Een niet te missen boek over begrijpend lezen

Jane Oakhill, Kate Caine en Carsten Elbro schreven met Understanding and Teaching Reading Comprehension een niet te missen boek over begrijpend lezen. In slechts 129 pagina’s leggen de drie auteurs de inzichten over het lesgeven in leesvaardigheid en het bestrijden van mogelijke problemen die bij het ontwikkelen van leesvaardigheid ontstaan in heldere taal uit.

De auteurs beginnen het boek met een geruststelling die in 2000 al viel te lezen in het lijvige verslag van het National Reading Panel, namelijk dat bij de meeste leerlingen de ontwikkeling van begrijpend lezen gelijke tred houdt met de ontwikkeling van de technische leesvaardigheid.

Een tweede punt dat de auteurs maken is dat de ontwikkeling van leesvaardigheid geen doel op zich is, maar bedoeld is om ons in staat te stellen om de teksten die we lezen te begrijpen. Het is, met andere woorden, een vaardigheid die we nodig hebben en geen op zichzelf staand doel.

Dat laatste lijken we in het Nederlandse onderwijs nog weleens te vergeten, omdat we begrijpend lezen als zelfstandig vak zien, met andere woorden als doel op zich. Dat is overigens wel te begrijpen, want in het rapport van het National Reading Panel werden inzake begrijpend lezen een zevental effectieve strategieën genoemd die lezers inzetten om teksten te begrijpen. Men is toen, onder meer in Nederlandse aanpakken, het aanleren van die strategieën als doel van het onderwijs gaan beschouwen en daarmee is het uiteindelijke doel van leren lezen en van begrijpend lezen, namelijk om zelf teksten te kunnen lezen en begrijpen, naar de achtergrond verdwenen.

Enfin, terug naar het boek van Oakhill cs. De ontwikkeling van de leesvaardigheid verloopt, zoals gezegd, bij de meeste leerlingen zonder al te grote problemen. En dat is, gezien de complexiteit van de vaardigheid, bijzonder. Ze laten zien dat bij lezen acht componenten een rol spelen, zoals onderstaande afbeelding uit het boek laat zien:

Je begrijpt als je naar de afbeelding kijkt dat wanneer een leerling moeite heeft met begrijpend lezen of wanneer zijn/haar ontwikkeling niet goed verloopt, er diverse oorzaken aan ten grondslag kunnen liggen. Hierbij is het, aldus de auteurs, van belang om onderscheid te maken tussen technische leesproblemen en leesvaardigheidsproblemen. Er staat in het boek een interessant stukje over twee leerlingen die een tekst voorlezen. De eerste leerling maakt enorm veel leesfouten, moet tijdens het lezen gecorrigeerd en voorgezegd worden, terwijl de tweede leerling de tekst vlot en vrij foutloos leest. Je verwacht dat de tweede leerling de tekst beter zal hebben begrepen, maar dat blijkt niet zo te zijn. Het geeft maar aan, hoe complex de vaardigheid is en hoe lastig het is om vast te stellen waar een leerling nu precies tegenaan loopt.

Je kunt het boek zien als een uitwerking van de diverse problemen die ten grondslag liggen aan een stagnerende ontwikkeling van het begrijpend lezen. Zo wordt het leggen van relaties en het maken van gevolgtrekkingen – iets wat elke goede lezer doet – besproken, alsmede het belang van woordenschat, de opbouw van zinnen en de relaties tussen zinnen (verbindingswoorden en verwijswoorden) en kennis van de structuur en opbouw van een tekst. Deze onderwerpen worden in het boek in afzonderlijke hoofdstukken besproken. Ook komen andere aspecten van begrijpend lezen als het monitoren van begrip en het visualiseren van de tekst voorbij. Dat lijkt veel voor zo’n klein boekje, maar de auteurs houden het compact en weten tegelijkertijd in die compactheid ontzettend veel inzichten en kennis te delen.

Het boek zet aan tot nadenken over de onderwijspraktijk inzake begrijpend lezen. De inzichten die worden gedeeld en de adviezen die de auteurs geven zetten hiertoe aan. Ik zal hiervan twee voorbeelden geven, met als bedoeling om iets van de rijkheid en de reikwijdte van het boek te kunnen laten zien. Nogmaals, het is een klein boekje met enorm veel inhoud. Dat is zonder meer een prestatie van formaat te noemen.

Welnu, als eerste woordenschat. Het belang van woordenschat voor het begrijpen van een tekst is alom bekend. Wat de auteurs evenwel laten zien, is dat het hierbij gaat om diepere kennis van woorden. Of, zoals ze het zelf omschrijven: ‘it is less beneficial to comprehension to know lots of words but only at more superficial levels.’ En dat is, in alle eerlijkheid collega’s, wel wat gedaan wordt door veel van de taalmethodes die in scholen worden gebruikt. We leren leerlingen wekelijks tien – naar we veronderstellen – nieuwe woorden en begrippen (400 woorden per jaar, wat op de ontwikkeling van de algehele woordenschat peanuts is). We doen dat zonder veel diepgang en met weinig relatie tot kennis en kennisopbouw. Neem eens de volgende zin: Zoals u wellicht weet ben ik van de blauwe knoop. Iedereen die dit leest zal de betekenis van de woorden kennen die in deze zin staan. Dat wil niet zeggen dat je daarmee begrijpt wat ik schrijf. Veel woorden hebben diepere betekenissen dan louter de oppervlakkige die wij onze leerlingen leren in de onnatuurlijke setting van het taalonderwijs. Als je die betekenissen wilt opdoen, dan loont het om veel te lezen. Er is, zo laten de auteurs zien, een wederkerige relatie tussen veel lezen en de ontwikkeling van woordenschat. Als je veel woorden kent, dan kun je gemakkelijk moeilijkere teksten lezen, die er voor zorgen dat je woordenschat groeit, waardoor je weer in staat bent om andere teksten te lezen en te begrijpen. De ontwikkeling van de woordenschat is daarmee iets wat nooit stopt.

Aangaande woordenschat laten Oakhill cs. ook zien dat je als lezer in staat moet zijn om woorden en de betekenis van die woorden met elkaar te verbinden. Dat tonen ze de lezer aan de hand van deze korte zin: ‘She opened the door and noticed that the window was open.’ Daarbij moet je als lezer de relatie leggen tussen de deur en het raam, die beide een onderdeel van de kamer zijn:

Dit deed mij denken aan het werk van Hofstadter en Sander. Zij beschreven – onder meer op basis van de wijze waarop Albert Einstein en Max Planck tot hun natuurkundige inzichten kwamen – het belang van het verbinden van gedachtewolken en het maken van analogieën. André Klukhuhn heeft dit treffend beschreven in zijn boek Over de grenzen van de rede (2015):

Woordenschat, met een diepe kennis van woorden en hun relaties, is daarmee niet alleen een voorwaarde om teksten te kunnen doorgronden, het speelt ook een belangrijke rol in het vinden van oplossingen, het begrijpen van situaties en het bedenken van nieuwe inzichten.

Een tweede punt dat ik hier kort wil bespreken is structuur in teksten. Leerlingen die moeite hebben met het begrijpen van een tekst hebben vaak ook moeite met het het herkennen van de structuur van een tekst. Leerlingen kunnen evenwel enorm geholpen worden en grip krijgen op de structuur van (langere) teksten als ze instructie krijgen over en leren werken met grafische weergaven van een tekst. Je kunt hierbij denken aan schema’s, diagrammen, etc. Ook kan ze worden geleerd dat er in een tekst signaalwoorden zijn – ik gebruik ze ook in deze tekst… – die deze structuur aanduiden.

Leerlingen zouden vanaf jonge leeftijd met informatieve teksten in aanraking moeten komen en gerichte instructie moeten krijgen om te leren hoe je de structuur van een tekst kunt doorgronden. Hierbij geven de auteurs aan, dat het begrijpen van de structuur van een tekst en het leggen van relaties tussen diverse onderdelen van een tekst gemakkelijker verloopt bij het lezen van een korte tekst. Dat is een mijns inziens een belangrijk punt, omdat er in het basisonderwijs – de toetsen van Cito en de teksten uit veel lesboeken laten dit zien – de tendens bestaat om met steeds kortere teksten te gaan werken. Je zult als leraar hierdoor wellicht het idee krijgen dat je leerlingen de structuur van een tekst begrijpen, maar het is maar zeer de vraag of dit ook geldt voor langere teksten; langere teksten die leerlingen in het dagelijks leven tegenkomen en waarmee ze ook in het voortgezet onderwijs worden geconfronteerd. Het heeft, met andere woorden, zin om met leerlingen langere teksten te lezen en ze te helpen de structuur van deze teksten in te zien.

Ik heb, naar ik hoop, met een korte bespreking van slechts twee aspecten uit dit brede boek, laten zien dat Understanding and teaching reading comprehension een kort maar tegelijkertijd rijk, interessant en niet te missen boek is. Ik sluit af met de opmerking dat het de moeite loont om het boek in gezamenlijkheid te lezen en te bespreken. Er is op het gebied van begrijpend lezen nog een wereld te winnen én we willen leerlingen winnen voor de magische wereld van geschreven teksten. Als je goed kunt lezen en je bent in staat om lange teksten goed te begrijpen, dan zie je er niet tegenop om later zelf een krant, tijdschrift of boek te lezen. En hoe meer je leest…

Doelbewuste training

“My guess is that many people are cruising through life doing precisely zero hours of daily deliberate practice.” (Duckworth, Grit, p. 138)

We doen het voorkomen alsof onderwijs een beroep is waarbij de inhoud en de aanpak in de loop der tijd grondig veranderen, maar dat is niet zo. We herkennen zoveel in de aanpak van leraren als Thijssen, Ligthart en Korczak omdat die nog steeds toepasbaar is (én blijft) in onze eigen onderwijspraktijk. Er zijn beroepen denkbaar waarbij de professional zich gedurende haar carrière tenminste tweemaal moet bijscholen omdat de kennis over de aard en de inhoud van het beroep dusdanig zijn veranderd dat een terugkeer naar de schoolbankjes noodzakelijk is. Als Theo Thijssen nu jouw school zou binnenlopen om een openstaande vacature te vervullen, dan zou hij wellicht moeten wennen aan de digitalisering van het onderwijs en de merkwaardige methodiek van het spellingonderwijs (‘rechercheur’ is een chef-woord. Ik hoor /sj/ maar…’), maar na een korte inwerkperiode zou-ie zich alleen nog vergissen in het feit dat je in de klas niet meer mag roken; hij zal al snel tevreden en redelijk voldaan langs de tafeltjes lopen en belangstellend in de schriftjes van de leerlingen kijken.

Er zijn leraren die alles over onderwijs lezen wat los en vast zit. Als je dit doet, dan kom je er na een tijdje achter dat er niet zoveel nieuws meer is onder de zon. Zo stuurde iemand mij onlangs een 300 pagina’s dik Amerikaans onderzoeksrapport over begrijpend lezen toe. Daar stonden enkele interessante punten in, maar het meeste is ondertussen wel bekend. Je kunt dan ook, denk ik, met een paar goede boeken over (effectief) onderwijs toe en daardoor houd je tijd over om fijne boeken te lezen die raakvlakken met het onderwijs hebben en die je kunnen helpen om na te denken over je eigen beroepspraktijk. In dit blogbericht bespreek ik een aantal van deze boeken. Het zijn er vier, die ik (in alfabetische volgorde op de achternaam van de auteur) opsom:

  1. Amibile, T. & Kramer, S. (2011). The progress principle: using small wins to ignite joy, engagement, and creativity at work. Boston, Massachusetts: Harvard Business Review Press.
  2. Curry, M. (met bijdragen van Hoeke, E.) (2017). Dagelijkse rituelen. Hoe bekende kunstenaars, schrijvers, filmmakers en andere creatieven werken. Maven Publishing.
  3. Duckworth, A. (2018). Grit. Why passion and resilience are the secrets to succes. New York: Scribner Book Company.
  4. Ericsson, A. & Pool, R. (2016). Piek. Hoe gewone mensen buitengewoon kunnen presteren. Houten/Antwerpen: Spectrum.

Grit en Piek

Laten we beginnen met Grit van Angela Duckworth en Piek van Anders Ericsson. Duckworth opent haar boek met een stuk over spellingwedstrijden, waar ze in de Verenigde Staten dol op zijn. Jongeren staan dan op een podium onder felle lampen de meest onmogelijke woorden te spellen. Duckworth deed er onderzoek naar en kwam tot de slotsom dat de meest succesvolle spellers kinderen zijn die op weg naar de wedstrijd het meest hebben geoefend. Dat verbaast niet, want uit Piek van Ericsson weten we dat top-musici meer oefenen dan hun wat meer gemiddelde vakgenoten. Ericsson gaf in zijn boek ook aan dat er een verschil zit in de wijze van oefenen. Hij noemde de manier waarop de beste musici oefenen ‘deliberate practice’ (in de Nederlandse vertaling: doelbewuste training). Die top-musici oefenden dus niet alleen veel meer, maar ook nog eens doelgerichter.

Duckworth beschrijft in haar boek dat ze na het onderzoek naar de spellers met Ericsson in contact kwam. Op basis van gesprekken over haar onderzoek ondernamen ze samen een tweede onderzoek. De centrale vraag hierbij was welke aanpak deze jongens en meisjes hadden gekozen ter voorbereiding op de moordende competitie. Het bleek dat ze veel lazen, spelletjes als Scrabble speelden, maar ook dat ze doelgericht en doelbewust woordcategorieën oefenden. En verder dat ze dit jarenlang deden. Dit laatste wordt weleens samengevat in de 10.000 uur-regel; dit is de tijd die je gemiddeld gezien nodig hebt om ergens zeer goed in te worden. Maar dat is slechtst de helft van het verhaal. De andere helft, de doelbewuste training, is minstens zo belangrijk. En met name dát aspect maakt het verschil; het verschil tussen iemand die redelijk presteert en iemand die excellent presteert.

Afbeelding uit Grit van Angela Duckworth

Bij doelbewuste training is kwalitatief hoogwaardige feedback van groot belang. Anders loop je, aldus Ericsson in Piek, op een bepaald moment tegen een grens aan. Zonder doelbewuste training met hoogwaardige feedback doorbreek je dit plafond niet en is er sprake van ‘arrested development’. Je kunt iets aardig, maar je blinkt er niet in uit.

Het schema hierboven laat bij het leren van een vaardigheid drie routes zien. De eerste route is dat je na een tijdje de pijp aan Maarten geeft. De verkoopmatjes tijdens Koningsdag zijn gevuld met attributen die ooit zijn aangeschaft om een hobby uit te oefenen, maar die amper zijn gebruikt. De tweede route is dat je, zoals gezegd, tegen een plafond aanloopt. Je kunt iets best aardig, maar ook al blijf je oefenen, je vaardigheid wordt niet groter. En dan is er de route naar het expertschap. Om daar te geraken, ik herhaal het nog maar eens, is doelbewuste training en hoogwaardige feedback nodig.

Een van de interessantste voorbeelden van doelbewuste training is Benjamin Franklin. Duckworth beschrijft in haar boek – ik denk overigens dat ze dit voorbeeld heeft ontleend aan Mastery van John Green – hoe doelbewust Franklin trainde om een vaardig schrijver van essays te worden. Hij vergeleek zijn eigen werk met de best gewaardeerde essays in die tijd. Deze verschenen in The Spectator. Franklin las de essays, maakte aantekeningen, legde The Spectator weg en herschreef het essay. Dit vergeleek hij met het origineel en verbeterde eventuele fouten. Ook husselde hij zijn aantekeningen door elkaar om te kijken of hij in staat was om ze in een logische volgorde te rangschikken. Het was een tijdrovende en lastige bezigheid, maar zoals Franklin hierover opmerkte: ‘There are no gains without pains.’

Feedback

Laten we even teruggaan naar het begin van dit blogbericht. Daar staat een citaat uit het boek van Duckworth. Haar veronderstelling dat mensen in hun werk feitelijk niet of nauwelijks iets aan doelbewuste training doen roept de vraag op hoe je ervoor kunt zorgen dat dit wel gebeurt en wat hiervoor nodig is. Er is veel over te zeggen, maar ik beperk tot een tweetal punten.

Het eerste punt heeft te maken met de kern van feedback. Die is, aldus Duckworth, door de bank genomen negatief. Het kan demotiverend werken als je herhaaldelijk hoort dat je iets niet goed of goed genoeg doet en wat je anders en beter moet doen. Een valkuil in het onderwijs is dat leraren lesbezoek krijgen waarbij een lange observatielijst wordt gehanteerd. Als er uit die lijst nu veel punten komen, dan kan het zo zijn dat je er als werknemer moedeloos van wordt. Waar te beginnen? is dan de vraag. Het antwoord ligt opgesloten in Piek. Je richt je in je verbetering dan wel ontwikkeling op een klein aspect van het brede palet dat je als ter beschikking hebt. Denk maar aan een top-tennisser. Die traint dagelijks, maar richt zich hierbij niet op het spel als geheel, of op bepaalde fases uit een wedstrijd, maar op een klein aspect uit het spel. Er wordt een tijdlang geoefend op de dubbelhandige backhand, om maar iets te noemen. Dit heeft als voordeel dat je hier als trainer direct feedback op kunt geven.

Het tweede punt gaat over de psychologie achter kleine verbeteringen van je werkplek. Leraren zouden, als we Duckworth en Ericsson volgen, vaker en doelgerichter feedback moeten krijgen, feedback gericht op een klein onderdeel van de onderwijspraktijk. Leraren zouden ook zó ondersteund moeten worden dat hun perceptie van hun professionele ontwikkeling positief is. Dit psychologische proces moet gelijk opgaan met de inhoudelijke begeleiding. Amibile en Kramer laten in hun boek zien dat kleine verbeteringen van de beroepspraktijk een grote invloed hebben op het werkplezier en werkgeluk. Als je als werknemer inziet dat je vooruitgang boekt, dat zaken stapsgewijs beter gaan, dan ervaar je feitelijk dat je groeit. Dat is iets wat we als leraren ten opzichte van onze leerlingen veel en vaak doen, maar als professionals naar elkaar vaak vergeten. Het boek van Amibile en Kramer is wijdlopig, maar in de kern komt het er op neer dat we oog moeten hebben voor het innerlijk werkleven van, in dit geval, leraren. Als hier oog voor is in school, dan leidt het tot een cyclus die er als volgt uitziet:

Bron: https://www.mudamasters.com/nl/verandermanagement-leiderschap/progress-principle-tamabile-skramer-samenvatting

Leraren die niet het gevoel hebben of krijgen dat ze vooruitgang boeken zullen op termijn afhaken.

Ritmes en routines als basis

Nu is een interessante vraag in welke context deze doelbewuste training zou moeten plaatsvinden. Een vermakelijk boekje van Currey wijst ons hierbij de weg. Hij heeft van een kleine 150 creatieve mensen beschreven hoe hun dagelijkse rituelen eruit zagen. Laten we als voorbeeld John Cheever nemen, een schrijver die ik nogal bewonder en van wie de verhalen mij nooit vervelen. Welnu, Cheever trok ’s morgens zijn netste pak aan en deed het voorkomen alsof hij met de andere bewoners van het appartementencomplex waar hij woonde naar zijn werk zou forensen. Maar Cheever verliet het pand niet, doch ging naar het souterrain, alwaar hij een fiks aantal uren hard werkte aan nieuwe verhalen. Dag in, dag uit.

Het is een vergissing te denken dat kunstenaars als Satie, Van Gogh en Robinson maar wat deden en wachtten op inspiratie. Nee, ze hanteerden vaste ritmes en routines bij het creëren van hun kunstwerken. En dat is iets wat de leraar – als onderwijskunstenaar – ter harte mag nemen. Iets creëren is vaak en vooral een kwestie van hard werken, volhouden, verwerpen, opnieuw proberen, verbeteren en uiteindelijk publiceren, tonen of ten gehore brengen. Voor dit proces helpt het als je als kunstenaar vaste ritmes en routines hebt.

De leraar nu is bij uitstek een professional die werkt met vaste ritmes en routines. Ze werkt, bijvoorbeeld, met een vast instructiemodel, heeft in haar dagprogramma steeds terugkerende vakken en onderwerpen en is vaak voor langere tijd verbonden aan een jaargroep of afdeling. Dat gegeven maakt doelbewuste training gekoppeld aan effectieve feedback relatief gemakkelijk te realiseren. En toch geldt voor de werkpraktijk van de leraar meestal het citaat van Duckworth: “My guess is that many people are cruising through life doing precisely zero hours of daily deliberate practice.” Er zijn maar weinig leraren die zeer regelmatig feedback krijgen op hun werk, laat staan dat ze doelbewust trainen op een klein aspect van hun beroepspraktijk. Daarmee zijn ze, als we Duckworth mogen geloven, geen uitzondering, maar jammer is het wel.

Enkele voorbeelden

Dat leraren weinig doelbewust trainen kun je heel mooi zien aan de invoering van een nieuwe methodiek of nieuwe methode. Er wordt vaak meer tijd besteed aan het uitkiezen van zo’n aanpak of lesmethode, dan aan het invoeren ervan. Hierdoor ontstaan in een schoolorganisatie grote verschillen in aanpak en kwaliteit tussen leraren. Als leraren bij de invoering van een methodiek doelbewust zouden trainen en hierbij hoogwaardige feedback zouden krijgen, dan zouden de verschillen tussen de leraren kleiner zijn en de kwaliteit hoger liggen. Dat is wel de kernboodschap die uit de vier hierboven genoemde boeken valt te destilleren. Maar hoe doe je dat dan? Ik zal enkele voorbeelden geven.

Het komt er op aan om de nieuwe methodiek in kleine, behapbare brokken op te delen. Neem Close Reading. Een eerste stap bij het hanteren van deze methodiek is dat je als leraar in staat bent om een goede, inhoudelijke interessante tekst te selecteren. Als je deze eerste stap beheerst, dan is het vorm en inhoud geven aan zo’n les niet zo heel ingewikkeld. Als je bij de tekstselectie goede begeleiding met krachtige feedback krijgt (en hierbij tevens leert dat Nieuwbegrip niet geschikt is voor CR omdat de teksten zo belabberd zijn) dan is de eerste slag geslagen.

En dat geldt ook voor een onderwerp als het gedrag van leerlingen. Je kunt een leraar helpen door bepaalde interventies in de klas doelbewust te trainen. Een eerste stap is hierbij door met deze collega achter in de klas van een andere leraar te gaan zitten en te bespreken en te benoemen wat die leraar doet om storend gedrag voor te zijn. Dit zijn vaak zeer effectieve micro-interventies die ervoor zorgen dat de orde in de klas bewaard blijft en het ritme van de les niet onderbroken. Je ziet dat ervaren leraren micro-correcties uitvoeren tijdens een les en dat is door doelbewuste training met effectieve feedback door veel leraren te leren.

Een derde voorbeeld betreft het formuleren van een lesdoel. Binnen het EDI-model wordt gewerkt met lesdoelen die bestaan uit een concept en een vaardigheid. Je kunt, als oefening, bij een blok spelling of rekenen bij elke les een lesdoel formuleren en deze bespreken met een leraar die zeer bedreven is in het formuleren van lesdoelen. Als je een goed en helder lesdoel hebt, dan heb je het fundament van je les staan.

Ter afsluiting

Lesgeven is een complexe vaardigheid. Die vaardigheid moet je doelbewust trainen en ontwikkelen. Dat lukt je in tegenstelling tot Benjamin Franklin, waarschijnlijk niet ‘op je eentje.’ Daar heb je feedback bij nodig; feedback gegeven door iemand die in staat is om ervoor te zorgen dat je als leraar je ontwikkelt en dat je hierbij steeds meer aspecten van die complexe vaardigheid onder de knie te krijgt. Je ervaart dan ‘small wins’ die verdraaid positief werken voor je werkgeluk en die je helpen om een betere leraar te worden. Ik ben, na 25 jaar lesgeven, nog steeds blij met collega’s die me verder helpen en me feedback geven zodat mijn lespraktijk verbetert.