Week 4: Herhalen

Vliegende kopjes

Elk schooljaar til ik wel een stoel op die ik vervolgens rustig laat balanceren op mijn kin. Ik doe dat altijd als de leerlingen rustig aan het werk zijn, maar waarbij ik als leraar aanvoel dat het moment van onrust nadert. Als ik even de stilte breek, dan kunnen mijn leerlingen daarna weer vrolijk verder.

Althans, dat denk ik.

Dat balanceren van zo’n stoel op mijn kin is voor mij niet zo moeilijk, want mijn onderkaak is gemaakt voor dit soort strapatsen. Als ik met zo’n stoel op mijn kin voor de klas sta, dan ontvang ik van de leerlingen meestal wel een bescheiden applausje. Als de stilte is weergekeerd, is het voor mij het moment om te vertellen hoe ik ruim 30 jaar geleden mijn geld verdiende als acrobaat in het circus. Ik plaatste, zo vertel ik mijn leerlingen, een metalen buis van 2,5 meter op mijn kin. Op het uiteinde van die buis zat mijn broer, veel kleiner en veel lichter in gewicht dan ik, die vanuit de hoogte zwaaide naar het publiek. Het was een van de vele acrobatische trucs die mijn broer en ik op ons repertoire hadden staan.

Een andere truc in mijn repertoire is die van het niet-gegooide kopje. In mijn linkerhand houd ik een leeg koffiekopje vast, terwijl ik met mijn rechterhand een leerling aanwijs die het kopje gaat koppen. Het zijn immers de lokale koffiekopjeskopkampioenschappen en de winnaar van vorig jaar heeft ondertussen onze school verlaten. Met een klein deukje in het voorhoofd. Dat wel. Ik tel af en slinger als een ervaren pitcher het kopje richting het hoofd van de leerling. Nou ja, ik maak de beweging. Het kopje verlaat wel mijn hand, maar beweegt zich verticaal richting het plafond van de klas; de leerling komt met de schrik vrij.

Hoe doet u dat, meester?

Altijd dezelfde vraag.

Oefenen

Het antwoord is heel eenvoudig.: door veel en vaak te oefenen. Ik heb dat als kind eindeloos gedaan. Neem nu jongleren. Je wordt niet op een dag wakker met magische handen die jongleerballetjes soepeltjes omhoog gooien en weer opvangen. Jongleren leer je stapsgewijs. Eerst met één bal, dan twee en als dat eenmaal goed gaat, pak je er een derde bij. Na de derde ben ik overigens gestopt. Dat trucje met het kopje fascineerde me veel meer.

In de eerste weken is er, naast de momenten van de stoel op de kin en het koffiekopjeskoppen, ook een ogenblik waarin ik als leraar uitleg wat het belang van oefening en herhaling is. Ik ken bijna geen volwassene die niet onderschat hoeveel en hoevaak hij of zij heeft moeten oefenen om iets onder de knie te krijgen. De weg naar de beheersing is lang en lastig, maar het meeste van die reis vergeten we. Onderwijs bestaat voor een groot deel uit oefenen en herhalen. John Medina schreef in een van zijn boeken over het belang van herhalen en het inplannen van tijd om dit te doen: Repeat to remember and remember to repeat.

Oefenen is niet sexy. Oefenen is hard werken en stug volhouden. Neem nu de tafels van vermenigvuldiging en van delen. Die krijg je alleen maar onder de knie door ze veel en vaak te oefenen en door dat oefenen te herhalen. Hoe je het doet, dat doet er minder toe dan dat je het doet. Ik zat in het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw in een grote klas. Bij juffrouw Hazewinkel en meester Van Empel werden de tafels gestampt. Klassikaal. Allemaal tegelijk en lekker luid. Heerlijk vond ik dat. Na het avondeten herhaalde mijn moeder de tafels met mij tijdens het afwassen. We hadden geen afwasmachine en tijdens het drogen van de borden ramde mijn moeder er nog snel een paar tafels doorheen. Ook klokkijken oefenden wij tijdens het afwassen. Ik heb van dat oefenen veel profijt gehad. Dat houd ik mijn leerlingen voor. Leuk was het lang niet altijd, maar het hielp wel.

Staten en hoofdsteden

Er zijn tal van redenen om zaken uit je hoofd te leren. Een daarvan is dat het leuk is om veel te weten. Zo hadden D. en ik afgesproken om van alle Amerikaanse staten de naam en de hoofdstad te leren. Hij zat bij mij in groep 7 en later in groep 8 en was zo dyslectisch dat hij zijn eigen naam zelfs fout schreef. Maar hij had net als ik een grote belangstelling voor nutteloze kennis. We overhoorden elkaar stiekem als de andere leerlingen over hun taken gebogen zaten. Hij schuifelde langs mijn tafel en zei dan “Idaho.” Waarop ik dan antwoordde: “Boise.” Of ik zei “Austin” waarop hij de naam van de Lone Star State vlekkeloos oplepelde.

Maar goed, dat zijn leuke spelletjes. Er zijn natuurlijk andere redenen waarom we leerlingen kennis van binnen en buiten willen laten leren. Als je de tafels kent, dan komt die kennis je goed van pas als je een complexe som moet oplossen. Als je weet dat het land Zuid-Afrika op het zuidelijk halfrond ligt, dan kun je die kennis gebruiken om te begrijpen dat het daar nu – september 2019 – voorjaar wordt. Je hebt kennis nodig om relaties te kunnen leggen en om ontwikkelingen te begrijpen, om maar iets te noemen. Als je weinig hebt opgeslagen in je langetermijngeheugen dan kan alles een verrassing zijn, denk ik weleens.

Misconcepties

740aa1f79bac5ebb964fafee778e4d88En vergeet niet dat wij als leraren dagelijks te maken hebben met misconcepties bij onze leerlingen. Die misconcepties moeten we wegpoetsen en daar is kennis voor nodig; kennis die beklijft. Een voorbeeld: Afrika. De misconcepties bij leerlingen over dit immense werelddeel zijn legio. Zo denken veel leerlingen dat Afrika een land is, dat Afrika één klimaat heeft (‘Tropisch, meester’), dat de begroeiing derhalve overal eender is en dat alle mensen daar arm zijn en worden belaagd door wilde dieren.

Wie wel eens een tijdje heeft lesgegeven weet dat het tijd en inspanning kost om de juiste kennis bij leerlingen aan te brengen. Als je eenmaal weet hoe groot Afrika is – daar hebben veel leerlingen geen enkel benul van – dan kun je langzaam leren begrijpen dat dit werelddeel een enorme diversiteit herbergt. En vergeet ook niet dat je bij de uitleg over die diversiteit dingen uitlegt die tegen de intuïtie van leerlingen ingaat. Zo vertelde ik dat ik vorige zomervakantie in Zuid-Afrika was. Ik sloot mijn vakantie aldaar af in de Drakensbergen. Daar lag sneeuw en ik maakte met handschoenen en een dikke jas aan een prachtige wandeling door ruig landschap. Dat het op het zuidelijk halfrond winter is als het bij ons zomer is, is iets wat leerlingen maar lastig begrijpen en onthouden. We moeten die kennis over Afrika herhalen en later verdiepen om de strijd met de misconcepties te winnen.

Valkuilen

Ik denk weleens dat we te lichtvaardig denken over oefenen. Het geldt wellicht minder voor rekenen of spelling, maar zeker voor wat we de zaakvakken noemen gaan we er te gemakkelijk van uit dat wat is verteld of gelezen ook wordt onthouden. Dat is niet zo. Ik kan hier een eindeloze rij onderzoeken en grafieken aanhalen en je meenemen in het werk van Ebbinghaus, maar je hebt als student op de pabo iets geleerd over ordinale en kardinale getallen. Leg maar uit.

Een niet geringe valkuil bij het aanleren en inoefenen van die kennis en vaardigheden is de overtuiging dat het sommige leerlingen nu eenmaal niet is gegeven om, bijvoorbeeld, goed te leren lezen of de grammatica van onze taal van buiten te leren kennen. Ik zat als leerling in de zesde klas precies in het midden van de klas. Vooraan zaten de leerlingen die naar havo en vwo gingen. Achterin zaten de leerlingen die uitstroomden naar lts en huishoudschool. Ik ging naar de mavo. Daar was en is niets mis mee, maar het was wel zo dat de leerlingen op de achterste rijen minder aandacht en minder lesstof kregen. Grammatica kregen ze niet. Mijn beste vriend Erik, advies LTS, hoefde zich nooit te buigen over de bijwoordelijke bepaling, om maar iets te noemen. Die mocht als wij zinnen ontleedden tekenen.

De valkuil van het laten voor wat het is, hangt dagelijks boven het onderwijs. Dat is menselijk hoor, daar gaat het niet om. Maar het is wel fijn als je in de smiezen hebt dat je in die valkuil kunt trappen. Ik zie veel heil in veel en doelgericht oefenen. Dat geldt voor alle vakken, maar lezen nog het meest. Ik denk dat laaggeletterdheid onder meer wordt veroorzaakt door te weinig tijd en aandacht voor lezen. Als je als school toch differentieert, dan vooral in tijd. Er zijn leerlingen die gewoonweg meer tijd nodig hebben om goede lezers te worden. Je intervenieert vroeg, verlengt de leertijd en houdt in de smiezen of de ontwikkeling op gang komt. Dit zou, samen met goede instructie van vakbekwame leraren, echt kunnen helpen om de laaggeletterdheid te bestrijden.

Laat ik tot slot van deze week teruggaan naar mijn moeder en het afwassen. Ik kreeg van mijn moeder verlengde leertijd. Zij zorgde er mede voor dat wat moest beklijven ook echt een vaste plek kreeg in mijn geheugen. Ik ben haar daar nog steeds dankbaar voor. Maar in de kern blijft het oefenen en het herhalen een taak van school. Het succes van alle bijlesbureautjes zit ‘m niet in een vooruitstrevende didactiek of unieke aanpak, maar in de verlengde leertijd. En die kan en moet jij als leraar ook kunnen bieden.

Dus zet de volgende uitspraak op repeat: repeat to remember and remember tot repeat.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Week 3: zorgen – om en voor

Ik kan groep 4 niet lastig vallen met een verhaal dat me al een paar dagen bezighoudt. Het is het verhaal dat Steven Herrick vertelt in zijn boek Cold Skin. In het verhaal, dat speelt in een klein Australisch mijndorpje, wordt een meisje vermoord. Het verhaal draait om de vraag wie de dader is. Maar dat is, hoewel een moord iets reusachtigs is in een kleine gemeenschap, niet het meest op de voorgrond tredende aspect van het boek. Dat is voor mij ook niet het verhaal van Eddie, die in het boek het meest aan het woord komt. Nee, het zijn voor mij twee vaders die terugkomen uit de oorlog en hun draai weer moeten vinden in de lokale gemeenschap. Zo is er de vader van Eddie. Hij heeft tijdens de oorlog Australië niet verlaten, maar heeft daar als vrachtwagenchauffeur gediend en troepen en materieel rondgereden over de stoffige wegen van het immense land. Dat geldt niet voor de vader van Carrol – zij zal het slachtoffer worden van de moord. Hij is, zo begrijp je uit de aanwijzingen die Herrick geeft, gevangen genomen tijdens de oorlog in de Pacific en ernstig getormenteerd teruggekeerd. Hij is een held; Eddies vader wordt gezien als angsthaas. Niet alleen vanwege zijn bescheiden bijdrage aan de oorlogsinspanningen, maar ook omdat hij weigert in de mijnen te werken. Hij vindt het ondergrondse werk te gevaarlijk en verbiedt zijn kinderen om later dit beroep te kiezen.

Wat me zo fascineert aan het verhaal is de verandering die beide mannen hebben doorgemaakt. Toen zij terugkwamen uit de oorlog werd van hen verwacht dat ze zonder probleem hun plek weer zouden innemen, zowel in het gezin als in de dorpsgemeenschap. Beiden vinden dit lastig; beide mannen worstelen met hun ervaringen en de mening van anderen over die ervaringen. Ze zijn er, maar in hun gedachten vaak niet.

Dit relaas staat haaks op het verhaal van de grootste held die ging en terugkwam: Odysseus. Die lijkt als hij is teruggekeerd te Ithaca en nadat hij de schakers van zijn vrouw meedogenloos heeft uitgeschakeld dezelfde te zijn gebleven. Hij raakt onderweg mannen kwijt aan monsters als de Cycloop, maar als een vogel schudt hij het water van zijn veren om weer vrolijk verder te trekken. Dat frivole ontbreekt bij de twee vaders in Cold Skin. Zij ploegen zwaar door de dagen. De een kan het heldendom niet dragen; de ander bezwijkt onder de last van de lafheid.

Cold Skin is een YA-boek. Het is een boek voor jongeren rond de 15 jaar. De leerlingen in groep 4, aan wie ik vandaag lesgeef, zijn voor dit verhaal nog echt te jong. Maar het boek herbergt een thema dat ik vandaag de klas mee inneem. Het gaat er om dat de personen in het verhaal zich zorgen maken. Twijfel en onzekerheid zijn de reisgenoten van de karakters die Herrick schetst. En die onzekerheid – en in zekere zin ook angst – zit verpakt in een gedicht van Koos Meinderts. Ik ken een aantal gedichten van buiten en dit is er een van:

Gebed (voor God?)

Lieve God,

als u bestaat,

zorg dan dat Loes,

dat is onze poes,

maar dat wist u al,

de operatie overleven zal.

Ik geef les aan groep 4 en groep 5 en had gemerkt dat in groep 5 veel gelovige leerlingen zitten. Tijdens een gesprek over de vraag of de aarde vol kan raken met mensen, kwamen we uit bij de vraag wie bepaalt of de aarde vol is of niet. Voor het grootste deel van mijn leerlingen was dat overduidelijk, dat was God.

In groep 4 ligt dit anders. Als we over het gedicht van Meinderts praten, wijzen ze naar twee passages waaruit je zou kunnen afleiden dat de verteller twijfelt of God bestaat. Maar ze begrijpen de wanhoop; ze begrijpen dat je angstig bent over de afloop van een operatie. Vooral ook, omdat bij het gedicht een prachtige illustratie staat afgedrukt. Je ziet een kat liggen met een lang litteken op de buik met operatie-instrumenten ernaast. De poes Loes, ligt verdoofd op een achtergrond van groen. Als ik vraag wat zij zouden doen in het geval van ziekte of zorg, wordt bidden niet genoemd. K. zou de arts op het hart drukken goed voor zijn dier te zorgen, terwijl L. naar voren brengt dat ze zou vragen om meerdere artsen.

Dan komt het gesprek op de zorgen die ze zelf hebben. M1 vertelt dat zijn jonge broertje weleens probeert om hem ‘buiten westen te slaan.’ Gisteravond nog. Hij lag om de bank en zijn broertje schopte hem gewoon op zijn gezicht. Het resultaat was een bloedlip die hij ostentatief toonde als was hij een Griekse held die een gevaarlijke veldslag had overleefd. Een ander verhaal wordt verteld door J., die tijdens het eten angstig toekijkt hoe haar jongere zusje met een veel te grote lepel haar pap naar binnen lepelt. Misschien stikt ze wel!

Dat de leerlingen zorgen hebben, blijkt nog scherper als ze een gedicht schrijven als reactie op dat van Koos. Ik ken de leerlingen nog maar net en ben dan ook benieuwd naar wat ze schrijven. Als ik vraag of iemand zijn of haar gedicht wil voordragen, blijkt dat veel leerlingen dit graag willen doen. Zo ook M2, die voor de klas staat en het volgende gedicht voorleest:

Mijn grote zus

Mijn zus is 9 jaar

Wordt ze 30?

Wordt ze 11?

Ik maak me zorgen.

 

Lieve Jasmijn,

Je bent echt de liefste zus ter wereld.

 

Ze oogst stilte en daarna stille bewondering. Ze vertelt het verhaal van haar zus, die gehandicapt is. Dat begrepen we eigenlijk direct.

M2 is zeven jaar oud, maar (of en?) door haar zorgen enorm wijs.

 

 

Week 2: Oude en nieuwe relaties

De oude groep

Iets verderop op de bovenverdieping zit groep 7. Omdat onze deuren open staan, zie ik de leerlingen uit die groep met enige regelmaat langslopen. Ze zwaaien dan, of steken vrolijk een duim op. Ik zwaai terug, waarna direct alle leerlingen in groep 5 hun hoofd draaien om te kijken naar wie ik zwaai. Groep 7 is een klein groepje, maar pittig. We zijn twee jaar met elkaar opgetrokken. Ik ken de leerlingen en zij kennen mij. En dat kennen heeft zo zijn subtiliteiten. Zo zitten er leerlingen in die groep die precies aanvoelen wanneer ik een grap ga vertellen of wanneer ik ga uitweiden over een onderwerp. Als je goed op ze let op zo’n moment, dan zie je dat ze er echt voor gaan zitten. Ze zijn ook bedreven om in te schatten hoe mijn vlag erbij hangt. Want laten we eerlijk zijn, de ene dag is de andere niet. Ik houd van mijn vak, maar ik kan behoorlijk chagrijnig op mijn werk verschijnen. Ik ben veel, maar geen machine. De leerlingen van groep 7 zijn oude rotten als het gaat om omgaan met het gemopper van hun meester en ze kijken niet verbaasd op als ik alles terzijde schuif, de deur van het klaslokaal dichtdoe en hen iets vertel waar ze het thuis nooit over mogen hebben. Zowel zij als ik weten op zo’n moment een ding zeker: Die avond zit ik bij hen aan tafel.

Andersom ken ik de leerlingen van groep 7 na die twee jaar samen vrij goed. Als ’s morgens de schooldeur opengaat en ik de leerlingen ontmoet, dan kijk ik bijvoorbeeld even goed naar R. als ik haar de hand schud. Ze kan met de bokkenpruik op naar school komen en dan is het verstandig om haar even te laten. Buien trekken snel over, moet je maar denken. D. komt met enige regelmaat te laat. En hé, dat is niet zijn schuld. Hij vindt het vervelend om de klas binnen te lopen als we al zijn begonnen. Daarom laat ik hem en loop ik later langs zijn tafel om te vragen hoe het met hem gaat. Komt er geen lach, dan pak ik hem even vast. Dat helpt namelijk. Met Z. moet ik het eens per week over voetbal hebben. Zijn oom is profspeler en zwerft door Europa, van club naar club. Was het nu Turkije waar hij speelde? Nee, meester! Hij speelt in Rusland. En ik weet door heel even naar de oogopslag van C. te kijken hoe haar dag is. Als ik mijn wenkbrauwen optrek weet ze dat ik vraag of ik iets voor haar kan doen. Soms knikt ze en dan loop ik naar haar toe. Op andere momenten schudt ze haast onzichtbaar met haar hoofd en gaat weer rustig aan het werk.

Maar de vertrouwdheid die wij hadden verdwijnt langzaam. De eerste weken teren we nog op de herinneringen die we samen hebben opgebouwd. Als ze langslopen en mij groeten, dan lijken ze tegen groep 5 te zeggen: Wij horen nog steeds bij elkaar. Julie mogen de meester voorlopig lenen. Misschien vragen we hem straks wel terug.

Of is dit iets wat ik graag wil denken?

Verhalen als fundament

Met groep 5 moet ik de relatie nog opbouwen. Ik vind dat een klus. Want de vraag is altijd of dit gaat lukken. Ook in dit aspect van het vak van leraar schuilt onzekerheid. Het lukt vrijwel altijd, daar niet van, maar je weet het nooit. Ik kan me een jaar in de Diamantbuurt (Amsterdam-Zuid) herinneren. Ik nam op een school die in zwaar weer verkeerde een zieltogende groep 6-7-8 over. De toon in die groep was door de oudere leerlingen gezet; de jongere leerlingen hobbelden er achter aan. En wat ik ook probeerde, ik kreeg er geen grip op. Een band tussen ons wilde maar niet ontstaan. Aan het eind van het jaar ontmoette ik de meester die het stokje aan mij had overgedragen. Hij regeerde die klas met de knoet, zo vertelde hij. Een andere manier was niet mogelijk. Van liefde en betrokkenheid was geen sprake. Het was hem en mij niet gelukt om samen met de leerlingen een gemeenschappelijk verhaal te schrijven. We vonden elkaar in de mislukte poging om onszelf met de groep te verbinden.

In mijn nieuwe groep gebruik ik verhalen als middel om elkaar beter te leren kennen. Lees een verhaal met leerlingen en het gesprek begint. Ik vind dat altijd prachtig om te zien. Je hoeft maar een sprookje, een fabel of een spannend verhaal te lezen en de leerlingen kruipen uit hun schulp en laten zien wie ze zijn en hoe ze over zichzelf en de wereld denken. Een verhaal is volgens mij dan ook de meest eenvoudige manier om in gesprek en contact te komen. Prachtig hoor, al die activiteiten en werkbladen die voor deze eerste periode van het schooljaar zijn ontwikkeld, maar laat je leerlingen maar eens een gedicht schrijven als reactie op een gedicht dat je hebt besproken en je leert ze kennen. Als leerlingen schrijven, dan geven ze zich bloot.

Jaren geleden had ik in Zaandam een leerling in groep 8 waar ik het lastig mee had. Hij was op zijn minst balsturig te noemen. Ik wist niet zo veel van zijn achtergrond. Ik was na de kerstvakantie begonnen als vervanger van een leraar die net voor het kerstdiner de handdoek had geworpen. Een overdracht had niet plaatsgevonden en Parnassys bestond nog niet. Ik wist vrijwel niets van de leerlingen die tegenover me zaten. Ik besloot ze een verhaal te laten schrijven. Ideeën in het onderwijs zijn er om te lenen en ik leende er een van mijn docent taalontwikkeling op de pabo. Ik vroeg ze, na een korte inleiding, een verhaal te schrijven over het leven van een eendagsvlieg. S. was snel klaar. De eendagsvlieg in zijn verhaal werd geboren, vloog uit en sloeg direct te pletter op de voorruit van een langs scheurende auto. Dat verhaal vertelde eigenlijk, zo fluisterde hij me toe, het verhaal van zijn broertje, die tijdens het buitenspelen onverhoeds onder een langs rijdende wagen was gelopen en overleden. S. had het verhaal gebruikt om zijn pijn met mij te delen. Het was voor hem uitermate belangrijk duidelijk te maken wat hem bezighield. Het verhaal was in al zijn kortheid, duidelijkheid en abruptheid hartverscheurend. Op een andere manier lukte het S. gewoonweg niet om zijn verdriet, pijn en boosheid met mij te delen. Toen later dat jaar zijn vader stierf aan een hartstilstand, werden de woorden volledig uit hem weggeslagen. Hij zat teneergeslagen in de klas; ik liep meer dan eens langs om mijn hand op zijn schouder te leggen. Ik wist namelijk ook niet wat te zeggen.

S. lijkt een uitzondering, maar is dit niet. Toshiro Kanamori, een oude Japanse meester, had een klassenschrift waarin leerlingen beurtelings thuis een verhaal over zichzelf schreven en dit aan de groep voorlazen. Zoals ik al zei is lenen van elkaar een gewoonte in het onderwijs. Ik leende het idee van het verhalenschrift en mijn leerlingen en ik – want ik deed gewoon mee – deelden persoonlijke verhalen met elkaar, die ervoor zorgden dat we dieper inzicht kregen in wie we op dat moment waren en wat ons bewoog. Ik herinner me een jongen van amper 12 die zo boos was op zijn vader dat hij hem het liefst wilde ombrengen. Of een leerlinge die maar niet begreep waarom ze in het grote gezin nauwelijks aandacht kreeg. Het leek wel alsof ze niet bestond, zo schreef ze.

Natuurlijk zijn er talloze andere manieren om elkaar te leren kennen en om een band met elkaar op te bouwen in de klas. Ik leef in verhalen en zie verhalen als een middel om elkaar beter te leren kennen. Dat doe ik door ze samen te lezen, ze voor te lezen, door erover te spreken en door ze met elkaar te schrijven. In ieder kind zitten prachtige en aangrijpende verhalen. En al die verhalen dragen bij aan het gemeenschappelijk verhaal van een jaar samen optrekken. Dat is mijn diepste overtuiging.

 

 

 

 

Week 1: Mathilda, een nijlpaard en gekookte ooievaars.

Na de vakantie

Ik stond vanmorgen op het schoolplein om de leerlingen en hun ouders te verwelkomen na zes weken zomervakantie. Ik zag een aantal nieuwe leerlingen met hun ouders de school binnenlopen, op weg naar hun nieuwe klas. Voor bijna iedereen op school is alles bij het oude gebleven. Er is in de zomer verbouwd, dat wel. Op de bovenverdieping zijn nieuwe plafonds gemonteerd en zijn er nieuwe vloeren gelegd. Ook zijn de wc’s vervangen. Beneden in de hal is meubilair geplaatst voor de naschoolse opvang en daar staan ook nieuwe boekenkasten. Maar in die kasten staan de oude, vertrouwde boeken. Ik heb de boekenkast vorige week ingeruimd en boeken over Vos en Haas, Harry Potter en Mathilda een nieuwe plek gegeven. En ja, de meeste leerlingen krijgen vandaag les van een andere leraar dan vorig jaar, maar dat is het wel zo’n beetje. Ze zijn een groep opgeschoven, maar er zijn geen leraren vertrokken laat staan nieuwe gekomen. Op een paar nieuwe leerlingen na, is eigenlijk alles bij het oude gebleven.

Terwijl een nieuwe leerling van groep 7 langsloopt, denk ik aan Mathilda, het boek dat ik vorige week in mijn handen had. Stel je eens voor dat de vader van die jongen naar mij toe zou zijn gelopen om te zeggen wat meneer Wurmhout over zijn dochter meldde aan juffrouw Bulstronk:

Hij vertelde me (..) dat het dochtertje van hem niet deugt. Hij zei dat we haar goed in de gaten moeten houden. Hij zei dat als er iets gebeurde op school, we ervan op aan konden dat zijn dochter erachter zat. Ik heb het kleine loeder nog niet gezien, maar als ik dat doe kan ze haar lol op. Volgens haar vader is het een stuk ongeluk.

Bulstronk staat symbool voor het onmenselijke in het onderwijs. Als we Mathilda lezen, dan weten we natuurlijk dat zo’n type als Bulstronk niet bestaat. Een leraar die zo met leerlingen omgaat staat nooit langs voor de klas; een directeur die kinderen knevelt wordt ontslagen. Wij zijn als leraar geen Bulstronk. Maar de beelden die bij de brute Bulstronk horen, spoken ’s nachts wel door ons hoofd. Ik heb eens een droom gehad waarin ik een brutale leerling de voorzetsels uitlegde. Ik greep ‘m bij zijn haren en sloeg hem met zijn hoofd op de tafel, onder de tafel, naast de tafel, etc. Die droom had ik in mijn eerste jaar als leraar. Vanmorgen vertelden leraren elkaar welke dromen hen vannacht hadden wakker geschud. De kern van zo’n droom is eigenlijk altijd hetzelfde: De klas komt in opstand en houdt zich niet aan de regels en afspraken die zo vanzelfsprekend lijken te zijn. De leraar heeft geen overwicht, verliest de grip op de groep en wordt badend in het zweet wakker. Veel leraren dromen in de nacht van de laatste vakantiedag dit soort dromen, of ze draaien urenlang in hun bed rond zich afvragend of ze ‘het nog wel kunnen.’ Ze vragen zich af of de ritmes en routines van het lesgeven niet spoorslags zijn verdwenen en of het allemaal nog wel lukt.

Ik liep net een rondje door school en zag direct de oude, vertrouwde ritmes en routines van ons lesgeven terug. Ook in dat opzicht is er niets veranderd.

Een wekelijks blog

Ik zal dit schooljaar mijn blog gebruiken om je wekelijks te vertellen over de school waar ik werk. Er wordt vaak in abstracto over ons vak gesproken. Dat is begrijpelijk, want veel van de mensen die over het onderwijs praten staan op afstand van wat er in een school of in de klas gebeurt. Ze hebben wellicht een idee over onderwijs, maar een scherp beeld van de werkelijkheid ontbreekt.  Ik heb me voorgenomen om een jaar lang te delen wat er op een school gebeurt, hoe ik lesgeef en welke keuzes ik hierbij maak. Ik neem je mee mijn klas in, leid je langs overleggen, bezoeken en bijeenkomsten. Kortom, ik laat je het nodige zien van mijn veelzijdige beroep. Er zijn veel mensen die zeggen dat lesgeven het mooiste beroep ter wereld is. Deze mensen staan vaak zelf niet voor de klas, let daar maar eens op. Ik ga niet zeggen dat lesgeven het mooiste beroep is. Ik laat zien wat ik, als leraar en teamleider, doe. En misschien denk je na het lezen dat het inderdaad zo is, dat leraar het mooiste beroep ter wereld is.

Alan Turing

De school waar ik werk, staat op een van de Oostelijke Eilanden van Amsterdam. De school bestaat drie jaar en is vernoemd naar de Britse wiskundige Alan Turing. Turing voorspelde dat er aan het begin van deze eeuw zulke krachtige computers zouden zijn, dat het onmogelijk zou worden om te zeggen met wie je communiceert, een mens of een machine. Turing kreeg met deze voorspelling, die de Turing-test genoemd wordt, gelijk. Als je achter een beeldscherm gaat zitten en contact hebt met een ‘ander’, dan kom je er niet achter wie of wat die ‘ander’ is. Een bekend voorbeeld is dat van een Amerikaanse hoogleraar. Hij laat de helft van zijn mail beantwoorden door de computer; zijn studenten hebben niets in de gaten, die denken in rechtstreeks contact met hun professor te staan. Voor onze school betekent de Turing-test niet dat we computers en andere technologie vrij baan moeten geven in het onderwijs, maar dat we met elkaar moeten nadenken over de vraag wat ons menselijk maakt. Die zoektocht komt in ons thematisch onderwijs nadrukkelijk aan bod. En wat we verder doen is de basis stevig inoefenen. We vinden het als school erg belangrijk dat leerlingen goed leren lezen en rekenen. Het genie van Turing is tot wasdom gekomen omdat hij op school een goede basis heeft meegekregen. Ik zal in de loop van het jaar nog wel meer over Turing vertellen en zijn invloed op onze keuzes, maar de diepe menselijkheid die zijn leven en werk uitstralen, zijn voor mij persoonlijk een inspiratiebron.

Struikelen over een nijlpaard

Ik was enkele jaren geleden in Zuid-Afrika. We trokken in een grote truck door het land op zoek naar wilde dieren, ruige natuur en rust. Onderweg kwamen we langs St. Lucia, waar hoge golven het strand aan stukken proberen te slaan. St. Lucia doet denken aan een badplaats als De Koog op Texel. Ik heb lang op Texel gewoond en mijn vriendjes en ik meden in het zomerseizoen deze plaats. Er liepen daar dan meer toeristen dan lokalen rond en dat vonden wij vreemd. Dat is in St. Lucia niet anders. Nou ja, behalve dat je daar ook nog nijlpaarden hebt. Overdag liggen ze in het water en vallen ze naar je uit als je met je bootje te dichtbij komt. ’s Avonds struinen ze door het plaatsje, op zoek naar sappig gras. Als je ze voor de voeten loopt, dan ben je al snel het haasje.

crocodile-centre-23

Mijn collega’s van de groepen 4 en 5 vroegen of ik met hun leerlingen een gedicht van Edward van de Vendel wilde lezen. In zijn gedicht geeft Van de Vendel je adviezen als je over een nijlpaard struikelt. Sorry zeggen en je dan volvreten, zodat je ‘m terug kunt laten duikelen. Daar komt het kort gezegd op neer. Het is een prachtig gedicht, waarin Van de Vendel eigen woorden toevoegt aan onze taal. Maar ik blijf maar denken aan het bord in de parken van St. Lucia en aan het hoge hek dat rond mijn hotel stond om de nijlpaarden buiten te houden. En ons binnen.

Bij het lezen van gedichten laat ik me leiden door een eenvoudige didactiek. In het Angelsaksische onderwijs is poëzieonderwijs een vanzelfsprekendheid. Binnen deze aanpak worden gedichten gezamenlijk gelezen, waarna de leerlingen met elkaar over het gedicht praten en als reactie een eigen gedicht schrijven. Dat gesprek is niet gericht op de structuur of de opbouw van het gedicht, maar gaat veel meer over het gevoel dat het gedicht teweegbrengt bij de lezer. In dit geval sprak ik met de leerlingen wat ze zouden doen als ze op een nijlpaard zouden botsen. LL zou sorry zeggen en vervolgens heel stil wegsluipen. Ik liet het haar voordoen. Ze had prachtige nieuwe schoenen aan. Schoenen met onder de hak een wieltje en aan de zijkant lichtjes die bij elke stap fel oplichtten. Heel handig in het donker.

Ik vroeg de leerlingen tijdens een van de lezingen van het gedicht hun ogen te sluiten. Wat zagen ze toen ik het gedicht voorlas? K. zag wolven die elkaar te lijf gingen. Hij vertelde er beeldend over. H zag, zo zei hij, niets. Ik durf te wedden dat dit in de loop van dit schooljaar nog wel verandert. Dat is niet alleen de ervaring van auteurs die ik bij mijn poëzieonderwijs volg, maar ook van mezelf. Sommige leerlingen moeten een drempel over als het gaat om expressie of het schrijven van teksten. Dat komt meestal wel goed. Het is een kwestie van geduld en vertrouwen.

In groep 4 schreven we samen een gedicht ‘terug’ aan Van de Vendel. Het werd een rondeel. Ik heb de structuur gekozen; de zinnen zijn van de leerlingen:

Als ik over een nijlpaard struikel

Dan zou ik hard naar het park rennen,

gras plukken en dat aan hem geven.

Ik zou dan stiekem op zijn rug rijden.

Ik zou hard naar het park rennen

En dan rent hij achter me aan.

Daarna zou ik stiekem weglopen en sorry zeggen

Ik zou hard naar het park rennen,

gras plukken en dat aan hem geven.

Eraf

De leerlingen van groep 5 keken me verbaasd aan toen ik zei dat de rekenles eigenlijk een taalles was. Sommen zijn niet altijd ‘gewoon’ maar sommen. Je moet ze weleens vinden in een verhaal. Kinderen knikkeren met elkaar, winnen en verliezen. In een competitie heeft team A 65 punten en team B 48. Hoe groot is het verschil op de ranglijst?

Voor veel leerlingen is het vinden van de som in het verhaal lastig. Even een klein zijstapje. Tijdens een les technisch lezen merkte ik dat een aantal leerlingen het begrip korting niet kent. Dat iets in de aanbieding is en dat je derhalve korting krijgt is ze niet bekend. Je kunt je soms maar moeilijk voorstellen hoe taalarm de omgeving is waarin sommige leerlingen van onze school opgroeien. Er zijn ouders die niet alleen de Nederlandse taal slecht beheersen, maar ook hun moedertaal. Ze hebben de rijkdom aan taaluitingen eenvoudigweg niet meegekregen. In de wijk waarin onze school staat wonen genoeg volwassenen die onvoldoende kunnen lezen. Het risico is reëel dat hun kinderen, veelal onze leerlingen, laaggeletterd zullen worden. Een groot deel van onze onderwijstijd gaat dan ook op om leerlingen veel, heel veel over onze taal te leren. Ik leg geduldig het woord korting uit. In de loop van de dag laat ik het woord nog enkele keren langskomen.

Fijn is wel, dat wanneer de leerlingen de ‘taalklip’ voorbij zijn, de sommen vlekkeloos worden gemaakt. Onze leerlingen reken sommen als 65 – 48 cijferend uit. De meeste rekenmethodes staan de rijgmethode voor. Die vinden wij weinig effectief. Er is geen leerling in groep 5 die de som op de cijferende manier niet goed uitrekent. Ze weten hoe ze de som stap voor stap voor moeten aanpakken en werken bovendien heel netjes. I., die bij me zit voor verlengde instructie, rekent dit soort sommen ook foutloos uit. Soms rekent ze op haar vingers. Dat doet ze vooral als ze over het tiental heen moet rekenen. De sommen kosten haar moeite, dan voelen we allebei, maar het lukt. Met een glimlach nemen we afscheid.

Ik vind het belangrijk dat leerlingen uit hun hoofd weten dat 15 – 8 als antwoord 7 heeft. Dit soort sommen kun je oefenen. Zowel op school als thuis. Eindeloos. En als je de sommen tot twintig in je geheugen hebt geprent, samen met de tafels, dan gaat het rekenen vlotter en beter.

Sprookjes

Het eerste thema van dit schooljaar is migratie. In de bovenbouw wordt gekeken naar patronen van menselijke migratie; in de middenbouw gaat het over dieren. Met groep 5 lees ik het sprookje Ooievaars van Hans-Christian Andersen. Mijn dikke verzamelbundel staat in een kast op school. Daar staan alle sprookjes van hem in. Er zijn hervertellingen, onder meer een prachtige door Thé Tjong King, maar daarin ontbreekt dit favoriete sprookje eigenlijk altijd. Het is eind augustus en dat betekent dat de Nederlandse ooievaars zich opmaken voor hun tocht naar Mali, dat ruim 6600 km zuidelijker ligt. Tijd voor mij om Ooievaars te lezen.

Het sprookje van Andersen is prachtig en angstaanjagend. Het gaat zo.

In een nest zitten vier jonge ooievaars. Hun leven is vol angst. Vooral omdat de kinderen in het dorp  – op één na – een hatelijk liedje zingen als ze de ooievaars zien. Dat liedje gaat in een van de oudste Nederlandse vertalingen zo:

Ooievaar, lepelaar!
Vlieg naar huis en haast je maar!
Je vrouw die zit in ’t nest alléén
Je vrouw die zit in ’t nest alléén
Met vier jongen om haar heên.
De eerste wordt gevangen,
De eerste wordt gevangen,
De tweede wordt gehangen,
De derde doodgestoken
Den vierde zullen wij koken.
ande030spro08ill0075En dan worden de jongen ook nog eens door hun ouders achter de broek gezeten. Als ze niet goed kunnen vliegen tijdens de grote manoeuvres voorafgaand aan de trek, dan zal de generaal ze met zijn scherpe snavel doden.
Wraak houdt de jongen op de been en in de lucht. Ze slagen met glans (een tien en een slangetje en een kikker) voor hun proef en nemen, met behulp van hun moeder, wraak op de jongetjes die hen zo’n grote angst hebben aangejaagd. Een klein jongetje is ermee begonnen. Hij verdient de grootste straf:

 

‘Nu zullen wij wraak nemen!’ zeiden ze.

‘Ja, zeker!’ zei de ooiemoeder, ‘ik heb iets uitgedacht, dat het allerbeste is wat wij doen kunnen! Ik weet waar de vijver is, waar al de kleine kinderen liggen tot de ooievaar ze haalt en bij de ouders brengt. De lieve kleine kindertjes slapen, en droomen zóó heerlijk als zij later nooit meer zullen droomen. Alle ouders willen graag zoo’n kindje hebben, en alle kinderen hebben graag een broêrtje of zusje. Nu zullen wij naar den vijver vliegen en er een meêbrengen voor al de kinderen, die niet dien leelijken deun hebben gezongen en de ooievaars voor den gek hebben gehouden, want die kinderen krijgen niets.’

‘Maar die akelige, leelijke jongen, die met zingen is begonnen!’ schreeuwden de jonge ooievaars, ‘wat zullen we dáár meê doen?’

‘Er ligt in den vijver een klein, dood kindje, dat zich dood gedroomd heeft, dat zullen wij hem brengen, dan moet hij huilen, omdat wij hem een dood broêrtje gebracht hebben; maar dien goeden jongen, dien heb jelui toch niet vergeten, die gezegd heeft, dat het gemeen was om dieren te plagen? Dien zullen wij een broêrtje en een zusje brengen, en omdat die jongen Peter heet, zul jelui ook allemaal Peter genoemd worden!’

Na afloop van dit sprookje was het stil in de klas. Jezelf dood dromen is een sterk beeld. Geloof me maar.

Howard Gardner en zijn (mogelijke) belang voor het onderwijs

9780465047680Meervoudige intelligenties

Al een aantal jaren is in het onderwijs de theorie over intelligentie van Howard Gardner populair.  Gardner stelt in deze theorie dat er niet één vorm van intelligentie is, maar dat de mens er meerdere heeft. Hij spreekt dan ook over meervoudige intelligenties. Gardner noemt er in zijn boek uit 1993 zeven: de verbale, de logische, de ruimtelijke, de muzikale, de natuurlijke, de interpersoonlijke en de intrapersoonlijke intelligentie.

Of deze intelligenties bestaan, wagen veel wetenschappers te betwijfelen. Feit is wel dat in het onderwijs een beweging is ontstaan waarbij wordt uitgezocht wat de favoriete intelligenties van de leerlingen zijn en wordt door de leraren gepoogd in de lessen en activiteiten hierbij aan te sluiten. Dit gebeurde in de VS al in de jaren ’90 van de vorige eeuw. De populariteit van meervoudige intelligenties is in Nederland na de eeuwwisseling op gang gekomen.

Gardner geeft aan zelf uitermate verrast te zijn door het feit dat het leraren en schoolleiders zijn theorie gingen gebruiken voor het inrichten van onderwijs. Hij volgde een aantal scholen in de VS en zag zaken die hem bevielen en die hem tegenstonden. Hij ging door het lint toen in Australië zijn theorie werd gekoppeld aan etniciteit. Er circuleerde een lijst met etnische groepen waarop stond welke intelligenties ze zouden bezitten en welke ze zouden missen.

Gardner over onderwijs

Dit misbruik van zijn (onbewezen) theorie leidde ertoe dat Gardner zich ging bezighouden met de vraag wat het onderwijs nu zou moeten dan wel kunnen met zijn theorie. Gardner meent dat er uit zijn theorie drie implicaties voor het onderwijs voortkomen. Dit zijn:

  • De leerling staat centraal;
  • De nadruk in de lessen ligt op het realiseren van onderwijsdoelen;
  • Belangrijke concepten moeten in lessen vanuit meerdere perspectieven benaderd worden.

Wie mij kent, weet dat ik vind dat de leerling pas centraal kan staan als de leraar haar vakmanschap ten volle kan uitoefenen. De leerling centraal is wat mij betreft nooit het uitgangspunt van het onderwijs, maar de uitkomst van een proces waarbij de leraar de ruimte krijgt om haar vakmanschap te ontwikkelen en goed onderwijs te realiseren.

Gardner ageert tegen de industriële opvatting van het onderwijs – in dit verband vindt hij in Ken Robinson een medestander – maar ook nu weer geldt dat er geenszins bewijs is dat de organisatie van het onderwijs gestoeld is op een industriële benadering en dat – hieruit voortvloeiend – leerlingen worden afgeleverd die perfect passen in de industriële samenleving. Het is een sterk frame, maar niet meer dan dat. Een frame overigens van Charles Dickens. Lees Hard Times maar eens en let dan op Gradgrind, de hardvochtige heerser over feiten en feitjes.

Eenzijdig onderwijs

Waar Gardner wat mij betreft een gevoelige snaar raakt, is het feit dat we er in het onderwijs onvoldoende voor zorgen dat leerlingen concepten, begrippen en processen daadwerkelijk weten te doorgronden. Zo schrijft hij over afgestudeerde natuurkundigen van gerenommeerde instituten als MIT en Johns Hopkins, die over bepaalde natuurkundige verschijnselen dezelfde kennis hebben als vijfjarigen. Het ging, zo las ik ergens anders, over de vraag waarom bepaalde delen op de aarde seizoenen hebben en andere niet. Welk proces verklaart dit, werd gevraagd.

Welnu, het klopt dat we in het onderwijs te veel willen (aan)leren en hierbij te weinig tijd nemen om ervoor te zorgen dat leerlingen nieuwe concepten terdege doorgronden. We haasten ons door de leerstof en missen daardoor de kans om met leerlingen dieper in de materie te duiken en om ze verbanden te laten zien. Ik geef een voorbeeld uit het literatuuronderwijs. Er wordt van jongs af aan veel (voor)gelezen op scholen. Veelal worden de teksten die hierbij worden gebruikt als losstaande entiteiten gezien. Er wordt weinig onderricht gegeven in verbanden tussen teksten en leerlingen hebben vaak geringe kennis over achterliggende patronen en motieven in verhalen. De populaire schrijver Elena Ferrante merkte dit op over literatuur: “There is no work of literature that is not the fruit of tradition.” De Napolitaanse romans van Ferrante staan in een lange traditie. Wie het eerste hoofdstuk uit De geniale vriendin leest, hoort een verre echo van de mythe van de Minotaurus. Door leerlingen niets te leren over basisverhalen en basisplots in de wereldliteratuur zullen ze deze zelf niet ontdekken. Ze zullen ook niet in de gaten hebben dat Lila en Elena zusjes zijn van Mathilda (Roald Dahl). In dat prachtige boek zit namelijk hetzelfde ‘monsterplot’ verweven.

Gardner pleit er voor om de omvang van het curriculum te beperken en onderwerpen diepgaand te behandelen. Als school en als leraar is het van belang om te monitoren of leerlingen de kennis die je overbrengt ook daadwerkelijk beheersen. Voor Gardner geldt dat dit pas het geval is als ze het de kennis in een andere situatie kunnen toepassen. Zo zou je bijvoorbeeld, als je over redenen en achtergronden van vogeltrek hebt geleerd, beredeneerd moeten kunnen uitleggen waarom er, zoals blijkt uit vogeltellingen, steeds meer ooievaars zijn die niet migreren in het najaar, maar hier blijven overwinteren. Waarom zal dit zou zijn?

Een ander punt dat Gardner naar voren brengt – en daarmee zijn we weer terug bij zijn meervoudige intelligenties – is zijn voorstel om een onderwerp vanuit meerdere gezichtspunten te behandelen. Ik noem dit voor het gemak aanvliegroutes. Hij stelt voor om de diverse intelligenties te zien als een uitgangspunt om een onderwerp in de klas uit te leggen. We maken in het onderwijs veelvuldig gebruik van tekst en beeld, maar er zijn ook andere manieren om kennis over te brengen. Zo noemt Gardner de mathematische en de esthetische aanvliegroute als voorbeelden.

Daarmee raakt Gardner aan een interessant punt. Enerzijds toont hij het onderwijs de vrij eenzijdige opbouw van de meeste lessen. Anderzijds toont Gardner ons het feit dat je elk vraagstuk, elk onderwerp vanuit verschillende gezichtspunten kunt benaderen en dat dit enorm veel ruimte en vrijheid voor vakmanschap biedt. Om even terug te keren naar de vogeltrek en de uiver: Je kunt je voorstellen dat je tijdens een les over dit onderwerp een tekst leest en naar een clip kijkt. Maar als je de migratie van de ooievaar rekenkundig benadert – de afstand tussen Amsterdam en Bamako is 6.600 km – dan zal voor leerlingen duidelijk worden dat ooievaars die enorme afstand alleen zullen overbruggen als het ze voordeel brengt.

694
Bron

En kijk eens naar dit kunstwerk, genaamd De Uiverhoeve. Dit object wordt jaarlijks bewoond door een stel ooievaars. Het is een krachtig en prachtig beeld dat je kunt gebruiken om in de klas stil te staan bij de vraag hoe de ooievaars – die als het om hun broedplek gaat vrij standvastig zijn – deze plek weer weten te vinden. Veel meer dan de suggestie van een hoeve is dit kunstwerk niet. Hoe zal het er vanuit de lucht uitzien, is het eerst wat mij te binnenschoot.

Wie op de middelbare school een beta-pakket had, weet wel hoe fijn het is om biologielessen te krijgen of bij scheikunde in de banken te zitten. Daar krijg je tijdens de lessen waarbij iets nieuws wordt aangeleerd de bovengenoemde veelzijdigheid er als vanzelfsprekend bij. Microscopen worden gebruikt; bunsenbranders ontstoken. Je weegt, je ruikt en soms proef je ook materiaal. Die veelzijdige benadering bij het aanleren van kennis vond ik altijd inspirerend én leerzaam.

Tot slot

Er is reden om met enige scepsis naar de theorie van de meervoudige intelligenties te kijken en ik weet niet of het raadzaam is om deze theorie als uitgangspunt van je onderwijs te nemen. Het is echter wel zo dat Gardners idee van de aanvliegroutes het overwegen waard is. Met name de lessen bij de zaakvakken zouden veel winnen als bij het voorbereiden van de lessen kijkt voorbij het boek, de kennisclip en het werkblad. Dat is geen nieuwe gedachte, dat weet ik. Maar het is altijd prettig om eraan herinnerd te worden dat leerlingen meerdere perspectieven nodig kunnen hebben om nieuwe lesstof wezenlijk te doorgronden.

 

Lerarentekort en de onnozele oplossing

Beste collega’s,

Het lerarentekort is niet veroorzaakt door ons (leraren) en zal ook niet door ons worden opgelost. Wij geven les en we doen soms nog iets meer, maar (landelijke) politiek bedrijven en problemen oplossen waarvoor wij niet verantwoordelijk zijn is niet wat op ons bordje hoort te liggen.

Daar heb je politici, raden en bestuurders voor.

Kijk, dat er een tekort is, is duidelijk. Dat tekort was een stuk kleiner geweest als besturen op een wat fatsoenlijkere en vooral professionelere wijze met leraren waren omgegaan.

Hedenmorgen stond een artikel in een lokale courant over het lerarentekort, waaruit ik twee aspecten naar voren wil brengen.

Het ene aspect betreft het feit dat (jonge) leraren blijkbaar weinig ruimte krijgen om hun expertise binnen school/bestuur te ontplooien. Ik citeer: “Jonge leerkrach­ten kijken kritisch naar de ontwikke­lings­mo­ge­lijk­he­den binnen een school. Als die onvoldoen­de zijn, kijken ze verder.” Zaken als erkende ongelijkheid, werken met expert-leraren en het hanteren van een professionele schoolcultuur ontbreken op veel plekken in het onderwijs. Daar kan een bestuur op sturen, maar dat komt veelal niet uit de verf.

Het andere aspect betreft de oplossing van het tekort. Ik citeer wederom: “Het onderwijs moet anders georgani­seerd worden. Meer leerplei­nen in plaats van groepen met een eigen leerkracht.”

Dat is een onnozele oplossing. Leerpleinen zijn niet effectief, schepen jou als leraar op met meer taken en verantwoordelijkheden en hollen je vakmanschap uit. Wie wel eens op een school met leerpleinen heeft gewerkt (ik steek nu mijn vinger op) weet dat je voortdurend rondloopt met het gevoel pedagogisch en didactisch tekort te schieten. Wie dit als oplossing ziet van het lerarentekort, moet dan maar zelf leraar op zo’n plein worden.

Mijn advies is om te weigeren aan deze oplossing mee te werken. Als jouw school overweegt met leerpleinen te gaan werken met als argument dat nood wet breekt, stap dan op en zoek een school waar ze dit niet doen. Laat je vakmanschap niet uithollen door bestuurders die niet in staat zijn om goed personeelsbeleid te voeren en die denken dat een leraar van elastiek is.

Verder wens ik jullie allen een prachtig schooljaar toe.

 

Vlucht Robin, vlucht

9200000059528357Hollywood kent eigenlijk maar twee soorten scenario’s las ik eens: iemand komt en iemand vertrekt. Rambo (“He drew first blood!”) en The Deer Hunter. Alle westerns, de laatste film van Quentin Tarantino meegerekend.

Allemaal varianten op Odysseus, denk ik dan.

Het mooie aan het verhaal van Odysseus is dat hij zowel gaat als komt. Hij reist naar het einde van het universum om daar een stad te vernietigen, waarna het elastiek hem terugtrekt naar Ithaca. Het meest bijzondere aan dat verhaal is wel dat alle avonturen de goede, oude Odysseus weinig hebben gedaan. Als hij de schakers van zijn vrouw heeft uitgeschakeld gaat het leven door alsof hij nooit is weggeweest en alsof hij op geen enkele wijze is beroerd door wat hij heeft meegemaakt en bestreden.

Dat geldt niet voor John Rambo, de meest nationalistische ptss-er ooit. Die schoot een compleet dorp aan flarden omdat een vermaledijde sheriff hem dwars zat.

Geweldige film.

En dan heb je natuurlijk de getormenteerde jongeling Holden Caulfield, die z’n school verlaat en ’s nachts door New York trekt, op weg naar de slaapkamer van zijn zusje. Zijn ouders begrijpen geen moer van hem.

Ik wil maar zeggen dat onze cultuur qua ideeën en uitwerking van die ideeën sterk leunt op verhalen die al duizenden jaren oud zijn. Je kunt overal in de literatuur varianten op dit oerthema aantreffen. Of je nu het jeugdboek Niemand houdt Don Carlo tegen neemt of Gulliver’s Travels, ze zijn een echo dan wel een reactie op het oerverhaal van Homerus. Als je aan die lange lijst nog iets wilt toevoegen, dan moet je van goede huize komen, denk ik maar.

En daarmee zijn we aangekomen bij Weg van Jowi Schmitz. Als je haar boek leest, dan is een reëele vraag of dit boek met bekende thematiek iets bijdraagt aan die enorme berg boeken over jongeren die de wereld in trekken en zichzelf ontdekken. Dat antwoord luidt nee. Schmitz kan aardig schrijven, maar we komen met haar op plaatsen waar we al zo vaak zijn geweest. De paden zijn platgetrapt.

Enkele voorbeelden.

De ouders van Anna hebben geen oog voor hun dochter. Zij had een hij moeten zijn en vader en moeder hebben meer aandacht voor de kinderen die ze thuis opvangen. De getormenteerde Robin, een jongen van 17 die heeft gezien hoe zijn vader zijn moeder de hersens insloeg, is een van de kinderen bij haar in huis. Ze houdt van hem. Haar ouders begrijpen geen moer van Anna. Dat spreekt.

Anna verliest haar Robin, de jongen van wie ze houdt en met wie ze zou vluchten. Hij wordt geschept door een auto en vliegt zo het verhaal uit. John Rambo verloor zijn maten, Odysseus vrijwel z’n gehele bemanning en Holden Caulfield zijn broertje. Ik bedoel maar.

Kijk, Schmitz kan best aardig schrijven, maar het is allemaal al wel eens gezegd. Dat zou mij weerhouden om schrijver te worden, maar het schrijven van uitgekauwde verhalen schijnt voor veel mensen een brandende ambitie te zijn. En dan lekker vertellen over jezelf, dat trieste kenmerk van de Nederlandse literatuur. Schmitz heeft in dit boek een jeugdervaring verwerkt. Zij liep als vijftienjarige weg van huis en belandde in Barcelona, de stad waar Anna – die zich Robin noemt – ook arriveert.

Kijk, je hebt als lezer enorm veel houvast aan de bekende thematiek van het boek. Maar het boek leest alsof je van een berg naar beneden loopt en steeds meer snelheid krijgt. De zinnen zijn zo glad en er is zo weinig interessants om je aan vast te houden dat je over de pagina’s en door het verhaal raast. Het is een aaneenschakeling van zinloze, nietszeggende zinnen. Een paar oneliners en veel korte zinnen, meer is het niet.

Weg van Schmitz is bedoeld voor lezers tussen de 14 en 18 jaar. Maar stel je nu eens voor dat jij zo’n lezer bent en je kunt kiezen uit aardige, goede en erg goede boeken. Dan kies je toch Catcher in the Rye?

Ik bedoel maar.