Zelf aangewezen piskijkers

In Nederland kan alles. Je kunt van wensdenken een wetenschappelijke discipline maken. Die discipline noem je transitiekunde. Je zet Jan Rotmans aan het hoofd, je pookt lui als Dölle en Boonstra op om nonsens te debiteren en je hebt ze hoor, die veranderingszeloten die het ‘systeem’ willen slopen. Die roepen de gloria uit als ze Dölle of Boonstra horen raaskallen. Deze zeloten hebben zelf anderhalve dag voor de klas gestaan, bakten er weinig van en dachten toen al dat er iets niet klopte. Het ‘systeem’ spuugde hen uit. Tijd om terug te tuffen.

Neem nou eens dat linkedinstukkie van Dölle. Het lerarentekort legt de makken van het ‘systeem’ bloot en als we dat ‘systeem’ veranderen dan komt het wel weer goed. Bovendien kijkt dat ‘systeem’ op een verkeerde manier naar vakmanschap. Bevoegd is niet perse bekwaam. En andersom.

En de zeloten maar klappen.

Waarvoor eigenlijk? Nou, voor neo-marxisme in optima forma. “Ik voorspel dat het ‘systeem’ z’n langste tijd heeft gehad. En weet je wat, ik sloop het persoonlijk als het niet gaat zoals voorspeld.”

Boonstra als Lenin en de leraar de koelak.

Even een analogie. Stel je eens voor dat de oncologen op zijn. God verhoede, maar wie weet wat er ons in de volgende ‘systeemcrisis’ te wachten staat. Zouden Dölle cum suis dan ook iets roepen over bevoegd en bekwaam en opmerken dat de kennis over  bestrijding van kanker buiten het ‘systeem’ te vinden is? Zou u het, met andere woorden, dan een probleem vinden als Jomanda de diagnose stelt, de behandeling voorschrijft en het proces monitort?

Over het onderwijs kan en mag iedereen zeggen wat-ie wil. Want hé, iedereen heeft er verstand van. Iedereen heeft lange tijd in de bankjes gezeten en toen een grondige analyse gemaakt van het onderwijssysteem. Je organiseert vervolgens een Hackathon, je schrijft een boekje, je leest leraren de les en je bent plots de held van het moment. Ik vind dat prachtig. Ik volg met interesse de opvattingen van al deze verandergoeroes, deze zelf aangewezen piskijkers van het onderwijs. Ik zou ze het liefst stevig omarmen, even fijnknijpen en met bewonderende blik willen vragen of ze mij een eenvoudig antwoord kunnen geven op een even eenvoudige vraag.

Want kom op vrienden, voor de klas staan en/of een school leiden is geen sinecure. Of je het ‘systeem’ stuk slaat of niet, er is altijd een organisatievorm nodig die tijd, energie en aandacht vraagt. En vakmanschap. Iemand zal de leiding moeten nemen. En juist omdat Boonstra, Dölle en de bagagedragerrijders die verandering voorstaan, het ‘systeem’ willen wijzigen, dan zouden zij wat mij betreft ook maar eens moeten laten zien dat zij wel kunnen waar wij, door het ‘systeem’ (dat spreekt), ernstig tekortschieten.

Mijn eenvoudige vraag is derhalve: Zou je kunnen uitvoeren wat je voorstaat?

Zolang ze geen andere verantwoordelijkheid nemen dan zich te gedragen als de clown aan de zijlijn – veel meer dan een narcistische roep om aandacht zijn al die stukjes, clubjes en boekjes niet als je het mij vraagt – doet-’t me maar weinig.

Ze maken mij de pis niet lauw.

Advertenties

Onderwijseikenprocessierups

Het lerarentekort is als de eikenprocessierups. Het is een last, een  plaag van welhaast bijbelse proporties die voorlopig nog wel even zal aanhouden. Op sommige plekken is de last van het lerarentekort groter en ernstiger dan op andere plekken. Op sommige plekken is de plaag al jaren gaande.

In nieuwsuitzendingen wordt aandacht besteed aan het lerarentekort én de rupsenplaag, maar al snel schakelt men over naar luchtiger en vrolijker onderwerpen. Is Katja Schuurman niet onlangs getrouwd? Ja, op blote voeten nog wel. Toe maar!

Het lerarentekort is als de eikenprocessierups. Je kunt er vrolijk over klagen en laten zien dat het in andere landen al net zo is. En kijk eens, er zijn task forces in het leven geroepen om de problemen te lijf te gaan. Of het helpt weet niemand, maar hé ze zijn er. Je kunt ze een microfoon voorhouden om platitudes te noteren.

Het lerarentekort is als de eikenprocessierups. Geen maatregel helpt. Het tekort en de rups rukken op.

Het is alsof de verantwoordelijken een uitslaande brand staan uit te kwatten.

De rups rukt op omdat ecosystemen door de mens aan flarden zijn gereten. Overal eiken, nergens natuurlijke vijanden. Het onderwijssysteem wordt al jaren door politici, bestuursraden en vakbonden aan flarden gereten. Overal scholen en overal natuurlijke vijanden.

Fijne vakantie.

 

 

Calidris 0002

Santpoort – Bloemendaal – Zandvoort (08072019)

0002.1. Michel de Montaigne maakte in 1580 en 1581 een reis naar Italië. Hij schreef er een boek over. Dat boek ben ik kwijt. Het boek heeft een oranje kaft, dat staat me nog bij. Ik meen dat Montaigne reisde op een ezel. Hij had tijdens de reis last van nierstenen. Ik heb die ezel altijd gezien als een slecht functionerende niersteenvergruizer. Zouden andere dieren het beter doen?

0002.2. Het was in de tijd van Montaigne gebruikelijk om adagia uit te brengen. Dit waren bloemlezingen van bijbelse, Griekse en Latijnse spreuken die filosofen vaak aanhaalden in hun werk. De adagia van Erasmus van Rotterdam waren populair en beleefden druk na herdruk. De adagia van Montaigne verschenen niet in boekvorm. Ze waren op de balken en dwarsbalken van zijn studeerkamer geschreven. Hij kon ze altijd zien. Prediker was populair.

0002.3. Ik heb altijd een boek bij me. Nu How fiction works van James Wood. Toen ik in Alkmaar woonde en in Amsterdam werkte zaten er twee boeken in mijn tas. Een tweede boek voor als ik het eerste uit had en nog niet thuis was. Ik las dan in de trein hoe Maarten ’t Hart uitrekende hoelang hij erover zou doen om het complete oeuvre van Georges Simenon in de trein te lezen.

0002.4. Maarten ’t Hart. A.L. Snijders pruimt ‘m niet. Criticus Arie Storm wel. ’t Hart ontdekte op latere leeftijd het werk van Alexander Solzjenitsyn. Hij las zijn vrouw voor terwijl zij kookte. Hij ging naar de colleges over Russische literatuur van Karel van het Reve en zag de professor eens op het Rapenburg zijn auto in het water parkeren. Zijn korte verhalen zijn goed bruikbaar voor het leesonderwijs in de groepen 7 en 8. En ik voel hier, midden in de natuur, de angst van de jongen die in de kas een bunzing op zijn vader af ziet springen. En ik voel de worsteling met God, met het geloof. Die eeuwige worsteling. De engelen van Toon Tellegen.

EEN ENGEL

Het werd avond.
Zijn wij uitgevochten, vroeg een man.
Wij zijn uitgevochten, zei een engel

en hij tilde de man op, hield hem tegen het licht,
en zei: je bent doorzichtig, nu

Laat me maar los, zei de man
en de engel knikte en liet hem los.

De man woei weg

en zij die achterbleven spraken over iets
dat zij hoger achtten
dan de liefde, iets zwarts,
ze wisten niet hoe ze het moesten noemen,
iets wrangs,

of spraken zij over de dood,
over een varken wroetend onder een dode boom,

of over de zee?

0002.6. Walter Benjamin. Hij stelde dat een kunstwerk verandert onder invloed van de criticus. En dat het werk van een criticus daarmee op gelijke hoogte moet worden gesteld met dat van de scheppende kunstenaar. In haar laatste roman vergelijkt Manon Uphoff haar vader met de Minotaurus. Tegen dat beeld, tegen die aanpassing van mijn beeld van deze mythische figuur, strijd ik al weken. En dat terwijl mijn eigen beeld van de Minotaurus, deze stier van Minos, pas vier jaar geleden definitief vorm kreeg,. Ik zag Damien Hirsts Minotaurus in Venetië en verdwaalde in de schoonheid en kracht van dat beeld.

e2d9f7634480ac8cdda606d57e6ab936

0002.7. Uphoff schreef Vliegen is als vallen. De titel brengt me bij Jan Arends. De hoofdpersoon van Hans Vervoorts roman Het tekort betrekt op het Roelof Hartplein een appartement. In dat complex, of liever daarbuiten, vond Arends de dood. Zijn hospita denkt met weemoed terug aan de lieve man die dacht dat hij kon vliegen. Hij had zelfs een landingsplatform gebouwd dat uit het raam van zijn woning op de vierde verdieping stak.

De grote
roofvogel
Iks
is neergestreken
op mijn dak.
Is
in mijn hoofd
gekomen.
Heeft
in zijn klauwen
wat ik denk.
0002.8. Ik ben in drie jaar drie verschillende personen. Er was de man die in het ravijn staarde. De chemie trok me (hem?) weg van de rand, en transformeerde mij in een persoon die ik slechts mondjesmaat herkende. Waar ik voorheen van een afstand naar mezelf kon kijken, daar zat ik nu vastgeketend aan een lichaam dat traag en gestaag kilo’s verzamelde en dagelijks verlangde naar 30 mg SSRI. Toen ik daar onlangs mee stopte dacht ik dat mijn oude, vertrouwde ik als een feniks zou herrijzen. Maar die is tot op heden onzichtbaar gebleven. Die ik, die zoek ik. Die drijft me voort langs straten en pleinen. Die bepaalt het ritme van mijn pas. Met mijn derde ik kan ik maar moeilijk leven.

Calidris 0001

Santpoort – Bloemendaal – Zandvoort (08.07.2019)

0001.1. Als ik mijn blogs teruglees dan groeit in mij de schaamte. Ik lees in die blogs mijn onvermogen om op te schrijven wat ik wil zeggen. Veel zinnen bevatten woorden die er niet horen. Dit komt door mijn liefde voor lange, complexe zinnen. In zulke zinnen raak ik de draad kwijt. Dat ik tijdens het herschrijven en redigeren deze zinnen regelmatig verander, maakt het erger. Ik zal mezelf intomen en kortere zinnen schrijven. De lezer dient zelf de voegwoorden mee te brengen.

0001.2. Na de Eerste Wereldoorlog deed Ludwig Wittgenstein afstand van zijn vermogen. Zijn notaris schudde somber het hoofd. Schudde hij ook met zijn hoofd toen hij hoorde dat Wittgenstein voor leraar in het lager onderwijs had gekozen als bron van inkomsten?

0001.3. Ik zie in gedachten Wittgenstein voor de klas staan. Voor een krijtbord. De klas vorsend. Hij was leraar op een lagere school in Trattenbach. Over de inwoners van dat dorp schreef hij in een brief aan Bertrand Russel: “I know that human beings on the average are not worth much anywhere, but here they are much more good-for-nothing and irresponsible than elsewhere.”

0001.4. Drie broers van Wittgenstein pleegden zelfmoord. Een vierde verloor een arm. Ludwig werd leraar op de lagere school.

0001.5. Zou Wittgenstein ooit tegen een leerling hebben gezegd wat hij Bertrand Russel en G.E. Moore toevoegde aan het einde van de verdediging van zijn proefschrift? Het is een fameuze zin in de Westerse filosofie: ‘Ik neem het je niet kwalijk, ik weet dat jullie het niet begrijpen.’

0001.6. Als leraar moet je de woorden die je spreekt zorgvuldig kiezen. Vaak is stilte het best. Mijn leerlingen in groep 6 lazen een aantal teksten over vrouwelijke genieën. Marie Curie. Ada Lovelace. Ik las mee en dacht aan Maarten ’t Hart, die o zo flauw in De vrouw bestaat niet dat overbekende rijmpje aanhaalde:

Waar zijn de vrouwelijke genieën?

In de keuken – op hun knieën.

0001.6. Je beste vrienden zullen de filosofen zijn. Als iemand zegt dat je geen vrienden hebt, zit er een oordeel in verscholen. Als het ’s avonds, op het brullen van de tv na, stil is in je huis, is er iets mis. Waar is ‘de gezelligheid?’ Baruch de Spinoza noemde het sociale leven een futiliteit. Hij sleep lenzen en schreef een magistraal oeuvre. Wittgenstein werd leraar; Spinoza sloeg een baan aan een Duitse universiteit af. Toen Friedrich Nietzsche Spinoza las schijnt hij geroepen te hebben dat hij een eindelijk een voorganger had gevonden.

0001.7. De meeste profeten beginnen in de woestijn, zo luidt het gezegde. Ik denk dat filosofen zich ophouden in het kaalgeslagen gebied tussen achterland en strand: de geestgronden. De mens heeft zich voorbehouden daar naaldbomen aan te planten, bijvoorbeeld op Texel. Wanneer je die al lopende verlaat, opent de wereld zich. Zowel binnen als buiten.

0001.8. Wandelen is zoeken naar fysieke pijn, om de mentale pijn naar de achtergrond te verbannen.

0001.9. Er steeg een buizerd op. Al het vogelgezang verstomde. De wind won. Er zaten wat zwanen op het water. Een aalscholver trok voorbij.

0001.10. Mijn fascinatie voor roofvogels is ontstaan door een plastic vlieger. Deze kreeg ik toen ik een jaar of acht was. Op deze vlieger stond een adelaar afgebeeld. De vlieger stortte keer op keer neer, maar het beeld van de adelaar staat vanaf die tijd in mijn geheugen gegrift.

0001.11. Dat andere dieren vaak kunnen wat wij kunnen doet me deugd. Door het terrein van onze bijzonderheid te verkleinen, wordt dat wat ons werkelijk onderscheid van de andere dieren onderscheidener. Wij hebben gedachten over onze gedachten. Wij kunnen denken over ons denken. Hierdoor zijn we in staat de tijd te vertragen. Denken over je denken is de poort naar geluk, denk ik weleens. En het is ook de reden waarom het zo prettig toeven is met jezelf. De gedachten over mijn gedachten zijn nog lang niet allemaal uitgesproken. Zo bezien is een sociaal leven daadwerkelijk een futiliteit.

0001.12. Tussen de appartementencomplexen in Zandvoort staat een reuzenrad. Ik stel me voor dat je op een heldere dag, bovenin het rad, het windmolenpark op zee goed kunt zien. Het zou mooi zijn als het rad en de windmolens dan synchroon zouden draaien.

0001.13. Ik ben een drieteenstrandloper (Calidris alba). En jullie zijn de golven. Als jullie nabij komen dan trek ik me schielijk terug. Als jullie afstand nemen, dan kijk ik wat jullie hebben achtergelaten in het natte zand. Zo zijn we met elkaar verbonden. In een gestaag ritme ontmoeten en verwijderen wij ons van elkaar. Echt nabij komen we elkaar maar zelden.

 

 

 

Etoile

Alles moet je scheiden. Bij mijn buren in de tuin stond een joekel van een container. Ik vroeg Sjaak waarvoor die was. Voor mijn ex. Die had ik inderdaad al een tijdje niet gezien. En die kon je maar moeilijk over het hoofd zien, hè. De halfzus van Jabba de Hut, dat was ze.

Over haar praten we in de voltooid verleden tijd. Sjaak wist van wanten en had kennis en kunde inzake trekzagen en ander gereedschap.

Toen-ie uiteindelijk – kolere wat duurt dat lang in Nederland – voor het hekje van de rechter stond merkte-ie op dat het niks persoonlijks was geweest.

De rechtbank  stopte ‘m een tijdje weg. Ik was vorige week nog bij Sjaak. Keurige jongen verder. Ook in de bak wordt afval gescheiden. O ja? Kijk, aan de andere kant van het complex zitten de pedo’s. Die kunnen hier beter niet zijn hè?

Ik moest vandaag aan Sjaak denken. Ik had er net twintig kilometer door de duinen opzitten en de trein had me teruggebracht naar A. Aan de achterkant van het station botste ik op een meisje van een jaar af acht dat nogal zwaar was voor haar leeftijd. Dat zijn er wel meer, maar deze behoorde tot de buitencategorie. Als er iemand hard tegen het hekje kan klappen, dan is zij ‘t. Dat je al zo jong zoveel kan meedragen verbaast me telkens. Want hé,  als ze honderd meter heeft gelopen dan is het vel tussen haar dijen weggeschuurd. Pijnlijke shit.

Ze droeg een lang roze t-shirt, met daarop in zwart de tekst: étoile.

Ze keek me aan, zei sorry.

Ik keek retour en zei dat ze een ster mocht zijn, maar dat haar mond een zwart gat was.

Achter me klapte een poortje hard open.

Daar kwam vader.

 

Puddingbuks

Toen ze Bart Moeyaert bijna 5 ton en een oorkonde in z’n knuisten duwden daar hij de ALMA had gewonnen, kreeg hij praats. Deze Vlaamse jeugdschrijver staat voor de uitspraak: “Leerkrachten die zelf niet lezen, zijn geen goede leerkracht.” Zowel bijval als hoon volgde.

In een extra lange podcast van de heren van de Grote Vriendelijke Podcast lichtte Moeyaert zijn uitspraak toe. We moeten niet vergeten, zo meldde hij, dat zijn vader leraar en onderwijsinspecteur was. Die vader nu, had er bij zijn vele zoons op gehamerd dat leraar het belangrijkste beroep ter wereld is. De passie voor onderwijs van de vader wordt gekoppeld aan de passie voor schrijven en lezen van de zoon. Zoiets. Maar luister, mijn vader heeft gediend in het vreemdelingenlegioen – waar hij nogal trots op was – en ik was een tijdje hospik bij een stel zandhazen te Nunspeet. Mag ik me nu een mening aanmatigen over ons leger? Iets in de geest van: Als je niet naar Syrië durft, dan kun je beter een hazenleger op de Veluwe de oorlog verklaren?

Maar goed, laten we de passie van Moeyaert serieus nemen. Hoewel. Nog een kleine speldenprik. Het zou bijzonder zijn als Moeyaert niet zo zou strijden voor de uitbreiding van zijn afzetmarkt. Want als de juffen lezen en zorgen dat de kinderen lezen, dan zullen deze hopelijk zijn boekjes kopen en dan zal de kassa nog iets harder rinkelen. En wie veel verdient, wil altijd meer; € 485.000 is lang niet genoeg.

Ik denk overigens dat Moeyaert ongelijk heeft met zijn uitspraak. Een leraar kan excellent zijn en een broertje dood hebben aan lezen. Maar stel je nu eens voor dat ik zou vinden dat elke leraar in het basisonderwijs boeken zou moeten lezen en deze liefde zou moeten uitdragen naar de leerlingen. Dan zadel ik mijn collega’s wel met een probleem op. Dat probleem is dat de jeugdliteratuur in Nederland en Vlaanderen in het algemeen niet zoveel voorstelt. Zo is Moeyaert geen schrijver waar je gemakkelijk verliefd op raakt. Voorts is zijn werk niet bepaald evenwichtig te noemen en ik kan me daarom zeer goed voorstellen dat de gemiddelde leraar aan Tegenwoordig heet iedereen sorry begint en er al snel het hare van denkt.

De heren van de Grote Vriendelijke Podcast kunnen hun uitzendingen beter in een lager tempo maken. Er zijn namelijk niet zoveel Nederlandstalige auteurs die ertoe doen. Niet voor leraren en zeker niet voor leerlingen. Dat zij als recensenten leven in vriendschappen en contacten met schrijvers moeten zij weten. Ik kijk er van een afstandje naar en ik denk dat veel kinderboekenschrijvers er maar weinig van bakken.

Ik las op de lagere school Bas Banning. En alles van Schuyl. Ik las als kind een enkele Dahl, maar geen enkele Terlouw of Beckman. Ik las (en lees) liever informatieve boeken. In dat genre is er in de Nederlandse jeugdliteratuur veel meer te halen dan in de literaire jeugdwerken. Daar tref je schrijvers met meer schrijftalent dan onder de schrijvers van jeugdliteratuur. Nou ja, met uitzondering van Jan Paul Schutten dan. Zijn boeken zijn een ramp om te lezen of om voor te lezen. Misschien zou hij eens een schrijfcursus kunnen volgen bij zijn vrouw, Bibi Dumon Tak.

Als je veel leest, dan bemerk je al snel de tekortkomingen van de Nederlandstalige jeugdliteratuur. In heb jarenlang les gegeven aan de hoogste groepen in het basisonderwijs. Daar las ik met mijn leerlingen verhalen van auteurs als Ambrose Bierce, Roald Dahl, Maarten ’t Hart en B.J. Novak. Waarom zou je het voor minder doen? Ik trof laatst een bundel met vijftien fragmenten die leraren in het vo zouden kunnen voorlezen en bespreken. In die bundel werk van onder meer Dirk Bracke, Caja Cazemier, Anna Woltz en Gideon Samson. De bundel is uitgegeven door De Leescoalitie. Daarin zijn onder meer de Stichting Lezen en CPNB vertegenwoordigd. Ik vraag me weleens af, of die lui er niet deels de oorzaak van zijn dat jongeren niet of nauwelijks meer lezen. Bij dit bundeltje heb ik dat opnieuw. Bij elk verhaal staan vragen. En wat voor vragen? De vragen zijn gebaseerd op de methodiek van Aidan Chambers. Nu ken ik diens werk inzake leesbevordering een beetje en ik denk dat De Leescoalitie maar weinig heeft begrepen van Chambers’ aanpak. Ga je echt leerlingen vragen om uit te zoeken wat reuma is en of het te genezen is als ze net met jou het verhaal SchEef van Marlies Allewijn hebben gelezen? Hoor ik daar de koekoek?

Hun leeftijdgenoten ondertussen, op de Londense school St. Thomas the Apostle lezen Shakespeares Macbeth.

Ik bedoel maar.

Maar goed, Moeyaert vindt dat leraren die niet lezen geen goede leraren kunnen zijn. Hij heeft ongelijk. Leraren kunnen verdomd goed zijn in hun vak zonder dat ze veel geven om (jeugd)literatuur. Het is geen bezwaar dat ze in hun vrije tijd liever met zichzelf dan met een fictief personage bezig zijn. Er is namelijk een verschil tussen leerlingen goed leren lezen en ze leesplezier bijbrengen. Goed kunnen lezen is een mensenrecht; lezen voor je plezier is een fijne vrijetijdsbesteding. Een tijdsbesteding ook waarbij je je afzondert van de rest van de wereld. De Amerikaanse schrijfster Mikita Brottman vergelijkt lezen met masturberen. Ga maar na. Lezen en masturberen doe je meestal alleen, vaak in bed en dan ook nog privé. Je neemt er de tijd voor. Het is spannend. Je hebt er fantasie en voorstellingsvermogen voor nodig. Je kunt er, omdat beide opwindend zijn, verknocht aan raken. En heb je eenmaal de slag te pakken, dan is het een vreugde voor het leven. Masturberen en lezen kun je zien als een vorm van escapisme, aldus Brottman.

Moeyaert kan maar beter met zijn puddingbuks gaan spelen dan zich met leraren te bemoeien. Misschien kan-ie daar vervolgens met Maliepaard en Friso een vrolijke podcast over maken. Werktitel? De spuitgasten.

 

 

 

 

 

Roedels wolven

Wie op Twitter vraagt om een gematigde toon in de gesprekken, heeft weinig begrepen van wat sociale media met mensen doet. Tenminste, dit betoogt Jaron Lanier in zijn boek Tien argumenten om je sociale media-accounts nu meteen te verwijderen. Agressief gedrag is nu eenmaal gedrag dat past bij verslaafden. Want dat we verslaafd zijn aan sociale media lijkt een gegeven van deze tijd. We worden door de korte feedback loop van bijvoorbeeld Twitter en Facebook geprikkeld om te kijken, te antwoorden, te kijken, te liken, te kijken, te lezen, te klikken, etcetera. Dat jij het bent die kijkt, post of klikt doet niet ter zake. Het gaat erom dat jouw verslaving aan sociale media leidt tot wat Lanier noemt ‘non-stop gedragsmodificatie op wereldwijde schaal.’

41JSUM4-DbL

Daarin schuilt een prachtige ironie. Veel van de personen die zich op Twitter begeven om zich te mengen in debatten over onderwijs doen het voorkomen alsof ze autonoom handelen en dat ze autonomie vooropstellen, maar in de kern vertonen ze gedrag dat past, aldus Lanier, bij een roedel wolven. Gelijkgestemden kruipen bij elkaar, verdedigen gezamenlijk hun territorium (ideeën) en gaan daarbij al snel een grens over die ze, wanneer ze niet op sociale media zouden zitten, niet over zouden gaan. In sommige gevallen heeft deze ‘roedelstand’ zin. Je kunt hierbij denken aan een legereenheid. Maar voor jezelf is die stand verre van effectief. Het vertroebelt je blik op de wereld, de waarheid wordt ondergeschikt aan wat de roedel meent te vinden en de anderen zijn de tegenstander. Dat Twitter een ‘war zone’ is, is voor iedereen die er een kijkje neemt duidelijk. Twitter haalt eenvoudigweg het slechtste in de beste mensen boven.

In zijn beknopte boek geeft Lanier tien argumenten om al je sociale media-accounts per direct te verwijderen. Hij is niet tegen internet, maar Lanier laat zien dat sociale media mensen conditioneert op skinneriaanse wijze. Het is op zijn minst bijzonder te noemen dat ouders voor hun kinderen onderwijs willen waarbij ze veel ruimte en vrijheid krijgen om hun eigen talenten en vraagstukken centraal te stellen, terwijl diezelfde ouders het geen probleem vinden dat het autonoom denken en handelen van hun kinderen door sociale media enorm wordt ingeperkt. Het feit dat op sociale media waarheid geen waarde heeft, jouw meningen en opvattingen betekenisloos zijn – ze dienen alleen maar om verkeer te genereren – of dat je empathisch vermogen eraan gaat, is voor deze ouders blijkbaar geen probleem. Ze zullen ongetwijfeld vragen om een lespakket digitale vaardigheden, maar of die zullen helpen, is maar de vraag.

Ik zit niet meer op Twitter en LinkedIn, ik ben lang geleden vertrokken van Facebook en aan alle andere platforms heb ik nooit meegedaan. Ik zou het liefst morgen WhatsApp eraan geven, maar er is geen alternatief waar iedereen naartoe kan en wil overstappen met behoud van de geschiedenis, laat Lanier zien. Ik had eens Telegram geïnstalleerd, maar de enige die ik daar tegenkwam was mijn schoonmoeder. De reden dat ik van WhatsApp afwil, is dat ik veronderstel dat Facebook, dat de eigenaar is van WhatsApp, de hele structuur van WhatsApp gaat ombouwen, om ook daar weer van de mens een gekooid dier met voorspelbare reacties te maken. Ze willen er zelfs een munteenheid aan koppelen, heb ik begrepen.

Wat is er mis met een sms-je? Of beter: bel me!

Een jaar of vier geleden was mijn mobiele telefoon stuk. Ik vertikte het een nieuwe te kopen. Ik vond de rust weldadig. Maar familie en werk verplichtten me bijkans weer zo’n apparaat te kopen en al die apps opnieuw te installeren. Als Schiphol roept voor een verre vakantie, dan schakel ik het ding uit en stop het weg in een lade. Eens zei iemand dat je weinig hebt bereikt als je altijd bereikbaar moet zijn. Dat is denk ik ook zo. Wie rust wil en zichzelf weer wil ontdekken, moet eens een tijdje sociale media links laten liggen.

Maar goed, terug naar het boek van Lanier. Zelfs het schrijven van blogs zou je onder sociale media kunnen laten vallen. Lanier had een tijdje een column in HuffPost. Op de voorpagina nog wel. Ook hier ervoer Lanier weer de neiging om zoveel mogelijk bereik en reacties te genereren. Hij koos onderwerpen die reuring zouden opleveren. En in de reacties gebeurde hetzelfde als in een draad op Twitter: de reacties waren ‘roedelgedreven.’ Ik heb met mezelf afgesproken dat ik elke reactie op mijn blogs toelaat, maar ik vertik het om ze te lezen. De bevrijding van Twitter wil ik niet opgeven door me in een nieuwe loopgravenoorlog te begeven.

Er is nog iets wat ik aan het boek van Lanier wil toevoegen. Dat ligt, natuurlijk zou ik willen zeggen, in het onderwijsdebat. De voorspelbaarheid en het venijn van de reacties op Twitter inzake directe instructie of onderzoekend leren zijn alom bekend. Maar ze verplaatsen zich nu naar andere media. Artikelen in kranten en tijdschriften over onderwijs lijken geïnfecteerd door het roedelgedrag. Het zou goed zijn als de journalistiek – zelf ook veel te actief op Twitter – distantie en elegantie zou betrachten.

Als Lanier het slagveld van de sociale media overziet, weet hij – naast een ander gebruik van internet – eigenlijk maar één alternatief te noemen, namelijk de podcast.

Ik deel er twee met u. Die gaan niet over onderwijs. Ik houd van mijn vak, maar ik lees en denk tegenwoordig graag over geheel andere dingen, zoals biologie, natuur, geschiedenis, politiek en het gedrag van wolven.

  1. Een podcast over zoetwaterplantjes (azolla) die eens op de Noordpool groeiden en een belangrijke rol hebben gespeeld in de afkoeling van de aarde. Een verhaal vol kennis en prachtig toeval.
  2. Een podcast met schrijver Robert Macfarlane over zijn boek The Old Ways. Na 9:30 minuten spreekt hij over wandelen als een middel om ‘the black dog’ (depressie) achter je te laten.

Er op uit, mensen.