Hoera voor leerstijlen!

Mensen die niet voor de klas staan, maar wel het nodige van lesgeven en onderwijs afweten, kunnen het maar niet nalaten om de eenvoudige vakman voor de klas om de oren te slaan met ernstige waarschuwingen omtrent visie, didactiek en methodiek die leraren hanteren in het onderwijs. Deze wetenschappers hebben lijstjes paraat en boekjes volgekrabbeld met daarin een aantal zaken die je in het onderwijs maar beter niet kunt doen. Laten we ze voor het gemak hoofdzonden noemen. Kijk, hier heb je zo’n lijstje.

Een van de items op zo’n lijstje is steevast leerstijlen (learning styles). Die staat ook op het lijstje hierboven. Leerstijlen is in het Nederlandse onderwijs nooit een grote stroming geweest, maar aan de andere kant van de zoute plas die we de Noordzee noemen is het een invloedrijk idee over onderwijs geweest. Leerstijlen gaat uit van het idee dat leerlingen een voorkeurmanier van leren hebben, bijvoorbeeld auditief, visueel of kinesthetisch. Er is geen bewijs dat leerstijlen bestaan en dat maakt het zo fijn om er genadeloos op in te hakken. Het lijkt voor sommige wetenschappers wel een doel op zich.

Enfin, ik heb enkele jaren op een school gewerkt waar leerstijlen een van de uitgangspunten van het onderwijs was. We volgden op die school de ideeën van Dunn en Dunn. Over dat duo kun je mooie grappen maken en die ken ik ondertussen allemaal. En vanzelfsprekend kun je hun hele idee over onderwijs vanuit onderzoek omverkegelen, maar dat interesseert me eigenlijk niet zo. Ik heb op die school verdraaid veel geleerd en zeer mooi onderwijs gegeven. En ja, beste lezers, de resultaten waren prima.

Maar dat kan toch niet? Uitgaan van de leerstijlen van leerlingen is toch nonsens? Dat loopt toch geheid in de soep?

Dat zal op papier vast zo zijn. Maar die wetenschappers hebben weinig sjoege van hoe je onderwijs nu in de praktijk vorm en inhoud kan geven. Ze hebben bijvoorbeeld geen idee hoe je als vakman een bepaalde theorie over onderwijs kan omzetten in praktisch en effectief handelen.

Naast leerstijlen, werkten we ook met meervoudige intelligenties. Dat is ook een theorie waar veel op valt af te dingen en waarvan Howard Gardner zelf heeft gezegd dat die theorie niet voor het onderwijs bedoeld was.

Leerstijlen én meervoudige intelligenties, dat betekent voor de leerlingen vast en zeker dubbel pech. Nou, niet echt in ons geval.

Ik heb lang wat neerbuigend gedaan over die tijd. Maar hoe langer ik erover nadenk, hoe milder ik ben over wat we toen gedaan hebben en hebben bereikt. De schreeuw van de wetenschap toeterde nogal in mijn oren en daardoor kneep ik mijn ogen toe en zag ik onvoldoende de kwaliteit van ons werk. Zoiets was het.

Waar het in de kern op die school om ging, was dat we het curriculum rondom de zaakvakken centraal stelden en onderwijs maakten vanuit dat perspectief. We zetten leerstijlen en m.i. niet in als doel van het onderwijs, maar als middel om dat onderwijs – dat een thematisch karakter had – mooi en kennisrijk te maken. De themalessen vlogen we vanuit diverse hoeken en richtingen aan, allemaal richtingen die aansloten bij wat Gardner had bedacht. En bij het inoefenen van lesstof gebruikten we ideeën over de diverse leerstijlen om spellen, activiteiten, etc. te maken. We werkten keihard en hadden al snel een magazijn vol zelf ontwikkeld materiaal. Ik denk nog weleens terug aan het prachtige werk wat wij maakten én het prachtige werk dat de leerlingen maakten, alsook de rijkdom van de lessen en de activiteiten.

Op basis van deze ervaring denk ik dat we wat milder mogen zijn over diverse ideeën over onderwijs. Het staat en valt met de uitvoering van een idee van de vaklui in de school. De vaklui maken het verschil. Dat maakt dat ik steeds vaker schouderophalend luister naar betogen van de kenners inzake leerstijlen. Zij hebben wellicht geen idee hoe je nou goed en effectief onderwijs maakt in de praktijk van alledag. Maar goed, dat ik niet naar ze luister zal wel komen omdat ik geen auditieve leerstijl heb.

De rijksacademie

Als ik het me goed herinner, was het de eerste directeur van het Institute for Advanced Study – Abraham Flexner – die, toen hij nog leraar was, boven de deur van zijn klaslokaal had geschreven: There are no shortcuts. Een prachtige uitspraak, die de leerlingen eraan moest herinneren dat je niet moest denken dat je er kwam zonder hard te werken en dat je toch echt alle lesstof tot je moest nemen.

Midden jaren ’90 van de vorige eeuw begon ik aan de verkorte opleiding tot leraar basisonderwijs. Het was mijn shortcut om in twee jaar een diploma te halen om in het basisonderwijs voor de klas te mogen staan. De studenten die dat jaar aan de opleiding begonnen brachten naast levenservaring ook een afgeronde HBO- of universitaire opleiding in. Er werd van ons veel verwacht en, zeker in het eerste jaar, betrekkelijk weinig gevraagd. Zo zei de docent taalontwikkeling dat hij van ons verwachtte dat we de spelling en grammatica van de Nederlandse taal beheersten. Mocht dit niet zo zijn, dan dienden we in de vrije uren dit maar zelf op te pakken. Hulp zouden we niet krijgen, eerder hoon, zo grapte hij. En voor de zaakvakken werd verwacht dat we zelf in kaart brachten of onze kennis boven het eindniveau van de basisschool uitstak. Was dat niet het geval, dan moesten we door middel van zelfstudie eventuele lacunes opvullen. We kenden als HBO’ers en academici het klappen van de zweep, zo werd verondersteld.

Het eerste jaar van de opleiding was interessant en stimulerend. De docenten waren over het algemeen niet verbonden aan de pabo, maar specialisten van buitenaf. Door hen was de opleiding ook opgezet. De docent taalontwikkeling reed vanuit Noord-Brabant naar Alkmaar om ons mee te nemen in hoe je taalonderwijs vorm en inhoud zou kunnen geven, terwijl een andere docent een baan had als directeur van een basisschool in de Zaanstreek. We hadden relatief weinig vakken en veel ruimte om in de praktijk les te geven en daarvoor lessen te ontwerpen, al dan niet met behulp van een lesmethode.

Dit veranderde sterk in het tweede jaar van mijn opleiding. Achter de schermen had zich een machtsstrijd voltrokken. Deze strijd tussen het instituut en de mensen van buiten was gewonnen door de hogeschool. Vaste docenten van de pabo vervingen de externe docenten en legden ons hun programma op. Ze hanteerden een aanpak die niet afweek van wat ze op de reguliere pabo deden en het uitdagende van de opleiding verdween als sneeuw voor de zon. Het onderwijs werd schoolser en we werden opgescheept met een groot aantal opdrachten die we in de stagepraktijk moesten uitvoeren. Deze opdrachten rijmden met de visie van de pabo (sterk constructivistisch), maar botsten op de praktijk op veel scholen. Zo liep ik stage op een traditionele school in een dorp in de Schermer, een polder onder de rook van Alkmaar. Ik vond het een fijne school, maar met de opdrachten van de pabo kon ik daar niets beginnen. Ik genoot van de wijze waarop de school het onderwijs had ingericht en de wijze waarop werd lesgegeven, terwijl mijn opdrachten – toen al sterk gericht op ontdekkend leren – daar haaks op stonden. De vrijheid die we in het eerste jaar hadden om les- en werkervaring op te doen op onze stagescholen was voor een groot deel verdwenen. In het tweede jaar haakten dan ook (ik schrijf met opzet dan ook) een flink aantal studenten af.

Ik kan me nog herinneren hoe wij als deeltijdstudenten in dat tweede jaar zelf bij elkaar gingen zitten om het bekende boek van Veenman over instructie en klassenmanagement te lezen en te bespreken. Dat boek hadden we in het eerste jaar aangereikt gekregen en we zijn daarna maar zelfstandig in dat boek verdergegaan. Er was nog een boek, dat ging over diverse instructiemodellen, lesopzetten en organisatievormen die je in de onderwijspraktijk zou kunnen gebruiken. Ook dat boek lazen en bespraken we.

Heden ten dage haken nog steeds veel zij-instromers van de verkorte – of deeltijdopleiding af. De argumenten om te stoppen lijken sterk op die ik hoorde van mijn mede-studenten. Het probleem is dat de studenten op de pabo’s in een mal worden geperst die niet past en waarbij te weinig rekening wordt gehouden met de kennis en kunde die deze zij-instromers meenemen vanuit hun opleiding en werkervaring. Een ander probleem is dat studenten opdrachten moeten uitvoeren die niet of nauwelijks aansluiten bij wat ze nodig hebben om in de gestelde tijd een startbekwame leraar te worden. En dan zijn er ook nog de diverse reflecties die moeten worden geschreven. Een door het leven gepokt en gemazeld persoon vraagt zich terecht af wat hiervan de waarde is.

Feitelijk is het zo dat volwassenen die op latere leeftijd voor een carrière in het onderwijs kiezen en die veel kennis en kunde inbrengen, maatwerk nodig hebben. Die toekomstige collega’s moeten niet in de mal van de standaardopleiding worden geperst, maar die mogen en moeten gebruik kunnen maken van short cuts. De ironie is dat een opleiding waar toekomstige leraren wordt verteld over het belang van differentiatie in het onderwijs, dit zelf amper weten te realiseren.

In december van het vorig jaar lichtte Merel van Vroonhoven, als aanjager aanpak lerarentekort, haar rapport Samen sterk voor elk kind toe in de vaste commissie voor onderwijs, cultuur en wetenschap. In haar uiteenzetting gaf ze enkele schrijnende voorbeelden van de opleiding van deeltijdstudenten; voorbeelden die laten zien dat er in vergelijking met mijn opleiding een kwart eeuw geleden maar weinig is veranderd. Zo gaf Van Vroonhoven het voorbeeld van een student die is gepromoveerd in de natuurkunde. Hij moest, ondanks zijn achtergrond en onderzoek, op zijn opleiding laten zien over onderzoeksvaardigheden te beschikken. Uit mijn eigen praktijk wil ik hier aan toevoegen dat wij op school een zij-instromer begeleiden die het conservatorium heeft afgerond en al jarenlang les geeft aan jongeren. Toch moest zij de muzieklessen op de opleiding volgen en de opdrachten uitvoeren in de praktijk.

Dit zijn voorbeelden die passen in een eindeloze reeks. Deze voorbeelden laten verder zien dat er in de opleiding van leraren veel verbeterd kan worden. En die verbetering is nodig, omdat de huidige praktijk leidt tot lastige situaties. Neem onze zij-instromer. Zij moet een project over ontdekkend leren in de zaakvakken opzetten. Dat past niet in onze visie en aanpak. Je zou mogen verwachten dat een pabodocent in zo’n geval met de student overlegt en kijkt wat er mogelijk is vanuit de visie en aanpak van de school. Dat gebeurt over het algemeen niet.

Er is dus tenminste op twee niveaus maatwerk nodig. Als eerste gaat het er om dat kwaliteiten van zij-instromers herkend en gehonoreerd worden. Ten tweede moeten studenten ruimte krijgen om binnen de context van de school hun vakmanschap te ontwikkelen en opdrachten uitvoeren die aansluiten bij de aanpak van de school.

Laten we even teruggaan naar de toelichting van Van Vroonhoven op haar rapport. Ze stelde tijdens haar betoog in de vaste kamercommissie de vraag waarom leraren geen invloed hebben op het curriculum van de opleiding. De pabo-opleidingen leiden toekomstige collega’s op en het is vanuit dat perspectief bezien vrij logisch om te denken dat mensen uit de praktijk invloed hebben op de inhoud en de opbouw van het curriculum. Verder gaf ze aan dat er grote verschillen bestaan tussen de diverse opleidingen. Er zijn tientallen lerarenopleidingen en die verschillen allemaal van in opvatting over hoe een student moet worden opgeleid en wat hij of zij moet kennen en kunnen. De vraag is of die veelvormigheid aan opleidingen goed is voor de kwaliteit van het onderwijs. Van Vroonhoven pleitte voor een Rijksacademie. En dat lijkt me geen slecht idee.

Ik vind het geen slecht idee, omdat bij de toelichting van de Staat van het Onderwijs van dit jaar enkele inspecteurs in een webinar op omfloerste wijze, maar voor de goede verstaander niet minder duidelijk, opsomden waaraan het schort in het Nederlandse onderwijs. Bij die opsomming sprongen de vakdidactische kennis en kunde en de kennis van de leerlijnen en referentieniveaus van de leraren er voor mij uit. Dit zijn zaken die je, naar ik hoop en verwacht, op de pabo krijgt aangeleerd. Ik kreeg zicht op de leerlijnen en de inhoud van het curriculum door de terloopse opmerking van docenten dat wanneer onze kennis op een of meerdere terreinen tekortschoot wij dit zelf moesten repareren. Je kon, met andere woorden, alleen weten of je genoeg van aardrijkskunde wist, als je wist wat je moest weten. We sleepten methodes mee naar huis, raadpleegden boeken over leerlijnen en lazen achtergrondliteratuur. We waren na twee jaar redelijk op de hoogte van wat leerlingen in acht jaar basisonderwijs zouden moeten leren.

Het curriculum van zo’n rijksacademie wordt wat mij betreft vorm en inhoud gegeven door leraren. Er zijn voldoende kaders – denk aan de wettelijke omschrijving van het beroep van leraar – die als basis kunnen dienen voor een stevig en goed gefundeerd curriculum. Een academie zonder fratsen, waar toekomstige leraren veel leren over wat kinderen moeten leren en leren hoe ze dat vervolgens moeten omzetten in onderwijs. Een academie waar huidige pabodocenten voor mogen solliciteren, onder meer door het geven van goede lessen aan een keur van leraren die voelen en proeven of deze docent kan wat het onderwijs, mede op basis van internationale vergelijkingen en de SvhO, nodig heeft. Docenten dus die les kunnen geven en studenten in relatief korte tijd startbekwaam weten te maken. Voor hen geen shortcuts.

Het moet een rijksacademie worden waar docenten in staat zijn om in de opleiding – net zoals de leraar in de klas – te differentiëren en weten wat reguliere studenten, zij-instromers, deeltijdstudenten, etc. nodig hebben. Nu zijn de opleidingen een allegaartje en een ratjetoe; je moet geluk hebben waar je wordt opgeleid. Als onderwijs de toekomstige minister aan het hart gaat, dan zou deze toch ernstig moeten overwegen of een rijksacademie waarbij leraren een inhoudelijk grote rol spelen niet beter is dan de huidige lappendeken aan opleidingen die niet leveren wat het onderwijs nodig heeft.

Lezen en de schoolleider

Wie kan lezen, heeft toegang tot een oneindig universum vol boeken en verhalen. Als je boeken over boeken leest, wat ik nog weleens doe, dan wordt in zulke boeken vaak het verhaal ‘De bibliotheek van Babel’ van Jorge Luis Borges aangehaald. Die bibliotheek, in Borges’ visie een labyrint, is een universum dat elk denkbaar boek bevat. Je hebt toegang tot deze eindeloze wereld vol boeken, als je goed hebt leren lezen. Of je over de drempel van de Babelse bibliotheek stapt is aan jou, maar de volwassenen die je hebben leren lezen, houden de toegangsdeur uitnodigend voor je open.

Voor sommige kinderen blijft de deur gesloten, of wordt deze ten hoogste op een kier gezet. Deze kinderen hebben niet goed leren lezen. Het is een trieste constatering, maar ons onderwijs ontneemt te veel kinderen de kans te verdwalen in werelden waar veel te vinden en nog meer te ontdekken valt.

In het labyrint van Borges kun je zonder twijfel boeken en teksten vinden waarin wordt uitgelegd dat leerlingen die niet goed hebben leren lezen vaak een lage leesmotivatie hebben. Waarom zou je aan iets beginnen wat je niet goed kunt? Waarom zou je dwalen langs eindeloze rijen van boeken als je onzeker bent of je ze wel goed kunt lezen en begrijpen? Waarom zou je willen verdwalen in een wereld die jou eerder afschrikt dan uitnodigt. Maar ook in de bibliotheken ver van Borges’ Babel zijn die teksten te vinden. We weten veel over lezen en leesmotivatie en het staat vast dat een laag leesniveau een hoge drempel opwerpt richting leesplezier.

Leraren hebben de belangrijke taak om hun leerlingen goed te leren lezen. Daar zijn ze zich steeds meer bewust van. Dat maak ik op uit het hoopgevende feit dat het boek van Marita Eskes over leesonderwijs zo veel wordt gelezen en dat dit veel gedeeld wordt op internet. Aandacht voor leesonderwijs is noodzakelijk en het is cruciaal dat leraren zich op de hoogte stellen van de inzichten uit onderzoek over wat goed leesonderwijs is en zich afvragen of hun didactiek toereikend is om alle kinderen goed te leren lezen.

Dat dit niet altijd goed gaat, laten de resultaten zien. Het is niet voor niets dat de Inspectie van het Onderwijs nu meerdere jaren achtereen in de Staat van het Onderwijs hamert op aandacht voor het goed onderwijzen van de basisvaardigheden en opmerkt dat de vakdidactische vaardigheden van leraren verbeterd moeten worden. Het is dus zaak, om even bij lezen te blijven, het leesonderwijs duurzaam te verbeteren. Daarbij is het nodig dat leraren effectieve didactieken inzetten en dat ze hierin geschoold worden en deze scholing herhalen en verdiepen.

Maar dat is niet voldoende.

Afgelopen week las ik een kleine maar interessante Engelstalige publicatie over leesonderwijs. In dit boekje, getiteld Thinking Reading (de auteurs zijn James en Dianne Murphy), wordt in minder dan 140 pagina’s uiteengezet wat lezen is, welke misconcepties bestaan over het leren lezen, hoe leerlingen leren lezen en hoe we leerlingen die hiermee moeite hebben kunnen helpen. Het boekje is, als je Eskes’ boek hebt gelezen, een mooie verdieping van je kennis over leesonderwijs.

Er staat ook een fraai hoofdstuk in over de rol van de schoolleider. Dat hoofdstuk zal ik hieronder toelichten. De reden waarom ik heb gekozen om dat hoofdstuk eruit te lichten, is dat ik onlangs een publicatie las over de verbetering van het onderwijs in Oost-Europese landen als Estland en Polen. Dit zijn landen die ons ondertussen zijn voorbijgestreefd als het gaat om de resultaten op de kernvakken. In die landen zie je terug wat de onderwijsinspectie ook voor Nederland van belang vindt, namelijk training en begeleiding van leraren. Het artikel laat echter ook zien dat scholing van de schoolleider van grote invloed is op de kwaliteit van het onderwijs. In sommige landen moet de schoolleider zich jaarlijks verplicht bijscholen vanuit het perspectief van het curriculum en het handelen van de leraren in de klas. Tevens moet de schoolleider deelnemen aan de scholing die het lerarenteam volgt. In meerdere landen krijgt de schoolleider jaarlijks een beoordeling, waarbij de kwaliteit van het onderwijs en de opbrengsten een belangrijke rol spelen. In deze landen is het besef ingedaald dat een goede schoolleider het verschil kan maken voor de leraren, de leerlingen en de wijk waarin de school staat.

Terug naar Thinking Reading. Als het gaat om het verbeteren van het leesonderwijs, dan speelt de schoolleider, aldus de Murphy’s, een cruciale rol. Wat ze in het hoofdstuk over de schoolleider beschrijven, sluit mooi aan bij wat men in diverse landen ten oosten van ons al diverse jaren in de praktijk toepast. Laten we eens kijken wat de belangrijkste elementen zijn in het handelen van de schoolleider als het gaat om het verbeteren van de leesresultaten.

Ten eerste wijzen James en Dianne Murphy er op, dat de schoolleider ervoor moet zorgen dat er in school een eensluidende gedragsaanpak is. De auteurs vinden dat goed gedrag in de school het fundament is waarop goed onderwijs gebouwd wordt. Om leerlingen waarbij de leesontwikkeling stagneert goed te kunnen ondersteunen en te begeleiden, is het verder van belang dat deze leerlingen zich in de klas veilig voelen en met voldoende zelfvertrouwen aan het werk gaan. Leraren moeten er verder van overtuigd zijn dat al hun leerlingen goed kunnen leren lezen. Het delen van succesverhalen kan helpen om leraren dit te doen inzien. En daarbij is het ook belangrijk dat leraren leerlingen niet labelen en veronderstellen dat zo’n label belemmerend is om te leren lezen.

Ten tweede moet de schoolleider over data beschikken over de ontwikkeling van het leesonderwijs en moet zij in staat zijn om, bijvoorbeeld door aanvullend onderzoek, scherp in beeld te krijgen waar de problemen zitten en wat die problemen specifiek zijn. Je moet namelijk voorkomen dat je een ineffectieve interventie doet of leerlingen selecteert voor een interventie die zij in het geheel niet nodig hebben. Dit is essentieel, want leerlingen die slechts een kleine achterstand of vertraging hebben opgelopen, hebben andere begeleiding nodig dan leerlingen waarbij de ontwikkeling van het lezen ernstig stagneert.

Een derde punt betreft de ambitie van de school. Het leesonderwijs moet een hoge prioriteit hebben en de school beschikt over duidelijke doelen inzake leesonderwijs. Die prioriteit is zó hoog, aldus de auteurs, dat leerlingen uit andere lessen gehaald mogen worden voor een leesinterventie. De Murphy’s laten in hun gehele boek het belang van goed leesonderwijs doorklinken, maar op dit punt in hun verhaal benadrukken ze dat het belang om goed te leren lezen zo groot is, dat dit prioriteit verdient boven alles. Een schoolleider moet hiervoor staan en ervoor zorgen dat die interventies ook daadwerkelijk plaatsvinden.

Het spreekt wellicht voor zich, maar de auteurs herhalen én benadrukken – en dat is mijn vierde punt – dat gebruik wordt gemaakt van effectieve interventies. Teams moeten zich oriënteren op wat werkt en uitzoeken hoe de interventies kunnen worden ingezet. Op dit punt komen scholing en ondersteuning om de hoek kijken. De schoolleider moet weten of de leraren met de effectieve interventies uit de voeten kunnen en of ze deze ook daadwerkelijk toepassen. Hierbij spelen vragen als: Welke leraren hebben ondersteuning nodig? En wie kan deze ondersteuning bieden?

De schoolleider moet ten vijfde aan verwachtingsmanagement doen. Wie in het onderwijs werkt, weet dat het verbeteren van het onderwijs een kwestie van de lange adem is. En bij enkele leerlingen zal het, ondanks alle hulp en alle interventies, niet lukken om er goede en vaardige technische lezers van te maken. Je zou als leraar dan kunnen denken dat al die tijd en inspanning verloren moeite is. Maar dan wordt vergeten, dat het over het algemeen juist prima lukt om de leerlingen goed te leren lezen.

En tenslotte zal er binnen de schoolorganisatie naar de resultaten moeten worden gekeken. De vraag hierbij is of het reguliere aanbod en daarnaast de interventies werken. Worden de leerlingen daadwerkelijk betere lezers? De auteurs stellen voor om dit zowel op groep- als op individueel niveau te bekijken. En dat is een belangrijk punt, omdat bij het kijken naar de schoolopbrengsten vaak wordt gekeken naar het groepsgemiddelde. Dat kan zinvol zijn, maar omdat goed leren lezen voor ieder kind zo belangrijk is volstaat dat hier niet. Je moet van iedere leerling weten of hij of zij vooruitgang boekt en of deze vooruitgang voldoende is of dat je moet uitzoeken of er een doelgerichte interventie nodig is.

Eigenlijk wordt hier een beeld geschetst van een schoolleider die tussen en naast de leraren en leerlingen staat en precies weet wat er in de school gebeurt op het gebied van het leesonderwijs. Een schoolleider ook die in de klassen zit, leraren en leerlingen observeert en over het leesonderwijs tenminste net zoveel weet als de leraren voor de klas. Tevens een schoolleider die weet dat de ambities die de school heeft op het gebied van lezen door iedereen worden gedeeld en uitgevoerd en die de verantwoordelijkheid neemt om leraren die zich niet aan de ambitie en de daaruit voortvloeiende afspraken weten te houden vriendelijk maar beslist aanspreekt.

Natuurlijk is het zo dat de leraren die het kind hebben leren lezen later worden herinnerd. Ik leerde zo’n vijftig jaar geleden lezen. Mijn leraren waren juffrouw Commandeur, juffrouw Hazewinkel, meester Van Empel, meester Gerrits, meester Lohning en (in de 6e klas) meester Heethuis. Ik ben ze dankbaar, dat spreekt. Maar ik weet ondertussen ook dat zij werkten in een school waar een heldere en doelgerichte aanpak bestond om de leerlingen te leren lezen. Ik zou je de interventies kunnen opnoemen als je dat zou willen. De school werd geleid door een bovenmeester – eerst meester Bakker en later meester Heethuis. Als meester van groep 8 wisten ze wat de leerlingen voor hun neus en breder op de hele school konden en wisten. Daarmee zeg ik niet dat de schoolleider voor de klas moet. Dat lijkt me niet nodig. Maar de schoolleider van nu moet wel net zoveel weten als de leraar in de klas en in staat zijn om leiding te geven aan het ingewikkelde proces om alle leerlingen goed te leren lezen. De schoolleider is zo de onzichtbare maar alomaanwezige portier die de deur naar Borges’ labyrintische boekenwereld verder openduwt.

De taalrepubliek

’In alles heb ik rust gezocht, maar nergens gevonden dan in een hoekje met een boekje.’

Thomas a Kempis

Johnson, Ambrosius en Erasmus

Onlangs had ik een kort app-gesprek met Willem. We werken allebei in het onderwijs, wandelen wel eens over jaagpaden naar onbekende bestemmingen en houden van literatuur. Ons app-gesprek ging over literatuur en meer specifiek over het werk van Denis Johnson. We houden van deze schrijver. Ik geef de boeken van Johnson wel eens weg. Meer dan eens kreeg ik zo’n boekje, want Johnson is een schrijver van weinig woorden, retour. De liefde die ik voel voor zijn werk wordt blijkbaar niet door iedereen gedeeld. Ik heb er, zo vertelde ik Willem, een theorie over, namelijk dat je de schoonheid en de kwaliteit van Johnson pas ontdekt als je hem traag en kalm leest. Hij is mager met woorden en tussen de weinige woorden die hij gebruikt zitten beelden en werelden verstopt die je pas vindt als je zijn dunne boekjes kalm en rustig leest en herleest.

Kalm lezen en herlezen is een handeling die op gespannen voet staat met hoe we in het onderwijs met lezen omgaan. Daar gaat het om snelheid. We laten leerlingen met regelmaat op hoog tempo een tekst of een rijtje woorden lezen. Als zo’n leerling begint dan drukken wij op onze mobiele telefoon de stopwatch (AVI) of de timer (DMT) in. Na afloop denken we een idee te hebben over het niveau van de leerling.

Je leert lezen om toegang te krijgen tot de veelvormige, complexe en magische wereld van het gedrukte woord. Als je, en hierin volg ik Manguel, een beetje kunt lezen, dan kun je eigenlijk alles lezen. Of je het begrijpt is een tweede, maar je hebt toegang tot een wereld die feitelijk eindeloos is. Aap, noot en mies waren en ik, kim, sim zijn de wachtwoorden die kinderen toegang verschaffen tot Borges’ Bibliotheek van Babel. De leraar in groep 3 moet de gelukkigste onder alle leraren zijn. Terwijl ik dit schrijf, zie ik in mijn gedachten de leraar van groep 3 voor me. Zij opent op de eerste dag na de vakantie de schooldeur, neemt haar kinderen door de gangen mee naar de klas, alwaar ze deur van het lokaal opent. Als de leerlingen zitten, openen zij een schrift of boek en leren ze met behulp van hun leraar lezen. De leraar van groep 3 is als het konijn dat Alice verleidde om het konijnenhol in te gaan en de sprong te wagen: welkom in een magische wereld waar alles mogelijk is. Bestaat er iets mooiers dan dat?

Als ik naar het Nederlandse leesonderwijs kijkt, dan denk ik weleens dat het leren lezen bij het uitwisselen van wachtwoorden blijft. Er wordt eindeloos geoefend om die wachtwoorden in een hoog tempo op te dreunen. Als het tempo uiteindelijk hoog genoeg is, dan en slechts dan, mag je het labyrint van het gedrukte woord verkennen. Ik kan me gerust voorstellen dat je dan als lezer geen zin meer hebt om de stap te wagen.

Er is in dit opzicht nog een tweede idee dat me achtervolgt. En dat is het idee dat Ambrosius verkeerd is begrepen. Kerkvader Augustinus beschrijft in zijn Bekentenissen voor het eerste iemand die stil zit te lezen. Dat was Ambrosius. In een omgeving waar men geneigd was om teksten hardop te lezen en er tijdens het lezen luid over te discussiëren, zat Ambrosius stil in zijn kloostercel gebogen over een geschrift. Hij las en dacht, zo denk ik, tijdens dat lezen na over wat hij nu las. Dat lijkt me zin- en waardevol. Maar dat stillezen van Ambrosius is vanzelfsprekend geen doel op zich. Want dat beeld achtervolgt me; het beeld namelijk dat leerlingen als ze de wachtwoorden eenmaal onder de knie hebben, een volgende opdracht moeten volbrengen. En dat is gebogen over een boek zitten en staren naar letters die na verloop van tijd als eigenwijze, zelfstandige creaturen gaan dansen voor hun ogen. Stil een boek lezen is dan een truc geworden om de eerder geleerde vaardigheid in stand te houden en niet een nabootsing van Ambrosius, die waarschijnlijk de rust vond in een boekje in een hoekje, en aldaar zijn ideeën en opvattingen over bijvoorbeeld het arianisme trachtte aan te scherpen.

Ik vertel niets nieuws als ik zeg dat het Nederlandse taalonderwijs in veel stukjes is opgeknipt. Van Koeven en Smits wijzen er op in hun boek Rijke Taal. Eerder al deden Van Gelderen en Van Schooten dit in een publicatie. Zij spraken evenwel niet over verkniptheid, maar – en dat spreekt me als kind van het platteland zeer aan – over verkaveling. Door deze verkaveling van het taalonderwijs ontstaat een aantal problemen. Een ervan is de neiging om die verkavelde onderdelen los van elkaar belangrijk te maken. Al die stukjes taal, al die kavels, strijden om tijd en aandacht van de leraar en moeten allemaal een plekje krijgen op het rooster. En dan is er ook nog de neiging – niets menselijk is ons vreemd – om de losse onderdelen als doel op zich te zien. Zo raakt de samenhang tussen de onderdelen zoek en hebben leerlingen amper het idee dat ze een taal leren die waarde en betekenis heeft buiten de klas.

Onderdelen van het taalonderwijs strijden dus om aandacht van de leraar, zowel binnen als buiten de klas. Binnenkort zal de onderwijsinspectie met een publicatie komen over de stand van het schrijfonderwijs. Daarin wordt een harde noot gekraakt omtrent de aandacht, kwaliteit en opbrengsten van het schrijven van teksten. Dat rapport zal zonder twijfel leiden tot meer aandacht voor schrijfonderwijs. En als we niet oppassen, dan wordt het schrijven van teksten nog meer een doel op zich. Alsof de leerling na een leesimitatie van Ambrosius, Erasmus mag imiteren door een brief te schrijven die nimmer zal worden verzonden, doch hoogstens zal worden gebruikt voor het bepalen van een rapportcijfer.

Laten we terugkeren naar het technisch lezen. Dat is een onderdeel in het Nederlandse taalonderwijs dat een duidelijke status aparte heeft. Het is meer dan een kavel. Het is een koninkrijk met eigen vlaggen, vaandels en onderscheidingen. Leerlingen worden geridderd in de orde van de maan, zon en ster (de zon is een ster, maar dit terzijde). En dat is bijzonder, omdat technisch lezen een toegangspoort is tot het magische, Babylonische labyrint van Borges en niet een rijk waar men wil blijven.

Welkom in het koninkrijk

Bezien vanuit het perspectief van technisch lezen als koninkrijk, was ik geenszins verrast door het succes van het driehonderd pagina’s tellende boek Technisch lezen in een doorlopende lijn van Marita Eskes. Het is de reisgids van een poort; een poort met talloos veel wachters. Je kunt Eskes niet kwalijk nemen dat in het basisonderwijs technisch lezen een doel op zich is. Ze beschrijft meermalen in haar boek dat technisch lezen een middel is en geen doel, maar de verkavelde praktijk is een stuk weerbarstiger, dat weten we allemaal.

Eskes beschrijft wat technisch lezen is en hoe je dit in een doorgaande lijn in de onderwijspraktijk kan vormgeven. Wie het boek leest, zal merken dat het in een sterke traditie staat van het koppelen van technische leesvaardigheid aan leesbegrip. Zo wordt het PISA-rapport over leesbegrip uit 2019, dat aangaf dat een groot deel van de Nederlandse 15-jarigen een laag niveau heeft, als motief gebruikt om het technisch lezen op de basisschool aan te pakken. Dat lijkt, gezien de sterke traditie in ons onderwijs om in te zetten op technisch lezen, een vanzelfsprekende koppeling, maar is dit niet. Om dit in te zien, is het handig om twee aspecten nader toe te lichten. Het ene aspect betreft de vraag waarmee de 15-jarige leerlingen moeite hebben als het om leesbegrip gaat. Het andere aspect omvat de vraag of er een relatie bestaat tussen dit lage niveau en matig of onvoldoende technisch kunnen lezen. Ik ga daar in de volgende alinea op in.

Nederlandse leerlingen zijn erg bedreven in het beantwoorden van vragen op letterlijk tekstniveau, maar hebben moeite met de meer complexe processen van leesbegrip. Het gaat dan om verbanden leggen in de tekst, de kwaliteit en geloofwaardigheid van een tekst beoordelen en kunnen reflecteren op inhoud en vorm. Helpt het nu om deze processen beter te kunnen uitvoeren als je een goede tot zeer goede technisch lezer bent? Welnu de relatie tussen technische en begrijpende leesvaardigheid is beperkt. Ik laat in dit verband de eerder door mij genoemde Van Gelderen aan het woord: “Onderzoek in het Nederlandse (speciaal) basisonderwijs laat zien dat technisch leesonderwijs effect heeft op de technische leesvaardigheid, maar effecten op de begrijpende leesvaardigheid worden niet gerapporteerd.” Nu is dit overigens geen al te opmerkelijke opvatting. Recht en Leslie lieten in 1988 al zien dat andere aspecten, zoals kennis over een onderwerp, een grotere invloed hebben op het leesbegrip dan technische leesvaardigheid.

Ik stel voor om nog even bij Van Gelderen te blijven. In zijn verklaring voor de grote aandacht voor technisch lezen in het basisonderwijs wijst hij op wat bekend staat als de ‘simple view of reading.’ Achter deze zienswijze zit het idee “dat om teksten te kunnen gebruiken toegang tot de schriftelijke code (technisch lezen) de belangrijkste hobbel is die genomen moet worden.” Van Gelderen meent dat deze zienswijze leidend is geweest bij de onderwijsinspectie en ziet deze ook terug in het werk van onder meer Vernooy. Door deze visie op leesonderwijs is het streven van veel scholen erop gericht om veel tijd en aandacht te besteden aan technisch lezen en – gezien het idee dat technisch lezen de hobbel is die moet worden genomen – minder tijd aan begrijpend lezen. En dat is, als het om leesbegrip gaat, het paard achter de wagen spannen, aldus Van Gelderen: “De nadruk moet al vrij vroeg verlegd worden van het technisch lezen naar een veel gevarieerdere aanpak (balanced literary) waarbij veel meer recht gedaan wordt aan de complexe aard van het begrijpend leesproces. Een recente meta-analyse van 13 studies naar interventies voor het begrijpend lezen van adolescente, zwakke lezers (12-18 jaar) laat zien dat het effect veel groter is als de interventies zich richten op begripsvaardigheden en leesstrategieën dan wanneer ze gericht zijn op het verklanken van woorden en het vergroten van het leestempo.”

De taalrepubliek

Daarmee is niet gezegd dat technisch lezen geen aandacht verdient. Het gaat er mij meer om in het onderwijsaanbod een balans te vinden en – en daarmee steun ik hartstochtelijk de roep tot ontkaveling – te kiezen voor een geïntegreerde aanpak van het taalonderwijs. We moeten af van de koninkrijkjes en leerlingen toegang bieden tot en een rondleiding geven door de rijke taalrepubliek. Het valt mij bij de begeleiding van teams en leraren op hoe ze in hokjes denken over taalonderwijs. Er zijn voor veel taalonderdelen methodes beschikbaar en die houden de schotten tussen de onderdelen van het taalonderwijs in stand. Binnen die hokjesgeest is technisch lezen vaak de koning. Het leidt er toe dat er te weinig aandacht is voor leesbegrip, omdat leraren en teams van leraren ervan overtuigd zijn dat je een klas vol goede technische lezer moet hebben voordat je aan leesbegrip gaat werken. En wat geldt voor het leesonderwijs, dat geldt ook voor het schrijfonderwijs. Dat is eveneens vaak een geïsoleerde activiteit in het verkavelde taallandschap. Leraren vinden bovendien dat leerlingen eerst goed moeten kunnen spellen en de regels der grammatica moeten beheersen voordat ze teksten kunnen schrijven.

Kernelementen binnen een effectieve benadering van het onderwijs in begrijpend lezen zijn het integreren van lezen en schrijven en het discussiëren over teksten. Je kunt bij het lezen van teksten zonder twijfel aandacht besteden aan de technische leesontwikkeling van leerlingen en deze monitoren, maar daar zijn teksten in de kern niet voor bedoeld. Die vragen, naast nog veel andere zaken, veelal om een reactie. Daarom zat Ambrosius stil te lezen in zijn kloostercel en daarom zaten even verderop andere monniken hardop te discussiëren over een passage uit een religieus of filosofisch werk. Daarvoor zou in school en in de klas meer ruimte en aandacht mogen en moeten zijn. Want alleen door over teksten te praten, er over te schrijven, door met elkaar in discussie te gaan en de tekst er opnieuw en herhaaldelijk bij te pakken, geven we de aandacht die teksten behoeven. En daarbij hoort ook, zo meen ik, rustig en aandachtig lezen. Dat kinderen vlot en foutloos leren lezen is prima, maar voor het begrijpen en genieten van de teksten in de taalrepubliek is dat een sleutel, nooit het slot.

Een zak geld voor de schoolleider

Een impuls van 8,5 miljard

Binnenkort komt er voor scholen 8,5 miljard euro beschikbaar. Deze grote zak geld mag in de komende 2.5 jaar worden uitgegeven om de door de coronacrisis opgelopen onderwijsachterstanden in te lopen. Over de besteding van deze gelden is discussie ontstaan. Velen in en rond het onderwijs vragen zich af of dit geld wel goed besteed zal worden. Er is zelfs een heus onderwijs-OMT opgericht om het onderwijsveld te adviseren bij de besteding van het geld, omdat zij er niet op voorhand van uitgaan dat er van dat geld ‘goede dingen worden gedaan.’

In dit blog zal ik ingaan op de vraag of de sombermannen onder ons, die twijfelen of de grote investering van de ministers Slob en Van Engelshoven de kwaliteit van het onderwijs zal verbeteren, een punt hebben. Ik zal deze vraag benaderen vanuit het perspectief van de schoolleider. Het geld gaat, zo heb ik begrepen, direct naar de scholen en schoolteams staan dus voor de keuze (en hebben de grote verantwoordelijkheid) om dit geld goed te besteden. Hierbij zal de schoolleider een belangrijke rol spelen. Bij de beantwoording van de vraag of het geld goed terechtkomt, zal ik gebruikmaken van het proefschrift van Annemarie Neeleman uit 2019: School autonomy in practice. School intervention decision-making by Dutch secondary school leaders.

Autonomie als succesfactor

Neeleman vliegt haar proefschrift aan vanuit een internationaal perspectief. Ze legt uit dat wereldwijd gezien scholen steeds meer autonomie hebben gekregen. Het idee hierachter is dat meer autonomie van scholen om eigen afwegingen en keuzes te maken zou leiden tot betere leerresultaten van de leerlingen en een doelmatiger besteding van publieke middelen. Met name onderwijssystemen met een transparante verantwoordingsstructuur presteren beter.

In Nederland hebben schoolleiders een grote mate van vrijheid bij het bepalen van het beleid. Je kunt hierbij denken aan terreinen als pedagogiek, didactiek, lesmethoden en personeelsbeleid. Volgens Neeleman hebben scholen in andere landen minder zeggenschap over bovengenoemde punten.

Het geven van meer bevoegdheden en meer verantwoordelijkheden aan schoolleiders bij het bepalen van het beleid leidt er toe dat er in toenemende mate wordt verwacht dat schoolleiders bij de beleidskeuzes die ze maken evidence informed dan wel evidence based te werk gaan. Scholen bezitten over veel interne en externe data en zouden deze kunnen dan wel moeten gebruiken bij beleidskeuzes.

Vervolgens maakt Neeleman duidelijk dat onderzoek aantoont dat interventies van de schoolleider van invloed zijn op de leerresultaten van de leerlingen. Daarbij tekent ze wel aan dat lang niet alle interventies even effectief zijn.

Keuze, motivatie, rol van onderzoek

Neeleman werkt in haar proefschrift vervolgens drie onderzoeksvragen uit. Als eerste welke interventiekeuzes schoolleiders maken. Ten tweede hoe ze deze keuzes motiveren. En ten derde welke rol onderzoek hierbij speelt. Ik zal deze drie vragen hieronder bespreken.

Als het gaat om de keuzes die schoolleiders maken inzake schoolinterventies, dan zijn er drie niveaus te onderscheiden: interventies op het niveau van het onderwijs, interventies op het organisatieniveau en interventies op het personeelsniveau. Ongeveer de helft van alle ruim 750 onderzochte interventies (op bijna 200 VO-scholen) had betrekking op het onderwijsniveau, waarbij veel aandacht ging richting pedagogische en didactische aanpakken. Ongeveer 30 % van de interventies was gericht op het niveau van de organisatie en 20 % op het personeelsniveau.

Interventies op het onderwijsniveau kwamen dus het vaakst voor. De drie meest voorkomende interventies binnen dit niveau waren de inzet van digitale leermiddelen en lesmethoden, collegiale professionaliseringsactiviteiten en differentiatie.

Neeleman heeft de interventies van de scholen vergeleken met drie toonaangevende metastudies over de effectiviteit van interventies. Het gaat om studies van Scheerens (2016), Hattie (2009) en Robinson, Hohepa en Lloyd (2009). De conclusies van Neeleman zijn streng:

  • Veel gangbare interventies in het Nederlandse VO kunnen niet direct verklaard worden uit de uitkomsten van deze toonaangevende studies;
  • En als dit wel zo is, dan hebben deze schoolinterventies een lage of zelfs negatieve effectgrootte.

In de woorden van Neeleman zelf: “Dit betekent dat van veel onderwijsinterventies die populair zijn in het Nederlandse VO op basis van de resultaten van drie belangwekkende metastudies niet verwacht mag worden dat ze tot een substantiële verhoging van de leeropbrengsten zullen leiden.”

Als het gaat om de motivatie van schoolleiders inzake de interventies die ze plegen, dan blijkt dat persoonlijke drijfveren van de schoolleider een belangrijke rol spelen. Veelal zijn de keuzes die de schoolleider maakt, zo blijkt uit interviews die Neeleman heeft afgenomen, gekoppeld aan de persoonlijke biografie van de schoolleider. Simpel gezegd: de motieven achter de interventies zijn te koppelen aan persoonlijke motieven van de schoolleider.

Schoolleiders hebben vanuit hun persoonlijke biografie een viertal drijfveren bij het vormgeven van het onderwijs op hun school: verbinden, zin geven, talentontwikkeling en het creëren van een positieve en veilige leeromgeving. Dit moet leiden tot onderwijs op maat, onderwijs dat motiverend is voor de leerlingen, hen goed voorbereidt op een toekomstige rol in een veranderende wereld en het imago van de school verbetert.

Deze motieven zijn dus gerelateerd aan persoonlijke motieven van de schoolleider. En het blijkt dat veel schoolmissies en -visies een sterke gelijkenis vertonen met de persoonlijke drijfveren van de schoolleiders. Daaruit trekt Neeleman de voorzichtige conclusie dat de persoonlijke drijfveren van schoolleiders na verloop van tijd tot uitdrukking komen in het schoolbeleid. Interventies zijn daarmee primair en vooral ingegeven door persoonlijke overwegingen van de schoolleider en niet zozeer door invloeden van buitenaf. Aanvullend merkt Neeleman op dat het verbeteren van cognitieve leeropbrengsten amper een ‘expliciete beweegreden voor hun interventiekeuzes’ is.

De derde onderzoeksvraag van Neeleman ging over de rol van onderzoek bij de interventieskeuzes van de schoolleider. Zo’n 90 % van hen gaf aan dat onderzoek een rol speelde bij de besluitvorming. Uit interviews met deze schoolleiders kwam echter een ander beeld naar voren. Enerzijds kwam Neeleman tot het inzicht dat geformaliseerde onderzoeksbronnen nauwelijks werden gebruikt en dat schoolleiders, anderzijds, een zeer liberale opvatting hanteerden over wat onderzoek nu was. Veelal behelsde het niet meer dan enkele interne vragenlijsten of feedback uit studiedagen en schoolintern praktijkonderzoek. De kloof tussen onderwijspraktijk en onderwijsonderzoek is op het niveau van de schoolleiding zeer groot, zo kan uit het proefschrift worden opgemaakt.

Schoolleiders worden dus niet zozeer gedreven door evidence informed of evidence based onderzoek. De interventiekeuzes zijn eerder gebaseerd op tacit knowledge, intuïtie en persoonlijke drijfveren, aldus Neeleman. En dit staat haaks op wat je bij de verantwoordelijkheden die komen met de hoge mate van autonomie zou mogen verwachten.

Een zak met geld voor de schoolleider

Als je het proefschrift van Neeleman leest, dan kom je eigenlijk tot geen andere conclusie dan dat schoolleiders cognitieve leeropbrengsten van ondergeschikt belang achten bij het aansturen van hun organisatie. Er is nu eenmaal het wettelijk kader waaraan moet worden voldaan. Dit is een externe factor; een factor waar door de bank genomen weinig aandacht aan wordt besteed. De schoolleiders in het onderzoek van Neeleman vinden andere elementen belangrijker en zien het verbeteren van de cognitieve leeropbrengsten niet als een motief voor de interventies die ze plegen.

Wie dit leest zal toch met enige verbazing kijken naar de grote zak geld die richting het onderwijs gaat. Om het scherp te zeggen: De kans is groot dat deze gelden zullen worden gebruikt om persoonlijke motieven van schoolleiders, die zijn vertaald naar de missie en de visie van de school, te realiseren.

Op Twitter was de oproep te lezen dat in het onderwijs-OMT ook leraren zitting moesten krijgen. Die kunnen net als de wetenschappers in dit team waarschijnlijk niet voorkomen dat het geld op scholen wordt uitgegeven aan zaken die weinig zullen doen om de achterstanden te repareren en de opbrengsten te verbeteren. Als leraren inbreng willen hebben bij de uitgave van de miljarden, dan zouden ze er goed aan doen het proefschrift van Neeleman te lezen, kijken of ze hun schoolleider in het proefschrift herkennen en – als dit zo is – zich sterk te roeren in de medezeggenschapsraad.

Als dit niet gebeurt, ben ik somber over de besteding van al dat geld. Ik vraag me in alle ernst af, gegeven het proefschrift van Neeleman, of de grote beleidsautonomie van schoolleiders in Nederland wel zo positief is als we veronderstellen. Wellicht is het verstandig om, voordat het geld naar de scholen gaat, heldere kaders te stellen waaraan het geld mag worden besteed. Daarmee zouden persoonlijke motieven van schoolleiders kunnen worden gedwarsboomd. En er zou dan ruimte komen voor een evidence informed benadering bij de besteding.

Helend lezen

Op maandag 8 februari gaan de basisscholen weer open. Er zal in de media, de politiek en in de scholen zelf aandacht zijn voor de achterstanden die leerlingen in hun ontwikkeling zouden hebben opgelopen. Er zijn diverse instanties die op basis van breed onderzoek klip en klaar laten zien dat veel leerlingen door het afstandsonderwijs minder kennen en kunnen dan zou mogen worden verwacht. Het onderwijs zou het onderwijs niet zijn als hierover door diverse partijen zeer verschillend wordt gedacht. De discussie over dit onderwerp laait in de media fel op en de vraag is of de leerling in de klas ermee is geholpen als vooral mensen die het onderwijs zelf niet hoeven te geven elkaar hierover in de haren vliegen.

In dit blogbericht blijf ik buiten die discussie en de mogelijke oplossingen voor dit probleem. Ik wil liever kijken naar het welbevinden van de leerlingen die straks weer in de bankjes zitten en door de gangen van de school struinen. Ook op dat gebied wordt de alarmklok geluid en als ik kijk naar mijn klas en luister naar de verhalen die de leerlingen mij vertellen, denk ik dat de zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerlingen terecht zijn.

We weten als leraren dat het welbevinden van onze leerlingen belangrijk is. Nederlandse kinderen mogen dan tot de gelukkigste kinderen ter wereld behoren, dit laat onverlet dat we altijd oog hebben en houden voor hoe het met ze gaat. En dat is nu, na de tweede thuisperiode, een vrij actuele kwestie. De vraag zal voor veel scholen, teams en leraren zijn hoe dit nu aan te pakken. Ik wil daartoe een eenvoudig en naar ik uit literatuur meen te mogen opmaken effectief instrument aandragen.

Voordat ik zal vertellen wat ik bedoel, wil ik even kort de context van mijn school schetsen. In het onderwijs dat wij bieden spelen boeken, verhalen, teksten en gedichten een belangrijke rol. We gebruiken ze voor kennisopbouw, zetten ze in voor het voortgezet technisch lezen (dat we vanaf groep 4 zelf maken) en gebruiken ze in veel lessen vanaf de Voorschool tot en met groep 8. Daarnaast vinden we leesplezier van groot belang. We weten als team ook dat we leven in een geletterde wereld en vinden het derhalve belangrijk om onze leerlingen goed voor te bereiden op die geletterde samenleving. Literatuur is er eerst en vooral om van te genieten. Wat is er fijner dan een spannend verhaal, een meeslepend voorleesboek of een ontroerend gedicht? En wat is er fijner dan een leraar die hiervan zelf geniet en zijn leerlingen hiervan deelgenoot maakt? Op de schouder van de leraar zit menigmaal de Griffioen uit Alice in Wonderland die, terwijl de leraar naar het rooster kijkt, zacht fluistert: ‘Nee, nee, eerst de avonturen.’

Binnen ons literatuuronderwijs voeren wij met leerlingen literaire gesprekken. Gertrud Cornelissen is gepromoveerd op onderzoek naar literaire gesprekken en zij heeft laten zien dat het praten over verhalen en boeken een prachtige en effectieve manier is om aan literaire competenties, leesplezier en leesbegrip te werken. In een ingezonden brief in NRC Handelsblad in het najaar van 2020, zei ze er het volgende over:

Toen ik in het radioprogramma De Taalstaat sprak over het samen lezen en praten over boeken, stuurde mijn vriend Onno mij een berichtje. Hij is psycholoog en wees me er op, dat in de hulpverlening het samen lezen van teksten en hierover praten een erkende therapie is. Hij gaf me als leestip het boek Samen Lezen van Jan Raes.

Welnu, Raes laat in zijn boek zien dat het samen lezen en spreken over teksten een helende, genezende werking kan hebben. De aanpak is eenvoudig. Er wordt een tekst voorgelezen. De deelnemers aan het gesprek lezen mee. Na enige tijd wordt er gestopt en worden er vragen gesteld. Dit zijn algemene vragen, als:

  • Wat is jullie bijgebleven uit dit fragment?
  • Wat doet dit fragment met jullie?
  • Is dit personage/deze situatie herkenbaar voor jullie?

Er wordt vervolgens in kleine groepjes over deze vragen gesproken. Na enige tijd rondt de gespreksleider af en leest weer verder. Bij deze gesprekken staan niet de persoonlijke problemen van de deelnemers centraal. Die zijn niet de insteek van de gesprekken. Het gaat er om dat mensen met elkaar in gesprek komen en dan, zoals Raes het noemt, hun mentaal-emotionele ruimte vergroten. Vanuit onderzoek, gekoppeld aan zijn praktijkervaring, komt Raes tot de observatie dat deze gesprekken een wereld openen voor de lezer en kunnen zorgen voor een blijvende en positieve verandering in hun denken en doen.

Over het boek valt veel te zeggen, maar dat valt buiten het kader van dit blogbericht. Het is een fijn boek om te lezen waarin Raes laat zien hoe een ogenschijnlijk eenvoudige handeling als het samen lezen zo’n grote invloed kan hebben op het welbevinden van de deelnemers. Je begrijpt dat ik het boek, in navolging van mijn vriend, ook tip.

Terug naar school en de aanstaande heropening. Ik denk dat die eenvoudige handeling van het samen lezen van teksten en hierover in gesprek gaan een prachtig middel is om na de lockdown aandacht te besteden aan het welbevinden van de leerlingen. Mijn pleidooi is om het samen lezen en samen praten over teksten op te nemen in het lesprogramma. Dagelijks. Raes laat zien – en dit weet een leraar die veel leest met zijn leerlingen – dat je niet speciaal op zoek hoeft naar teksten die inspelen op gevoelens en emoties van leerlingen. Schrijvers zijn tovenaars op papier, die met enkele woorden een hele wereld kunnen oproepen waar kinderen graag binnentreden. Als ze binnen zijn, dan komen de beelden, de gedachten en de woorden haast vanzelf. Er zijn met andere woorden, oneindig veel boeken, verhalen en teksten die je kunt gebruiken.

De leraar heeft dus een tekst, kopieert deze, deelt deze aan de leerlingen uit en terwijl hij voorleest, lezen de leerlingen mee. Zo af en toe stopt hij en stelt hij enkele vragen. Met die vragen nodigt hij leerlingen uit om met elkaar in gesprek te gaan, om elkaar te zien, naar elkaar te luisteren en te ervaren dat je over een tekstpassage andere ideeën en gedachten kunt hebben. Raes houdt in dit verband een betoog over spiegelneuronen. Prachtig, maar wij weten als leraren dat in de ontmoeting, in het luisteren naar elkaar en het contact maken met elkaar een groot verschil zit met de virtuele realiteit van de afgelopen weken. Laten we het niet te ingewikkeld maken, is mijn voorstel.

Het fijne aan voorlezen is dat het veel trager gaat dan stillezen. Het scheelt een factor zes en dat is nogal een verschil. Deze week sprak ik met mijn collega Ingrid over het verschil in de kwaliteit van een literair gesprek als leerlingen zelf een hoofdstuk hadden gelezen, of dat zij het kalm en rustig voorlas en bij sommige passages in de tekst (het ging om het boek Haaieneiland van Ruggenberg) even stopte en leerlingen de tijd gaf deze te verwerken. In de haast van de lesdag en de druk die leraren voelen om veel te doen en de kinderen veel te laten doen, is deze activiteit een baken van rust. Een activiteit die ook nog eens bevorderend is voor het welbevinden van de leerlingen.

Na afloop, zo stelt Raes voor, krijgen de deelnemers de tekst mee naar huis, zodat ze deze thuis nogmaals kunnen lezen en tijdens het herlezen weer terug kunnen denken aan het gesprek, of een andere invalshoek ontdekken en andere beelden voor zich zien.

Nu ik er over denk, vind ik eigenlijk dat maandag alle leerlingen een dik boek zouden moeten krijgen met prachtige verhalen erin. Verhalen die de leraar voorleest. Verhalen die de leerlingen meelezen en waarover ze samen praten. Verhalen die ze na afloop mogen houden en mee naar huis mogen nemen. Mocht ik zo’n boek samenstellen, dan zou in mijn boek zeker een hoofdstuk uit En toen kwam Sam van Edward van de Vendel zitten. En een hoofdstuk uit Lucas in de sneeuw van Koos Meinderts. En altijd, ja altijd, zou het eerste hoofdstuk uit De reis van Yarim van Hans Hagen in dat boek zitten. Dat hoofdstuk is het eerste verhaal dat ik volgende week met mijn leerlingen ga lezen en waarover ik met ze ga praten. Met welk verhaal begin jij?

Ik stel voor dat we vanaf maandag in rust en kalmte lezen, praten en herlezen. Dat we dus helend lezen in bijzondere tijden. Het zal de leerlingen goed doen.

Een motie van vloeipapier

We gingen eens, een stel Texelse blagen die elkaar kenden van hun bijbaantje in een supermarkt, een week naar Center Parks. Het liep, je had niet anders verwacht, uit de hand. Er gingen zaken kapot, waaronder reputaties, neuzen én een witte binnendeur. In die deur zat een flink gat. Er vloog iets door de kamer – een lege bierfles? – en de deur was het eindpunt van het projectiel. Om het gat te repareren, vulden we dit met toiletpapier, streken het glad en dekten het tenslotte af met vloeipapier. Vervolgens leverden we de sleutel van het huisje in en gingen er fluks vandoor. Nooit meer iets van gehoord.

Het Nederlandse onderwijs kampt met een aantal problemen. Een daarvan is het lerarentekort. Dat tekort is zowel kwalitatief als kwantitatief. Laten we dat kwantitatieve tekort eens nader beschouwen en het zien als het gat in de deur van het Center Parks-huisje.

De interessante vraag is wie de veroorzaker van het gat is. Ik was het niet. Ik zag het flesje vliegen, ik hoorde de klap, maar ik was niet degene die het projectiel door het huisje slingerde. Ik wil best de schuldigen aanwijzen, maar dat hoeft niet. Dat zijn namelijk de mensen die nu zo hard hun best doen om het gat te dichten. Van een afstandje ziet het er aardig uit, maar als je dichterbij gaat, dan zie je dat het ouderwets lapwerk is.

Vooraan staan twee politici. Het zijn de heren Rog (CDA, thans wethouder te Haarlem) en Heerema (VVD, lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal). Zij zien een oplossing voor het gat door differentiatie in de pabo-opleiding. Zij dienden daartoe in november 2019 een motie in. Die motie – het vloeipapiertje – staat hieronder:

Het is een rare motie. Het meest rare aan het voorstel is wat mij betreft de veronderstelling dat toekomstige leraren bepaalde kennis die je als minimale basis zou beschouwen voor een professional in een schoolorganisatie helemaal niet hoeven te hebben. Als je leraar in groep 1/2 wilt worden (let op de term ‘kleuterleraren’ in de motie – alsof dit een aparte categorie is), dan hoef je – om het maar even concreet te maken – niet te weten wat plaattektoniek is of wat de kenmerken zijn van een woestijnklimaat. Los van het feit dat ik zou willen dat elke volwassen Nederlander dit weet, wil ik een leraar die dit niet of nauwelijks weet liever niet als collega. Bovendien is het onjuist om te denken dat een leraar in groep 1/2 dit niet zou hoeven weten. Reken er maar op dat in groep 1/2 onderwerpen langskomen die kennis behoeven die Rog en Heerema bij het grofvuil zetten in hun motie. Stuur een leerling maar eens op zaterdag naar Artis en laat hem maandag in de vertelkring aan het woord. Die gaat dan vertellen over de axolotl en heeft ook nog een stapel vragen over het dier.

De motie Van Heerema en Rog biedt studenten de mogelijkheid om na vmbo-k en mbo gemakkelijker door te stromen naar de pabo. Die route moeten we wat mij betreft eens en voor altijd afsluiten. Het is niet uitgesloten dat er in deze groep iemand zit die veel potentie heeft, maar door de bank genomen zijn dit geen toekomstige leraren voor het onderwijs. Politici roepen dat het onderwijs beter moet, ze roepen dit dag in dag uit. Maar het is nogal stupide om te denken dat je dit kunt bereiken met leraren die aan het eind van groep 8 niet bepaald uitblonken in lezen, rekenen en kennis van de wereld. De veronderstelling dat ze dit in het vmbo en mbo hebben bijgetrokken is lachwekkend. Willen we er iets van maken, dan hebben we goede vwo-ers nodig en de allerbeste havisten. Hiermee zijn we aanbeland bij een bekende politieke truc; een truc die ook achter deze motie zit. Dat is het vloeipapiertje. Het lijkt erop alsof een groot probleem – het lerarentekort – door de motie op een adequate wijze wordt aangepakt. Ammehoela. Een aparte opleiding, met aangepaste eisen, zal wellicht zorgen voor toestroom van studenten en op termijn wellicht iets doen aan het lerarentekort, maar daarmee is niet gezegd dat de kwaliteit (een minstens zo groot probleem) beter wordt. Ik durf te beweren dat met de uitvoering van deze motie het kwalitatieve tekort ernstig zal toenemen.

Als er ergens iets te winnen valt, dan is het in de onderbouw van de basisschool. Leraren in de midden- en bovenbouw weten dat in de groepen 1 t/m 3 de grootste slagen worden geslagen als het gaat om leren en ontwikkelen. Daar wil je leraren hebben die over die twee aspecten van het vak veel kennis hebben én weten waar naartoe wordt gewerkt. Daar zet je goede, goed opgeleide en verstandige leraren neer. Maar politici denken daar anders over. Die denken blijkbaar, zo constateerde mijn collega Eva (expert-leraar in 1/2), dat er andere bevoegdheden en kwalificaties kunnen zijn om aan jonge kinderen les te mogen geven. Ze verwoordt dit als volgt:

Lesgeven aan het jonge kind moet je niet zien als een apart vak. Jonge kinderen leren wezenlijk niet heel anders dan oudere kinderen. Bovendien leg je bij jonge kinderen juist de zeer belangrijke basis die nodig is voor de rest van het basisonderwijs. Groep 1/2 hoort echt bij het basisonderwijs. Eigenlijk zou zelfs de voorschool bij het basisonderwijs moeten worden getrokken, met alleen maar HBO geschoolde mensen (of hoger). Als we die kans om te leren bij het jonge kind laten liggen, veroorzaak je juist meer kansenongelijkheid. En bij te weinig kennis over een doorlopende leerlijn kunnen er gaten ontstaan in die doorgaande lijn. De basisschool is één geheel, leerlingen hebben veel profijt van dezelfde visie op onderwijs binnen een school. Overgang van 1/2 naar de middenbouw is dan nog groter (voelt meer als de overgang van basisonderwijs naar VO).

Een andere vraag is of je in een basisschool, waar je onderwijs geeft in een doorgaande lijn en intensief met elkaar samenwerkt, zou willen dat je collega’s hebt die weinig tot niets afweten van wat er in de hogere of lagere groepen gebeurt. Eva neemt dat aspect hierboven al mee. Scholen die uitblinken, werken vanuit een gedeelde visie op leren en leren organiseren en die twee aspecten zitten in de haarvaten van de organisatie. Daarvoor is kennis van doorgaande leerlijnen, intensieve samenwerking en een gezamenlijke kennisbasis voorwaardelijk.

Onder de oppervlakte van het vloeipapier van de motie zit voorts nog de notie dat jonge kinderen anders zouden leren dan oudere kinderen. Het is een poging om de loopgravenoorlog over spelend leren en directe instructie te beslechten in het voordeel van de eerste. Wie Rog heeft gevolgd in zijn politieke carrière weet dat zijn opvatting over onderwijs aan jonge kinderen aansluit bij die eerste visie. Bij hem is het geduldig wachten op rijpheid. Als dat terugkomt in het onderwijs, dan zijn veel kinderen de klos.

Overigens werd de motie, het vloeipapiertje, niet louter door de twee blagen op de deuren van de scholen en opleidingen gespijkerd. Ze kregen steun alom. Kijk maar.

Leraren weten ondertussen wel dat politici weinig van onderwijs weten en beleid bedenken dat belemmerend is voor het onderwijs, het vakmanschap en de positie van de leraar. Politici hebben eigen agenda’s, voorkeuren en overtuigingen. Dat geldt evenzeer voor ambtenaren. Het omzetten van die agenda’s etc. in beleid is in de praktijk vaak rampzalig gebleken. Maar het probleem is dat leraren veelal niet in staat blijken om die politici en ambtenaren aan de leibanden van redelijkheid, wenselijkheid en uitvoerbaarheid (Dijsselbloem) te leggen. Politici maken gemene zaak met het onderwijs en komen ermee weg.

Laten we ze in dit geval maar even een halt toeroepen. Ik zal het voorbeeld geven: ik zal zo’n leraar, met een andere bevoegdheid en toegelaten tot de opleiding op basis van aangepaste eisen en minder kennis, niet accepteren als collega. Die komt simpelweg mijn school niet in.

Rustig aan

Praten leraren in de klas te veel of praten leraren door de bank genomen te snel? Dat is een van de interessante kwesties die Jamie Thom bespreekt in zijn boek Slow Teaching. On finding calm, clarity and impact in the classroom. Thom behandelt in zijn boek diverse aspecten van het lesgeven en benadrukt het belang van kalmte en duidelijkheid als onderdelen van het vakmanschap van de leraar. Zijn opvattingen over lesgeven zijn gestoeld op zijn eigen ervaringen, alsmede op diverse onderzoeken en op publicaties van collega’s.

Op 14 december 2020 sprak premier Mark Rutte ons land toe via radio en televisie. Hij kondigde diverse maatregelen aan die zouden moeten bijdragen aan de indamming van het coronavirus. Tijdens persconferenties over dit onderwerp eerder dit jaar, gebruikte de premier nogal wat vergelijkingen en metaforen om de gang van zaken rondom de indamming van het virus inzichtelijk te maken. In de toespraak waren ze afwezig; de minister-president sprak klare taal. Ik houd van beeldend taalgebruik, maar ik kan me voorstellen dat wanneer je de Nederlandse taal niet goed machtig bent je tijdens het luisteren afhaakt, omdat je geen chocolade kunt maken van de informatie die wordt gedeeld. Rutte had geleerd van de kritiek op die persconferenties, die luidde dat het taalgebruik onvoldoende helder was. Bij die persco’s viel me ook op, dat Rutte er stevig de pas in hield. Hij sprak, maar dit geldt ook voor zijn collega Hugo de Jonge, de verzamelde journalisten en de kijkers thuis in een hoog tempo toe. In de toespraak van de 14e lag het tempo een stuk lager. Ik heb enkele stukjes getimed en kwam tot een woordgemiddelde van ongeveer honderd woorden per minuut. Dat nu lijkt me geen toeval.

Thom vertelt in zijn boek dat in een van de bekendste toespraken uit de vorige eeuw, de I have a dream-toespraak van dominee Martin Luther King, de spreeksnelheid ook rond die honderd woorden per minuut ligt. Dat is blijkbaar een goed tempo om je boodschap helder, duidelijk en begrijpelijk over het voetlicht te brengen. En alhoewel Rutte gestoord werd door enkele demonstranten die met pannen en deksels een pandemonium trachtten te organiseren – het leidde op zijn minst af – kwam de boodschap van Rutte, mede door het kalme tempo, luid en duidelijk over.

Dit gegeven nu is interessant voor het onderwijs. Thom laat zien dat leraren niet minder zouden moeten praten – er is namelijk genoeg te zeggen voor een leraar die uitlegt, instrueert, hardopdenkend voordoet, etc. en daardoor veel aan het woord is – maar dat het spreektempo van diezelfde leraar vaak te hoog ligt. Als een leraar te snel spreekt, dan is wat hij vertelt voor leerlingen moeilijk te volgen. In het hoofdstuk ‘Effective Teacher Talk’ haalt Thom de schrijver en filosoof Seneca aan, die eens heeft gezegd dat je langzaam moet spreken. Dit nu staat haaks op de vlotheid waarmee mensen op bijvoorbeeld radio en televisie spreken. De gemiddelde snelheid om ons heen ligt nogal hoog, maar het is voor leraren toch echt raadzaam, zo betoogt Thom, om in een rustig en kalm tempo te spreken.

Spreektempo is een van vele aspecten over lesgeven die Thom in zijn boek bespreekt. Het is een alleraardigst en interessant boek om te lezen en te gebruiken om te reflecteren op je eigen lespraktijk. Want laat ik eerlijk zijn: toen ik deze passage over spreeksnelheid las, vroeg ik me af of ik wel de tijd neem om iets rustig te vertellen en uit te leggen, of dat ik me laat opjagen door de klok en het volle programma.

Zoals gezegd bevat het boek veel interessante punten over het ambacht van onderwijzen. Ik zal in het vervolg van dit blog enkele van deze aspecten toelichten, om te laten zien dat een begrip als Slow Teaching een flinke reikwijdte heeft en, nogmaals, dat het boek behulpzaam kan zijn bij het reflecteren op de eigen lespraktijk.

Neem nu de gejaagdheid die leraren voelen als het gaat om het lesgeven. Ik noemde het hierboven al kort. Er moet zo veel en er is maar weinig tijd, zo verzucht menig leraar. Thom laat zien dat dit te maken kan hebben met een gebrek aan overzicht van het curriculum en de bijbehorende leerlijnen. Thom omschrijft lesgeven als de laatste trap van een drietrapsraket. Stel dat een land een nationaal curriculum hanteert. Dit nationale curriculum, waarin specifiek staat beschreven wat leerlingen moeten kennen en kunnen na een of meerdere jaren onderwijs, wordt meestentijds vertaald naar lessen en opdrachten die in diverse leerboeken en methodes staan beschreven. Deze worden vervolgens door de leraar omgezet naar de lespraktijk. Thom geeft aan dat het vanuit dit oogpunt verstandig is om aan het begin van het jaar een planning te maken en te bepalen wat wanneer wordt aangeboden. Zo’n overzicht van het jaarprogramma geeft houvast en richting. Het biedt ook rust en duidelijkheid. Als je dit gegeven vertaalt naar de Nederlandse situatie, dan is het raadzaam om als leraar (of als team van leraren) de methodes die we gebruiken in het basisonderwijs eens met de leerlijnen te vergelijken. De conclusie is dan regelmatig dat lesstof die in de methode is aangeboden niet past binnen de leerlijnen of in zijn geheel niet aangeboden hoeft te worden. Maar ook kun je door het maken van zo’n planning en door het kijken naar de methode en de leerlijnen leren dat de stappen die leerlingen zetten in hun ontwikkeling niet zo groot zijn als we weleens veronderstellen. Thom vindt zo’n planning essentieel. Anders wordt een schooljaar ‘a process of mindless teaching’, zo schrijft hij. Zo’n planning helpt om rustig en bewust de lessen te kiezen die door de leraar worden voorbereid en gegeven. Het is, met andere andere woorden, het tegenovergestelde van activiteitengericht onderwijs, waarin veel wordt gedaan, maar waarbij het maar de vraag is of het doelgericht en coherent is.

Een ander aspect dat Thom uitwerkt in zijn boek is de relatie tussen leraar en leerling en de wijze waarop je als leraar in en voor de klas staat. Er is hierover al veel bekend en de meeste leraren weten ook dat een goede relatie met de leerlingen essentieel is om mooi en goed onderwijs te kunnen verzorgen. Om deze relatie op te bouwen is tijd en aandacht nodig. En ook vaak veel geduld. En binnen dat proces is het raadzaam om na te denken over je eigen rol en houding. Thom stelt klip en klaar dat de houding en de rol van de leraar in de klas het klimaat in de groep bepalen. Wie je bent en wat je doet bepaalt voor een belangrijk deel de sfeer in de klas. Wie bekend is met pedagogische tact weet hoe juist dit is.

De leraar is derhalve een model en dat betekent ook iets voor zijn lesgeven, aldus Thom. Hij vertelt in zijn boek dat het hem lukte om de tegels te zetten in zijn verbouwde badkamer, omdat zijn zwager (een ervaren en handige doe-het-zelver) het hem nauwkeurig uitlegde en hierbij goede voorbeelden gaf. Thom meent nu, dat we in het onderwijs te snel denken dat leerlingen iets wel zelfstandig kunnen. Een goede, stapsgewijze uitleg met uitgewerkte voorbeelden, bijvoorbeeld over hoe je een som oplost of een taalkundige kwestie het hoofd biedt, is essentieel. Dit punt is en blijft in het onderwijs actueel, omdat hierover toch echt verschillend wordt gedacht. Naast het feit dat er in Nederland veel zelfstandig wordt gewerkt door leerlingen, speelt ook visie op onderwijs een rol. Wat Thom nu laat zien, en waarbij hij leunt op het werk van Rosenshine, Mccrea en Christodoulou, is dat de leraar als expert toch echt zijn rol moet pakken. Een leraar neemt tijd en geeft tijd om ervoor te zorgen dat leerlingen begrijpen wat ze moeten doen en hoe ze dit moeten doen. Je kunt dit heel eenvoudig toepassen – iets wat Thom doet – bij het schrijven van teksten. Je kunt wel vijf kenmerken noemen die leerlingen in een tekst moeten verwerken – denk hierbij aan stijlfiguren, voegwoorden, etc. – maar veel leerlingen vinden het moeilijk om dit vervolgens daadwerkelijk te doen. Ik zat eens achterin een Londense klas waar de lerares, miss Rodin, haar leerlingen meenam in het toneelstuk MacBeth van Shakespeare. Ze liet ze vervolgens een essay schrijven. Ze had hiervoor succescriteria opgesteld en gaf de leerlingen ook een uitgewerkt voorbeeld dat ze zelf had geschreven. Deze twee zaken, succescriteria en voorbeeld, gaven de leerlingen, die pas 15 jaar oud waren, genoeg houvast en richting om zelf een lange, goedlopende en coherente tekst over MacBeth te schrijven. Het was fascinerend om te zien hoe eenvoudige interventies het leren van de leerlingen ondersteunen.

Dit voorbeeld bij een onderwerp uit het boek van Thom geeft aan dat we als leraren de tijd moeten nemen om ervoor te zorgen dat onze leerlingen goed werk leveren. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Thom het werk van Ron Berger aanhaalt. Deze heeft in An Ethic of Excellence het belang van goed werk en goede voorbeelden – en daarmee goed vakmanschap – prachtig opgeschreven.

En daarmee zijn we bij de kern van Thoms boek aanbeland. Het boek is een zorgvuldig opgebouwd pleidooi voor vakmanschap. En om dat vakmanschap op te bouwen zijn geduld en rust nodig, gekoppeld aan het besef dat het veel tijd kost om een goede vakman te worden. Een boek als dit van Thom zorgt ervoor, dat je stilstaat bij je eigen praktijk en nadenkt over de elementen van het vakmanschap die hij bespreekt. Het zijn er veel, variërend van stemvolume, spreektempo, vakinhoudelijke kennis, het opbouwen van lessen en goed leesonderwijs tot en met het omgaan met werkstress. Maar dat is geen probleem. Je kunt de hoofdstukken ook los van elkaar lezen. Het is, kortom, een erg fijn boek dat je na lezing nog graag en wellicht ook veelvuldig zult raadplegen.

Houd het kort, aub.

Ze heeft een eigen ‘methode’ gemaakt. De schoolleider en de bestuurder snorren tevreden. Dat is vakmanschap. Ze zegt dat de leerlingen de teksten te lang vonden. Ze haken af, die leerlingen. Ze heeft iets anders gemaakt.

Zelf.

Haar collega een paar straten verderop doet hetzelfde, maar dan anders. Die zet die gasten achter wat nietszeggende vragen en opdrachten van Nieuwsbegrip. Daarna kunnen ze lekker gamen. Ze zijn al afgehaakt voordat ze de kans krijgen om te klagen dat de teksten en te vragen toch echt…

Laat ik het kort houden over Klassen, deel 2. Anders haken jullie wellicht af. Mijn teksten zijn al snel te lang. Ik weet dat gerust.

Laten we beginnen.

Dit weekend trokken mijn collega’s op Twitter en omstreken van leer tegen de mij geheel onbekende Rosa Gerlach, die in een stuk onder meer dit zei over het onderwijs:

We voelen tot in onze botten dat het huidige onderwijssysteem geen recht doet aan kinderen en leerkrachten.

Dat was natuurlijk dikke foei, want durf als buitenstaander iets te zeggen over ons onderwijs. Nee, laat dat maar over aan de vaklui die zich dag in dag uit inzetten voor het beste onderwijs voor alle leerlingen in Nederland.

Als we dat hebben gedaan, dat dag en nacht inzetten, dan mag Snappet bepalen wat het advies wordt.

Maar dat is logisch.

Ondertussen wordt de schoolleider gemasseerd door de bestuurder. De bestuurder schootkruipt bij de wethouder. De wethouder achterbankklaagt in de dienstauto over weer een categoraal-vwo voor de bakfietsouders.

En dat ze dus beiden, die schoolleider en bestuurder dus, knikken en tevreden kijken als de leraar zegt dat die armzalige, korte, lege en nietszeggende teksten uit de methodes voor de zaakvakken een brug te ver zijn. Dat is dat ‘dag en nacht inzetten’ ten voeten uit. Beter wordt het niet, hoor.

Ze zijn te lang die teksten. Ik doe ze weg. Doe je mee? Ja, ik doe mee! IK DOE MEE! Flikker al die boeken, met die teksten, die woorden, die verbanden tussen woorden, zinnen en tekstdelen maar weg.

Ik zou het kort houden.

Ik zal het kort houden.

Voor al die professionals die al die buitenstaanders buiten willen houden en willen neusdekselen:

Als je naar twee uitzendingen van Klassen hebt gekeken, dan kun je mensen als Gerlach (en Boonstra en Postma) maar beter een stuk serieuzer nemen. We laten zelf – van bestuurder via schoolleider tot aan de leraar – in deze serie ons eigen failliet zien. Als we niets beters hebben te bieden, dan kunnen we maar beter stil zijn.

Of de tent sluiten.

Als dit stukje te lang was, dan bied ik hiervoor mijn oprechte excuses aan.

Kijkpijn

Ik heb deze week twee keer gekeken naar de eerste aflevering van de documentairereeks Klassen. En ik denk dat het bij aflevering 1 blijft. De reeks gaat over kansenongelijkheid en volgt een aantal leerlingen aan het eind van de basisschool en in de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Ik kreeg twee keer buikpijn tijdens het kijken.

In het Nederlandse onderwijs wordt over van alles gesproken, maar de kwaliteit van de vakmensen die dit onderwijs vorm en inhoud moeten geven wordt onbesproken gelaten. In het verleden, toen mijn toon op Twitter nog wat cynischer was dan nu, heb ik eens gevraagd of met de salarisverhoging van leraren in het basisonderwijs ook de kwaliteit omhoog zou gaan. Zoals ik nu overigens aan leraren die een petitie voor klassenverkleining hebben ondertekend vraag of dat de kwaliteit van het onderwijs zal verbeteren.

Het antwoord laat zich raden. We praten over veel, van werkdruk tot scholingsgelden, maar zelden over de kern van ons beroep. De kwaliteit van de professional is in het Nederlandse onderwijs de olifant in de kamer.

Ik kreeg op mijn school eens bezoek van een bestuurder. Deze was uit een kleine stad op zo’n 95 kilometer van Amsterdam in zijn auto naar Wittenburg komen tuffen om te klagen over het niveau van zijn directeuren. Niet veel later trapte ik een stukje op met een schoolleider die ik redelijk wel kende. Deze nu was tevreden over de school waar zij werkzaam was, maar klaagde over de kwaliteit van meerdere leraren op haar school. Een aantal kon er maar weinig van, zo sprak zij.

In beide gevallen vroeg ik me af wat ze er vanuit hun functie en verantwoordelijkheid aan deden. Ik vroeg het de bestuurder. Ik vertelde hem dat van mij als leraar verwacht wordt dat ik de leerlingen in mijn klas help en ondersteun om zichzelf verder te ontwikkelen. Als teamleider help ik mijn collega’s hun vakmanschap te ontwikkelen en dat doen zij op hun beurt met dat van mij. Ik breng klassenbezoeken en ontvang mijn collega’s in mijn klas. Er is namelijk altijd nog wel iets te leren en te ontwikkelen.

Dat zou een directeur dus met zijn leraren en een bestuurder met zijn schoolleiders moeten doen, namelijk deze helpen zich verder te ontwikkelen en beter te worden. Een vakman wordt niet geboren, maar in de praktijk gemaakt. Dat vraagt om zorg, aandacht en beleid. Dat vraagt om een jarenlange inspanning vanuit een heldere kijk op kwaliteit.

Ik heb na de documentaire met veel leraren, zowel in het po als vo, gesproken over het vakmanschap dat in dit eerste deel te zien was. De conclusie uit die gesprekken is helder: dat vakmanschap ontbreekt veelal, zowel in de klassen als in de organisatie. Leerlingen in de ogen kijken en op basis daarvan een opvatting hebben over wat zo’n leerling kan of plompverloren tegen leerlingen zeggen dat ze op hun computer een lesje over overstromingen in Venetië moeten maken, doet je hart bloeden. En dat zijn maar twee voorbeelden uit een reeks.

En wat deze leraren me verder vertelden – en wat ik onderschrijf vanuit de observaties die ik zelf heb mogen doen in klassen op diverse scholen – is dat het op veel scholen zo gaat. En dat is onder de maat. Het kan niet, het mag niet; het is gewoonweg onvoldoende.

En weet je wat? Er is niemand die het zegt. Ik vind het ook lastig om dit op te schrijven. Het valt niet mee om iets te zeggen over een vak waarvan ik weet dat het een zeer moeilijk beroep is. Maar als je naar de uitzending kijkt, dan krijg je een antwoord op de vraag waarom de leesvaardigheid in Nederland zo onder druk staat, om maar iets te noemen. Het valt en staat toch echt bij goed onderwijs, gegeven door vakmensen in een professionele organisatie. Het probleem is veelal de kwaliteit van de school, de kwaliteit van de leiding en de kwaliteit van de leraar voor de klas.

Er zijn scholen, er zijn teams en er zijn in die teams leraren die wel het verschil weten te maken. Scholen die leerlingen op een hoger plan weten te tillen. Ik heb er in de afgelopen jaren meerdere bezocht. Daar zie en ervaar je wat vakmanschap is en hoe dit wordt ontwikkeld. Kom dus niet aan met de opmerking dat het niet kan. Het kan en het wordt gedaan.

Ik heb van een van mijn leermeesters geleerd dat ‘je door roeien en ruiten moet gaan’ voor je leerlingen. Dat kan alleen gedaan worden door vaklui. Die vaklui zijn nodig. Die vaklui worden niet geboren, maar gemaakt. We zouden in het onderwijs eens het gesprek moeten voeren over hoe we dat vakmanschap kunnen verbeteren. En denk daarbij aan Richard Sennett, die keek naar vakmensen en de hoopvolle conclusie trok dat bijna iedereen een goed vakman kan worden. Daar moeten we gezamenlijk aan werken. En als we dat voor elkaar hebben, pas dan, dan kunnen we eens kijken naar salaris en klassengrootte.

First things first, zou ik zeggen.