezen didactieken wordt gewerkt. De overheid is geen knip voor de neus waard als ze dit nu niet oplegt.

En laten wij nu eindelijk weer eens gewoon gaan lesgeven, beste collega’s.

 

Close reading – uitgesmeerd

De mensentijd draait niet in een cirkel, maar snelt in een rechte lijn vooruit. Dat is de reden waarom de mens niet gelukkig kan zijn, want geluk is het verlangen naar herhaling.

(Milan Kundera)

Mensen die met plezier verdwalen in de labyrintische wereld van verhalen, zien er geen been in om een zojuist gelezen verhaal nogmaals binnen te stappen. Ik zei laatst tegen iemand dat ik minstens zoveel lees als vroeger, alleen veel minder nieuwe boeken en verhalen. Ik herlees meer dan ooit. Al vanaf mijn jeugd zijn verhalen mijn metgezellen. Sommige verhalen zijn gekomen en gegaan, terwijl andere een leven lang zijn gebleven. In de loop van een leven komen er steeds meer verhalen bij die de moeite van het herlezen waard zijn. En herlezen betekent nu eenmaal dat een hedendaagse roman of een recent dichtwerk moet blijven liggen.

Achter herlezen zit een schiftingsinstrument. Boeken die je herleest nemen in je eigen leeshiërarchie een hogere positie in dan boeken die je maar een keer leest. Ik heb niet zo’n grote boekenkast en werk daardoor noodgedwongen met dubbele rijen. Boeken die ik meerdere malen heb gelezen staan voorop. Verscholen achter hun ruggen staan boeken die ik soms maar eenmaal of half heb gelezen. Ik woon in een appartementencomplex en beneden bij de eentree staat een boekenkast voor boeken die worden weggegeven. In die kast belanden boeken waarvan ik zeker weet dat ik het vertelde verhaal wil vergeten.

Wat ik fijn vind aan herlezen is dat je een verhaal bij een twee lezing anders ervaart. De ene keer ben je niet dezelfde als de andere en andersom. Je stemming kan een flinke invloed hebben op hoe je het verhaal ervaart en levenservaring kan je blik op en de waardering voor een verhaal doen veranderen. Waar ik vroeger Wolkers met plezier las en Hermans liever terzijde legde, daar is het nu precies andersom. Dát ervaren én onderkennen vind ik prachtig.

In het onderwijs is herlezen een hedendaagse mode. Dan heb ik het niet over leerling Y., die al vanaf groep 4 alleen maar in de avonturenwereld van Brammetje Botermans rondtolt, maar over groepen van leerlingen die soms wel drie keer in korte tijd door een tekst heen gaan. Zulke exercities worden Close Reading of Verdiepend Lezen genoemd. Het is fijn en leerzaam om met leerlingen meerdere malen een tekst te lezen. In korte tijd weten ze aardig grip te krijgen op wat er in een tekst gebeurt. Ze gaan verbanden zien en komen, uiteindelijk, met een weloverwogen oordeel over de tekst. Fascinerend in dit verband is het feit dat ook relatief onervaren lezers ver in een tekst kunnen afdalen als je ze maar stap voor stap meeneemt in de gedachtenwereld van de schrijver.

Close Reading heeft wel een nadeel en dat is dat je een tekst in relatief korte tijd meerdere malen leest. Ik heb enkele verhalen tien keer of meer gelezen, maar dan wel verdeeld over een periode van dertig jaar. Neem nu Postkantoor van Charles Bukowski. Dat verhaal las ik voor het eerst toen ik 15 jaar oud was. Ik ben nu 54 en heb het onlangs weer gelezen. In de afgelopen 37 jaar heb ik het boek minstens 15 keer gelezen. The Great Gatsby lees ik eenmaal per jaar en dat geldt ook voor een aantal romans en verhalen van John Cheever. Deze boeken en verhalen vervelen me eigenlijk nooit. En omdat het geheugen feilbaar is, is herlezen veel meer dan een wandeling door een bekend landschap.

Laatst las ik met leerlingen uit groep 1 en 2 het prentenboek De jongen die altijd te laat kwam van John Burningham. Ik las met deze leerlingen acht weken lang elke week een verhaal waarin een van de hoofdpersonen leugenachtig doet en had als slot van die serie dit verhaal gekozen. De hoofdpersoon, Bastiaan Boezeman, komt in het verhaal driemaal te laat op school en driemaal komt dit door een situatie die je gerust ongeloofwaardig kunt noemen. Hij wordt achternagezeten door een krokodil, in zijn broek gebeten door een leeuw en haast weggespoeld door een reusachtige golf. Zijn leraar gelooft hem niet en geeft hem fikse straffen . Het leuke aan het verhaal is dat het aan het einde een draai krijgt. De meester overkomt iets soortgelijks als Bastiaan. En dan is het Bastiaans beurt om de geloofwaardigheid van de meester ter discussie te stellen.

thumbnail_IMG_6857

Met de leerlingen van groep 1/2 beleef je zo’n verhaal intenser dan met oudere leerlingen. Het spelen van de boze meester is op mijn lijf geschreven. Ze krompen ineen toen ik stampvoetend voorlas hoeveel strafregels de kleine Bastiaan moest schrijven. Voor veel van deze leerlingen is het verhaal geloofwaardig. Ze leven zeer mee met Bastiaan. Hoewel ze zelf nog nooit een krokodil zijn tegengekomen op weg naar school, denken ze toch echt dat die krokodil uit een put tevoorschijn komt. De leerlingen genieten van het verhaal en leven mee met Bastiaan, maar hen ontgaat de diepere lagen van het boek.

Daarom is het goed om dit boek in het verloop van de basisschool nog een aantal malen terug te laten komen. Misschien denken we als leraren wel te veel en te vaak dat prentenboeken bij de onderbouw horen en dat is jammer. In dit geval zou je kunnen zeggen dat Burningham meerdere lagen in het verhaal heeft gestopt. Wat te denken van het feit dat je aan de landschappen waar Bastiaan doorheen loopt op weg naar school, ziet dat hij de seizoenen volgt? De krokodil ontmoet hij in het voorjaar, de leeuw in de zomer en de vloedgolf overspoelt hem in het najaar. De aap grijpt de meester als we in de winterperiode zijn aanbelang. Er is, met andere woorden, een jaar voorbij en het onheil treft Bastiaan niet meer, maar de boze meester.

Zouden leerlingen in bijvoorbeeld groep 6 kunnen bedenken waar die dieren en die vloedgolf voor staan? Zij zullen toch wel begrijpen dat de kans uitermate klein is dat Bastiaan op zijn tocht naar school een leeuw tegenkomt en dat de kans dat hij zo’n ontmoeting zou overleven vrijwel nihil is? Toen ik het verhaal voor de tweede keer las, moest ik denken aan een van mijn favoriete kinderboeken, De Skeletmachine van Gunilla Boëthius. Dat is een subtiele jeugdroman waarin de hoofdpersoon Johan zowel dader als slachtoffer is van pesterijen. Zou het verhaal van Bastiaan niet over pesten gaan, bedacht ik me.

Veel prentenboeken zijn gecompliceerder van opzet dan we in eerste instantie denken. Het loont om ze te herlezen. Je kunt dat herlezen uitspreiden over meerdere jaren. Je hebt acht jaar de tijd met je leerlingen, dus haast is niet altijd geboden. Als je zo’n verhaal laat terugkomen in hun schoolloopbaan, dan kun je ook mooi zien hoe het zit met hun grip op een verhaal en de verhaalstructuur. Ik zat laatst achterin in groep 1/2 te luisteren naar een gesprek over het sprookje waarin de sluwe Anansi Tijger berijdt. De sluwheid van Anansi, die je mooi kunt vergelijken met die van Reinaert de Vos, neemt in de loop van het verhaal steeds groteskere vormen aan. Ook nu weer konden de leerlingen het verhaal goed volgen en navertellen, maar de nuance – en dat is niet zo vreemd natuurlijk – ontging ze. Die kun je in hogere groepen nog eens over het voetlicht brengen, want het is zonde om de doortraptheid van Anansi links te laten liggen.

Als de leerlingen in de loop van acht jaar kennis opdoen van verhaalstructuren en ‘trucs’ die schrijvers gebruiken, past herlezen van verhalen uit de lagere groepen heel goed. Leerlingen kunnen dan met een beetje hulp van de leraar ontdekken welke lagen er in deze verhalen zitten. Herlezen loont dus en laat leerlingen nogmaals, maar op een ander niveau, genieten van de verhalen die hen eerder hebben betoverd. Stel je eens voor dat jouw leerlingen de sluwheid van Reinaert en Anansi op waarde weten te schatten. Je kunt ze dan meenemen in de verhalen van iemand als Roald Dahl, waar de menselijke sluwheid hoogtij viert. Zo help je ze verder in de literaire wereld door eerst terug te grijpen op de bekende verhalen.

Lezen is een activiteit waar je tijd voor moet nemen. Herlezen vraagt om nog meer tijd. Maar je zult merken dat die tijd waardevol is.

Probeer het maar eens.

Week 14: Een week dicht

Als Sinterklaas goed en wel het land uit is, sluit een fiks aantal Amsterdamse scholen een week lang de deuren. Het gaat om basisscholen in de Westelijke Tuinsteden van Amsterdam. Amsterdammers hebben het eigenlijk nooit over de Tuinsteden. Zij noemen dit gedeelte van Amsterdam Nieuw-West. De put die ontstond door de zandwinning voor het bouwen van de diverse wijken aldaar heet de Sloterplas. In de omgeving van die waterbak kun je een aantal van de scholen vinden die tussen Sinterklaas en Kerst een week lang hun deuren sluiten.

De leraren hebben in de week dat hun leerlingen elders zijn wellicht tijd om een fijne roman te lezen die speelt in die buurt waar ze werken. Het betreft Schuld van Walter van de Berg. In dit boek wandel je door de straten van de wijken rond de Sloterplas. Ook neemt Van den Berg je mee de huizen in, waar mensen leven die je moderne uitvreters zou kunnen noemen; mensen die in de criminaliteit terechtkomen omdat het hen aan kansen en mogelijkheden ontbreekt.

De vraag is evenwel of de leraren daar die week de tijd voor krijgen. De leerlingen zijn vrij; zij niet. Kijk, die leraren maken deel uit van een bestuur dat wordt geleid door mevrouw Joke Middelbeek. Zij vertelde in de Volkskrant wat de leraren de leerlingloze week gaan doen:

“De lerarenteams van de zestien Amsterdamse scholen gaan de vrijgekomen tijd overigens nuttig besteden: ze willen nadenken hoe ze de onderwijskwaliteit op peil kunnen houden. ‘Normaal lukt dat niet’, zegt Middelbeek, ‘want dan staat iedereen hier in de overlevingsstand.’

In dagblad Trouw omschreef Middelbeek de invulling van de week als volgt:

“Het onderwijs zit in een kramp. We moeten uit de overleefstand en terug naar de eigenlijke taak: leraar zijn. Adequate dingen doen voor de kinderen voor wie je verantwoordelijk voor bent. Met de leerkrachten gaan we in die week bij elkaar zitten en creatief nadenken. Bijvoorbeeld over de vraag: welke taken kunnen we overdragen? We gaan kijken naar het voortgezet onderwijs en meer vakdocenten inhuren, zoals dansers, sporters en technici. Met één roostermaker per vier scholen onderzoeken we hoe we dat in gaan vullen.”

Ik begrijp gerust de nood die het bestuur voelt. Het onderwijs is in een situatie beland alwaar een lange lijst van spreekwoorden en gezegden op van toepassing is. Het water staat ons om vijf voor twaalf aan de lippen en hierdoor maakt de kat haar rare sprongen, zullen we maar zeggen. Een week lang al je scholen sluiten is zo’n rare sprong. Een sprong waar andere bestuurders en schoolleiders overigens instemmend naar staan te kijken. Middelbeek betreedt een terra incognita en baant zo de weg voor hen die willen volgen. Ze marcheert ver voor de troepen uit en vergeleken bij de stap die zij heeft genomen is het huiswaarts sturen van een groep leerlingen of een klas verdelen een milde maatregel. Je zou kunnen zeggen dat deze maatregel van Middelbeek de keuzevrijheid van andere bestuurders en schoolleiders vergroot. De maatregel van Middelbeek is niet in bloed geschreven, maar draconisch is-ie wel. Het zal verleidelijk zijn om in het geval van meerdere dagen wegsturen of opdelen van leerlingen te verwijzen naar de scholen rond de Sloterplas en opmerken dat met die scholen vergeleken deze oplossing uiterst mild is.

Maar goed, de leerlingen blijven thuis en de leraren gaan naar school. Daar gaan ze ‘creatief nadenken’ over de problemen waarmee het bestuur en de scholen worden geconfronteerd. Dat vind ik een lastig idee. Ik ben leraar en je kunt me veel in de schoenen schuiven, maar niet dat ik mede-verantwoordelijk ben voor de diepe crisis in de publieke sector. Ik word er dagelijks mee geconfronteerd, dat klopt. En dagelijks probeer ik er het beste van te maken, maar ik heb niet de pretentie dat ik iets kan bijdragen aan de oplossing van een probleem dat zich als een woekerend kwaad diep in de wortels van onze samenleving heeft genesteld. Ik ben een vakman, geen fixer.

Leraren moeten vermijden dat ze mede-eigenaar worden van het probleem, vind ik. In dit geval geef ik de keizer graag wat des keizers is. Ik zou verwachten dat het bestuur de taak oppakt waar het voor staat. Ik zou, mocht ik werknemer van Middelbeeks bestuur zijn, dan ook weigeren mee te denken. Ik zou de kerstboom – het is immers openbaar onderwijs – opzetten en daarna een goed boek gaan lezen. Om creatief te kunnen denken heb ik veel kennis van de materie nodig. En die heb ik niet.

Nou goed, een advies zou ik, mocht ik Sloterplasleraar zijn, wel willen geven. Dat advies heeft te maken met het feit dat de ‘weeksluiting’ is aangekondigd door een bestuur voor openbaar onderwijs. Het bestuur zou kunnen aankondigen om alle scholen in het bestuur op te heffen. Dat is echter niet zomaar toegestaan, maar er ontstaat door zo’n besluit wel een interessante situatie:

Een stichting openbaar onderwijs kan een openbare school namelijk niet vrijwillig opheffen zonder dat de gemeente eerst de mogelijkheid is geboden zelf de school over te nemen en in stand te houden. Hiermee kan de gemeente, indien zij daartoe vanuit haar taak om zorg te dragen voor voldoende en kwalitatief goed openbaar onderwijs aanleiding ziet, invulling geven aan haar grondwettelijke zorg- plicht en zelfs daartoe weer als schoolbestuur fungeren

(Bron)

Als het openbaar onderwijs in Amsterdam weer bij de gemeente terecht zou komen – wat een geweldige tijd was dat voor een leraar, zeg ik uit ervaring – dan kan de wethouder die nu zo machteloos staat (Hoe onmachtig klinkt het schriel ‘te wapen’, dichtte J.C. Bloem eens) gericht beleid voeren. Laat haar dat terra incognita eens betreden en zien of haar beleid dan effect heeft. Mocht het haar lukken het lerarentekort aan te pakken op die scholen, dan zullen andere besturen vast en zeker volgen.

Week 13: Werken in deeltijd

Een kijkje over de grens

Als je de grens oversteekt naar Vlaanderen, dan lijkt op het eerste gezicht de peroneelsbezetting in het basisonderwijs geheel anders dan die bij ons in Nederland. Sterker nog, ze lijken tegengesteld. Bij ons werkt 30% van de leraren voltijds, terwijl in Vlaanderen 30% in deeltijd werkt. Het lijkt er daarmee op, dat het Vlaamse onderwijs een enorm pluspunt heeft ten opzichte van ons onderwijs. Als meer leraren voltijds werken, dan zijn er ook meer mogelijkheden om samen onderwijs te maken, lessen voor te bereiden of in gesprek te gaan over het vak en vakmanschap.

Maar schijn bedriegt.

In Vlaanderen bestaat de constructie dat je bij een volledige aanstelling 27 klokuren op school moet zijn. Ze noemen dit de schoolopdracht. Van die 27 klokuren geeft de leraar zo’n 24 uur les. Er blijft dan nog een uur of drie over die de leraar voor en na de lessen op school dient te zijn. Veel leraren lopen een goede twintig minuten na de laatste bel de school uit en gaan naar huis om daar de taken op te nemen die veel deeltijdleraren in Nederland uitvoeren op de dagen dat ze niet op school zijn.

Vlaamse vakbondsmensen vertelden me dat vrouwelijke leraren interessante partners zijn voor mannen die carrière willen maken. Sociologisch onderzoek had dit inzichtelijk gemaakt. Het zat, aldus deze bevlogen bestuurders en kaderleden, in veel gevallen zo: De lerares neemt haar kinderen mee naar school, geeft les, neemt ze weer mee om ze na schooltijd te begeleiden richting sport- en muziekclubs. De lesvoorbereiding voor de volgende dag vindt meestentijds in de avonduren plaats. Als de leraar nog energie heeft.

Uit gesprekken met leraren, zorgcoördinatoren, schoolleiders en kaderleden van de vakbond kwam het beeld naar voren dat het moeilijk is om in gezamenlijkheid je onderwijs te organiseren en te plannen. Iets wat in Nederland, door de hoge mate van deeltijdwerk onder leraren, evenzeer moeilijk te organiseren valt.

Vaker en langer op school

In het onderwijs bestaat een aantal onderwerpen waarover maar moeilijk zonder emotie gesproken kan worden. Deeltijdwerk is er een van. Als een minister of een econoom zakelijk voorrekent dat bij een gemiddelde verhoging van de werktijd met ruim 30 minuten het lerarentekort teniet is gedaan, breekt het rumoer los. De droge en feitelijke constatering dat we met de huidige leraren een probleem kunnen oplossen, wordt in de emotionele reacties uit het oog verloren. Als je met enige afstand naar de situatie kijkt, zouden we onszelf ook de vraag kunnen stellen hoe we een verhoging van de werktijdfactor kunnen realiseren en hoe we ervoor kunnen zorgen dat leraren vaker op school zijn.

Immers, als je een school ziet als een gemeenschap waar leraren bijeen komen om goed werk te leveren en dat ze dit werk plannen en organiseren vanuit gezamenlijkheid, dan is de gedachte dat de leraren veel en vaak aanwezig zijn belangrijk. Het Vlaamse onderwijs laat zien dat wanneer leraren kort na schooltijd het gebouw verlaten er van gezamenlijkheid weinig sprake is. Leraren zitten thuis aan hun lessen te werken en komen soms ’s avonds naar school voor een vergadering.

Dit geldt voor Nederland ook. Leraren die maar twee dagen per week op school zijn, zijn moeilijker te betrekken bij de visie en ontwikkeling van de school dan leraren die een gehele week aanwezig zijn. Dat is geen aardige of prettige constatering, maar de werkelijkheid kent zo z’n rauwe kanten.

Wat kom je doen?

Een vraag die wij weleens aan een deeltijdleraar hebben gesteld is hoe zij haar bijdrage aan de ontwikkeling van de school, de verbetering van het onderwijs en haar eigen ontwikkeling voor zich zag. Na deze vraag viel het gesprek stil en eindigde enige weken later het dienstverband.

Het beroep van leraar is een ambacht. We zijn kenniswerkers en moeten in onze organisatie nadenken over de beste organisatievorm en werkwijze om de kennis die we hebben over te brengen aan onze leerlingen. Binnen die opvatting is het van belang dat je met en van elkaar leert en dat lukt, ik zeg het nogmaals, moeilijk als de school na afloop van de lesdag leeg is of als een deel van het team er niet is.

Ons idee over vakmanschap en samenwerken is voor een deel gestoeld op het werk van de Amerikaanse socioloog Richard Sennet. Die staat voor dat dit vakmanschap en dit samenwerken van onderop worden georganiseerd. Dat samenwerken een uiterst complexe en ambigue activiteit is maakt hij in zijn boek Together. Dat proces komt echter niet van de grond als we er om wat voor reden dan ook niet zijn. Deeltijdwerken is een rem op schoolontwikkeling en de ontwikkeling van het ambacht. Ericsson schreef behartenswaardige woorden over het ontwikkelen van vaardigheden met behulp van een coach die jou hoogwaardige feedback kan geven. En die vaardigheden ontwikkel je door ze veel te oefenen. En wie er vaak is, oefent deze vaardigheden vaker. En wie in overleg kan gaan met anderen om na te denken over de vraag hoe die ontwikkeling eruit zou moeten zien, zal doelgerichter oefenen.

Alles pleit ervoor dat leraren meer werken dan wel vaker op school aanwezig zijn. Deeltijdwerken mag voor een individu aantrekkelijk lijken of zijn; voor een schoolorganisatie waar het ontwikkelen van het vakmanschap een cruciale rol speelt, is het een rem op de ontwikkeling.

 

 

 

 

 

Week 12: De juf is ziek

Opgedeeld of weggestuurd 

Vanmorgen bleef de klas leeg. De juf was gistermiddag ziek naar huis gegaan en we hadden de ouders laten weten dat er vandaag geen vervanger beschikbaar was. De leerlingen van groep 7 hadden vandaag vrij.

Ik wandelde deze week door de gangen van een andere basisschool en daar zaten leerlingen van groep 8 aan een overlevingspakket te werken. Je weet wel, zo’n eindeloze stapel kopieerbladen die aan het eind van de dag door een langslopende leraar of conciërge bijeen worden geveegd en in de papierbak verdwijnen. We weten wel hoe we die gasten moeten bezighouden hè? Maar dat weten die leerlingen ondertussen ook wel, dus die breken als ze ook maar even de ruimte krijgen de tent af.

En gelijk hebben ze.

Wij verdelen de leerlingen steeds minder vaak. We sturen ze weg. Er zijn plekken in Nederland waar nog reserveleraren zijn, maar in de hoofdstad van dit land van mest en mist niet. Ziek is ziek en we voelen er weinig voor om leraren die nog wel staande zijn extra te belasten met een plukje leerlingen uit een andere groep. Of ouders er begrip voor hebben, is me niet duidelijk. Laat ik het zo zeggen: Ik heb ze nog niet horen morren.

Kijk, dat we in de grote steden afstevenen op een vierdaagse schoolweek omdat er niet genoeg leraren zijn om de lessen te verzorgen lijkt me evident. We zullen trendsetter zijn voor de rest van het land, want leraar zijn is nu niet een beroep waar veel mensen gemakkelijk en snel voor kiezen.

En gelijk hebben ze.

Prima dag

Voor leerlingen is zo’n vrije dag fantastisch. Ik spijbelde als leerling in het vo regelmatig en moest dan de aandrang bedwingen om niet langs school te lopen en te zwaaien naar mijn klasgenoten die kromgebogen over hun wiskundeboek hun kansen berekenden. Ik vond de middelbare school een verzoeking en vertoefde liever buiten dan binnen de school. Soms fietste of wandelde ik dan over het eiland waar ik ben opgegroeid, maar minstens zo vaak zat ik met mijn neus in een boek dat me wel interessante levenslessen bood. Je begrijpt wel dat Holden Caulfield een van mijn helden was.

De pisang

Je bent als leerling de pisang als je op zo’n extra vrije dag toch naar school moet. We kondigen het altijd keurig aan in het bericht dat we aan de ouders sturen: Als uw kind toch naar school moet komen, dan vangen wij hem of haar op.

Vanmorgen liep ik groep 7 binnen om de leerlingen die toch naar school zouden komen op te vangen. Het was er uiteindelijk een; een jongen die rustig in zijn bankje was gekropen en zat te lezen in het nieuwste boek van Alan Gratz, D-Day. Ik had hem dat vorige week gegeven en nu was hij aangeland bij de passage waarin de kogels om je heen inslaan op het strand dat op die dag Omaha Beach heette. Ik pakte zijn overlevingspakket en bracht hem naar een andere groep. Daar zat hij de rest van de dag tussen jongere leerlingen; deels onzichtbaar, maar toch ook opgelaten. Elke vraag die de juf aan de klas stelde – groep 5 – wist hij wel te beantwoorden en toch hield hij zijn mond. Zijn werk had hij vlot af, waarna ik op zoek ging naar aanvullend werk.

De juf weifelt

Wat het ernstig tekort aan leraren bewerkstelligt, is dat leraren zich bijna niet ziek melden. Ze gaan door tot voorbij de grenzen van wat het lichaam aankan. Het is de meest eenvoudige manier om betrokkenheid van leraren bij hun leerlingen, collega’s en school te zien. Zoals de leraar van groep 7 zei: “Ik ga snel naar huis, dan kruip ik onder de wol en morgen gaat het dan wel weer.”

Als een leerling een dagje ziek is, dan fronsen wij. We gunnen deze leerlingen een dag op de bank en voor de tv, daar niet van. Maar als je echt ziekt bent, dan trekt die ziekte niet als een haastige gast langs je huis en door je lijf.

Dat merkte mijn collega in groep 7 ook. Ze gaf aan zieker te zijn dan ze hoopte. Ik was daar blij om. Want stel je voor dat ze de volgende dag weer gewoon in de klas zou staan en zichzelf aan flarden zou werken omdat er niemand meer is die haar klas kan overnemen. Dan zouden we met z’n allen verder van huis zijn.

De leraren bibberen

Als de juf ziek is, is de juf ziek. We kunnen dat als school maar beter niet wegpoetsen of maskeren. Als de juf ziek is, dan bibberen de overige collega’s, die de leerlingen moeten opvangen. Hun klassen worden voller, hun ritmes raken onderbroken. Vandaar ook dat een onvervangbare zieke leraar leidt tot het naar huis sturen van de leerlingen. Als we dat niet doen, wordt de uitval alleen maar groter. Dat lijkt voor de leerlingen leuk, maar als je twee dagen thuis bent geweest, dan wil je graag weer naar school. Je mist de sleur van zo’n schooldag sneller dan jezelf in de gaten hebt.

 

 

 

 

 

 

Week 11: Uitgeput

Terugkijken

Het valt me op, dat ik in mijn blogberichten over een jaar onderwijs vaak terugkijk naar het begin van mijn carrière. Ik bekijk dan hoe het toen was geregeld in het onderwijs. Dat is deze keer niet anders. Als ik mijn blogberichten op een rij zet, dan lijkt het er op dat ik de balans van een kwart eeuw lesgeven opmaak en dat alle stukjes tezamen de aankondiging vormen van iets wat ik nu nog niet helder voor ogen heb.

We zullen zien.

Maar terug naar ruim 25 jaar geleden, toen ik als stagiair op diverse basisscholen in Alkmaar en omstreken meedraaide in het schoolteam. Ik werd uitgenodigd om teamvergaderingen mee te maken en ervoer hoe zelfbewust en ook reactionair de leraren in die tijd waren. Menigmaal heb ik meegemaakt dat een directeur door enkele leraren van het team werd teruggefloten en kreeg medegedeeld dat bepaalde voorstellen niet zouden worden uitgevoerd.

Het was een interessante periode. Er viel nogal wat van deze leraren, in overgrote meerderheid mannen overigens, te leren. Laat ik het zo zeggen. Er stonden leraren voor de klas die van wanten wisten, die kennis van zaken hadden en die zich niet iets lieten zeggen door mensen die niet voor de klas stonden.

Kom daar maar eens om tegenwoordig.

Een vol dienblad

Want ik heb, als ik met leraren spreek en andere scholen bezoek, sterk het idee dat leraren maar mondjesmaat ingaan tegen wat een bestuur of schoolleiding voorstelt. Er wordt wel gemopperd, er wordt ook veel geklaagd, maar de meeste dingen blijven zoals ze zijn. Als ik weleens een team kom begeleiden of voor een zaal vol leraren sta, dan kun je de weerzin tegen weer een scholing of verplichte bijeenkomst haast voelen. Praat je met schoolleiders, dan bruist het van de energie; zit je om de tafel met leraren dan kijk je voor de zekerheid toch even waar de AED hangt.

Kijk, ik ben het met leraren eens. De werkdruk is hoog. Leraren doen te veel in te weinig tijd. Als ik terugdenk aan mijn eerste jaren voor de klas, dan valt me op dat er minder lessen werden gegeven, terwijl de leerlingen wel net zo lang naar school gingen als nu. Het lesprogramma was overzichtelijker en minder ambitieus. Er was in die tijd een prettige balans tussen wat moest worden aangeboden en de tijd die je ervoor had. Die balans stond toen al onder druk, maar die leraren die ik hierboven noemde, beschermden die balans met verve en vol vuur.

Want stel je eens voor, dat jouw school besluit om een methode voor sociaal-emotionele ontwikkeling in te voeren; een methode als De Vreedzame School of Leefstijl. Die methode vraagt een tijdsinvestering van een of meer uren per week. Die uren moeten ergens vandaan komen. Je krijgt er van de schoolleiding of het bestuur niet de uren bij. Als je dus, met andere woorden, niet iets uit het curriculum haalt als je er iets aan toevoegt, dan neemt de druk op de leraar toe en neemt de kwaliteit af. Je moet namelijk onderwerpen en lessen afraffelen om ervoor te zorgen dat je alles hebt gedaan wat door je school verplicht is. En als je half werk levert, dan zullen de resultaten navenant zijn.

Een verstandig team van leraren vraagt aan een bestuur of aan de schoolleiding wat er uit het curriculum gaat als er iets bij komt. Als er niets af kan, dan kan er ook niets bij. Dat moet de stelregel zijn. Handhaaf je deze regel niet, dan loop je zo de valkuil van de werkdruk in.

Maar er is meer.

Kennis van zaken

Je hoeft als school namelijk helemaal geen methode voor sociaal-emotionele ontwikkeling te hebben. Je kunt aan de wettelijke eisen voldoen door voor een andere aanpak te kiezen. Daar is wel kennis van zaken voor nodig. En laten we eerlijk zijn: veel leraren hebben die niet. Die denken dat zo’n methode verplicht is, of dat je – een ander voorbeeld – met groepsplannen moet werken, ook zo’n werkdruk verhogende methodiek. Dat hoeft allemaal niet, als je maar kunt aantonen dat je de leerlingen op je school goed volgt en interventies pleegt die gebaseerd zijn op data en (daar is-ie weer) kennis van zaken.

Als basisschool hoef je helemaal niet zo veel. Maar veel scholen maken er zaak vaak om bovenop de wettelijk verplichte bouwstenen en ambities een pakket aan lessen, methodes en methodieken in te voeren en aan te bieden die in de tijd die daarvoor bestemd is helemaal niet kunnen worden aangeboden. Je zou eens moeten onderzoeken in hoeverre het aanbod van je school afwijkt van de wettelijke vereisten. Als je daar zicht op hebt, dan heb je daar een bron van de werkdruk te pakken. En die bron kun je aanpakken.

Want, prachtig hoor, al die brandende ambities van besturen en schoolleiders, maar als zij ze zo belangrijk vinden, dan voeren ze die toch zelf uit? Wij hebben er geen tijd voor.

Je begrijpt dat deze twee zinnen een vrijwel letterlijk citaat zijn van wat ik 25 jaar geleden hoorde. Je mag ze best gebruiken als iemand met een idee komt dat niet hoeft, een idee ook dat geen toegevoegde waarde heeft en jou de stuipen op het lijf jaagt omdat het de werkdruk verhoogt.

Weg met de cao

Nu helpt de cao ook niet echt. Dat moet gezegd. Uit dat boekje zou je de gehele passage over taakbeleid moeten scheuren en verbranden. Want ook dat is veranderd in de kwart eeuw dat ik lesgeef. Tegenwoordig wordt tot achter de komma berekend of jij je ‘uren’ wel maakt. Naast je lesgevende taken en de na- en voorbereiding moet je, als een medewerker van een productiebedrijf, ergens mee bezig zijn. Vandaar al die commissies, werkgroepen en vergaderingen. Ook die lekken tijd, energie en gaan ten koste van je humeur. En ze voegen weinig toe aan de kwaliteit voor hetgeen waarvoor je zo graag gezien wordt, namelijk goed lesgeven.

Ik weet nog hoe op een basisschool in Alkmaar een leraar van groep 7 in de lerarenkamer zat te wachten tot hij naar huis mocht. Het was in de tijd dat de besturen werden verzelfstandigd en dat de lui aan het hoofd van deze besturen bedachten dat je op bepaalde tijden op school moest zijn. De leraar had zijn werk af, wilde een ommetje maken om over mooi onderwijs na te denken, maar mocht het pand niet verlaten. Hij zat daar maar, met een donkere wolk om zijn hoofd.

Als iets uitputtend is, dan is het wel te moeten aanschuiven bij bijeenkomsten waarvan je het belang niet inziet. En nogmaals. Vijfentwintig jaar geleden nam ik niet deel aan werkgroepen of commissies. Ik werkte in Zaandam en fietste heen en weer tussen mijn huis in Alkmaar en de school, die in het centrum van de stad staat. Het was een fietstocht van ruim een uur, dwars door de industriegebieden van de Zaanstreek en de rust en kalmte van de Schermer. Ik was vrijwel altijd om half zes thuis.

Nu mag de leraar blij zijn als zij om half zes naar huis kan. Ze komt thuis, is uitgeput en heeft tijd noch zin om na te denken over wat moet en mag in het onderwijs. Je begrijpt wel wie bij zo’n model garen spint. Dit doorbreek je alleen als je begint met nadenken en uitzoeken en begint met het stellen van vragen aan de mensen die jou zien als een productiemedewerker in plaats van een vakman.

Een verwenteld schaap

In de tijd dat ik nog op Texel woonde en over het eiland rondrende alsof ik gedragen werd door de wind, heb ik menig schaap dat op haar rug lag rechtop gezet. Dat hoorde bij de opvoeding, zullen we maar zeggen. Als kind kreeg je ingeprent dat wanneer je een schaap dat met de poten omhoog lag zou laten liggen het dier een gewisse dood tegemoet ging. Dus sprong ik over slootjes, trotseerde ik schrik- en prikkeldraad om een verwenteld schaap er weer bovenop te helpen.

Welnu, als ik aan de leraar denk, dan denk ik aan een verwenteld schaap in een weiland van het Büttikofers Mieland.

Of andersom. Dat kan ook.

Enfin.

Er valt veel te zeggen over het beroep van leraar. Over de zwaarte bijvoorbeeld. Of over de waardering. Of over het feit dat er zo weinig mensen zijn die het vak van leraar kiezen. De maatschappelijke stormwind beukt al enige jaren tegen de leraren aan.

En soms vallen de leraren om.

En daar liggen ze dan. Met grote ogen kijkend en wachtend tot iemand ze weer overeind helpt. Want zelf kunnen ze dat niet. Of: niet meer.

Ik luister weleens naar leraren als ze op radio of televisie uitleggen wat er mis is met het beroep. Het zijn eloquente vertellers. Vaak zijn het dezelfde vertellers, dat wel, maar hun woorden klinken mooi en duidelijk. Ik hoor het allemaal graag aan. Deze leraren geven een heldere analyse van wat er mis is in het onderwijs en wat er anders zou moeten. En met hun woorden wijzen ze de partijen en instanties aan die naast de verantwoordelijkheid voor de ellende ook de taak hebben om het probleem aan te pakken. Bonden, besturen en politiek worden aangesproken.

De leraar zelf blijft meestal buiten schot.

De stormwind die het onderwijs nu teistert, werd in 2007 al voorspeld. Het rapport LeerKracht! van de commissie-Rinnooy Kan staat vooral bekend om de vlammende openingszin: “Nederland staat aan de vooravond van een dramatisch kwantitatief tekort aan kwalitatief goede leraren.”

In het debat over het onderwijs hebben we de begrippen kwantitatief en kwalitatief gescheiden. Leraren hebben het kritisch kijken naar zichzelf gelaten voor wat het is. Alle initiatieven daartoe zijn gestrand of gesaboteerd. Een groot deel van de beroepsgroep staat in zijn ontwikkeling stil.

En ook dat is de schuld van anderen.

Leraren kregen een klap geld tegen de werkdruk. Ik heb dat altijd ironisch gevonden, omdat leraren hun eigen werkdruk organiseren. Ze zijn er kampioen in. Ze weten niet wat moet en mag en doen daardoor allerlei dingen die niet hoeven, maar waarvan ze zelf denken dat deze moeten. Feitelijk weten die leraren niets van de opdracht die ze hebben. Of, anders gezegd: wat hun vak omvat.

Wat me verder opvalt, vandaar de vergelijking met het verwentelde schaap, is de hulpeloze en afwachtende houding van leraren binnen hun eigen organisatie. Leraren weten wat ze nodig hebben om goed onderwijs te geven (veel voorbereidings- en ontwikkeltijd bijvoorbeeld) maar wachten af tot anderen dat voor hen regelen.

Ik begrijp niet dat leraren wachten en verwachten dat op landelijk niveau iets wordt geregeld dat ze met wat inzet en doorzettingsvermogen in hun eigen school voor elkaar kunnen krijgen. Ze vormen bovenschools een collectief, maar vergeten dat in hun eigen school te doen.

Het lerarentekort is ernstig, zeer ernstig zelfs. Het salaris kan beter. Zeker het salaris van een leraar in het po heeft een injectie nodig. Ook moeten scholen en besturen meer werk maken van loondifferentiatie. Al die leraren die in L10 blijven hangen is weinig motiverend als je een aardig potje kunt lesgeven.

Maar dat zijn allemaal zaken die slechts beperkt van invloed zijn op de kwaliteit, dat heikele punt dat we maar steeds laten voor wat het is. Een betere leraar worden vraagt tijd, veel tijd. Lees Anders Ericsson er maar op na (Piek!). Die tijd en de bijbehorende begeleiding moet jij als leraar (en als team van leraren) eisen en organiseren. Lesgeven, lessen evalueren, verbeteren en voorbereiden vormen samen de kern van je vak. De rest is voor het grootste deel ketelmuziek. En laten we eerlijk zijn: de huidige onderwijsproblematiek biedt kansen om die ruimte te eisen. Niemand wil je kwijt. En daar moet je gebruik van maken. Dus pak die ruimte.

Want vrienden, de volgende storm wint al aan kracht. Op 3 december 2019 komt Pisa met een onderwijsranglijst van 80 landen die met elkaar zijn vergeleken op het gebied van lezen, rekenen en natuur en techniek. Ik voorspel twee dingen. De eerste voorspelling is dat Nederland, zeker als het om rekenen gaat, terugzakt (we staan nu op 11) naar de grijze middenmoot. De tweede voorspelling is dat dit op het conto van de leraar zal worden geschreven.

Ben je klaar voor die storm? Overleef je die? Of lig je op 4 december verwenteld achter je bureau?