Schop onder z’n kont

Voor de papa’s. En voor hun zoons.

Kom op zeg, dat jongens school geen reet aan vinden, is zo oud als de weg naar Rome. Nou ja, we weten het zeker al een kleine zeventig jaar. Of heb je Catcher in the Rye van J.D. Salinger niet gelezen? Zoals Holden Caulfield tekeergaat over het onderwijs, dat is ongeëvenaard. Ik geloof niet dat jouw zoon het beter onder woorden zou weten te brengen.

Natuurlijk heeft Holden het lastig. Jezus, zijn broertje ging dood aan kanker. Wat denk je zelf? Toen-ie hoorde dat Allie dood was, sloeg-ie uit frustratie de ruiten van de garage in. Hij kan hierdoor zijn vuist niet meer ballen zoals hij zou willen. Misschien dat-ie zich daarom laat afrossen door kamergenoten en liftjongens.  Ach, weet ik veel.

Maar goed, dat helemaal niks deugt aan het leven, zoals Holden volhoudt, daar deugt natuurlijk niets van. Hij loopt leeg tegen zijn vriendin, die er doodmoe van wordt. En het is tenslotte zijn zusje Phoebe die hem voorhoudt dat-ie helemaal niks de moeite waard vindt. Zijn zusje dus, die spelt zoals ik en amper weet wat er in de staat Alaska gebeurt, maar dat maakt niet uit. Ze doorziet Holden. Ze roept dat hun vader hem vermoordt omdat-ie weer van school is getrapt, maar je weet gerust wel dat dit niet gaat gebeuren. Maar ze houdt die lastige puber Holden Caulfield wel een spiegel voor. Ze geeft ‘m met woorden een enorme trap voor z’n donder.

Ik weet nog hoe mijn zoon eens begon over een tussenjaar. Hij kwam niet verder dan halverwege de zin. Ik zette er radicaal een streep door. Op de bank liggen doe je maar als je het zelf kunt betalen. Hij bleef er zowat in.

Maar goed, die zoon van jou is misschien al gaan liggen en je hebt geen idee hoe je ‘m er weer vanaf krijgt. Toch?

Weet je, mijn broer en ik klommen vroeger wel eens op het dak van ons huis. Dan rende buurvrouw Nel naar buiten. Die riep dat ze onze poten zou breken als we niet als de sodemieter naar beneden kwamen. Dat deden we niet natuurlijk. We nodigden haar uit om naar boven te komen. Maar ’s avonds, als onze moeder thuis was, dan kregen we er van langs.

Een schop onder je reet kon je krijgen.

Dat is ook de beste manier om te leren op beide benen terecht te komen.

Probeer het maar eens met je zoon.

Advertenties

Tittel noch jota

Ach ja, dat lerarentekort. We vliegen elkaar in de haren over artikel 23, over de rol en positie van de leraar in het leerproces van de leerling en over de vraag waartoe dat vermaledijde onderwijs moet opleiden. Interessante kwesties, maar het is net alsof je staat te oreren over je likdoorns terwijl een kwaadaardig gezwel je van binnen uit aan het opvreten is.

De leraren zijn op. En de toestroom van studenten naar de pabo’s stagneert. De reden hiervoor is dat potentiële studenten te weinig weten. Dat krijg je ervan, met je onderzoekend en opzoekend onderwijs, denk ik dan. Kennis is al een tijdje dood en als je dan een toelatingstoets moet doen waarin je kennis wordt getest, dan heb je de poppen aan het dansen.

Het Parool schreef vanmorgen het volgende over die testen:

Schermafbeelding 2019-08-01 om 09.09.30

En welke studenten halen deze testen niet? Opnieuw Het Parool:

Schermafbeelding 2019-08-01 om 09.12.54

Laten we vijftig jaar teruggaan in de tijd. Toen konden leerlingen met een mulo-diploma in de zak naar de Kweekschool. In hun eerste jaar werd kennis bijgespijkerd. Iets wat de pabo’s blijkbaar niet willen doen. Deze ‘kwekelingen’ deden iets langer over hun opleiding, maar gingen wel met een pak aan kennis het beroep van leraar in.

Ik zou dat proces herhalen. Je zet geweldige docenten voor de groep. Docenten die zowel de inhoudelijke kennis van een vak als geschiedenis behandelen en ook iets kunnen vertellen over effectieve didactiek.

Maar goed, kennis is dood.

En de gemiddelde docent op de pabo heeft geen kaas gegeten van effectieve didactiek.

Ik geef je op een briefje dat binnenkort op Twitter een betrokkene bij het onderwijs opmerkt dat die testen onnodig zijn. Het gaat erom dat een leraar een leerling weet te stimuleren het zelf uit te zoeken. Zou zo’n leerling, om een willekeurig voorbeeld te geven, in staat zijn om er zelf achter te komen dat de aartsvader van zowel de joden, christenen als moslims in de werkplaats van zijn vader tekeerging tegen veelgoderij, het maken van beelden en het offeren aan die beelden?

Waar moet je beginnen, als de leraar het allemaal ook niet weet?

Nou, op YouTube bijvoorbeeld:

IMG_5778.PNG

 

De leraren zijn op. Het onderwijs is stuk. En de begrafenisondernemer doet er nog een schepje bovenop. Want die Abraham weet waar je de mosterd haalt.

En kijk eens, daar is nog zo’n Abraham met een voorspelbare reactie:

Schermafbeelding 2019-08-01 om 19.44.41.png

 

Met de benen op tafel

“We have become a civilization based on work—not even “productive work” but work as an end and meaning in itself.”

― David Graeber, Bullshit Jobs: A Theory

Als je in het basisonderwijs een volledige aanstelling hebt, dan heb je een werkweek van veertig uur. Een reden waarom leraren zoveel last hebben van werkdruk is de wijze waarop die veertig uren worden ingevuld. Ik merk dat bestuurders en schoolleiders menen dat een werkweek van veertig uur betekent dat je die veertig uur ook daadwerkelijk bezig moet zijn. Dat lijkt een vanzelfsprekendheid, maar is dit niet. In dit blog zal ik je uitleggen waarom een leraar na een dag lesgeven zo min mogelijk moet doen en waarom zij niet eindeloos op school moet blijven plakken. Verder laat ik je zien dat het voorbereiden van een les beter in je hoofd dan op papier kan plaatsvinden.

Stenen rapen

Dit blog begon met een citaat uit Bullshit Jobs. In dit boek vertelt David Graeber een veelzeggend verhaal over een cowboy. Het werk van zo’n cowboy op een ranch kent piekmomenten en momenten van relatieve rust. Soms moet een cowboy zich een slag in de rondte werken, om het even later rustiger aan te kunnen doen. Dat laatste sprak een ranchhouder niet bepaald aan. Op momenten dat er maar weinig te doen was, propte de eigenaar van de ranch zijn cowboys in een wagen, reed ze naar een afgelegen veld en gaf ze de opdracht daar de stenen van het land op te rapen. Die stenen werden op hopen gelegd. De cowboys die met deze klus werden opgezadeld hadden feilloos in de gaten dat dit rapen van stenen een manier was om hen bezig te houden. Dat de stenen al honderden jaren op het veld lagen en nooit een probleem hadden gevormd, of dat de steenhopen vervolgens jaren bleven liggen, maakte niets uit. De cowboys moesten werken voor hun geld.

Als leraar loop jij ook regelmatig stenen te rapen. En dat komt zo. Het beroep van leraar is er een waarbij de arbeidsproductiviteit niet toeneemt. Het is nu eenmaal niet mogelijk om de lesstof in een hoger tempo aan te bieden of les te geven aan klassen met vijftig of meer leerlingen. Alle technologische ontwikkelingen ten spijt, leerlingen iets nieuws leren vraagt nog steeds dezelfde tijd en aandacht als pakweg vijftig of honderd jaar geleden. Maar als je salaris stijgt en je arbeidsproductiviteit gelijk blijft, dat word je op de keper beschouwd duurder. Dat is in tijden waar met een economische bril op naar de werkelijkheid wordt gekeken lastig. Aan de ene kant is er met zo’n bril op weinig bereidwilligheid om de salarissen te verhogen, terwijl er anderzijds een grotere druk ontstaat om de uren die je werkt te verantwoorden. Als je veertig uur per week op de loonlijst staat, dan moet je die veertig uur ook daadwerkelijk maken. Daarom krijg je naast je lesgebonden uren zoveel andere taken in je maag gesplitst. Daarom ook zijn er op zo veel basisscholen werkgroepen waarin jij je uren zit te maken en je tijd te verdoen. Deze werkgroepen leveren meestal weinig op en houden je af van wat je in die tijd beter had kunnen doen, namelijk lummelen.

Maar weet je wat? Als je naar de gemiddelde werknemer in Nederland kijkt, dan werkt deze niet de uitbetaalde acht uur op een werkdag, maar gemiddeld dertien. De meeste werkgevers krijgen in Nederland daarmee enorme waar voor hun geld. Ze kunnen stevig klagen als werknemers om loonsverhoging vragen, maar ze zouden zich eens moeten realiseren dat de meeste werknemers zich een slag in de rondte werken voor hun werkgever en dat deels ook nog eens voor nop doen.

Dat is in het onderwijs niet anders. Leraren maken lange dagen. Die dagen moeten ze wel maken, omdat ze van hun werkgever niet de kans krijgen om na schooltijd hun benen op tafel te leggen en na te denken over de lessen van vandaag en die van morgen. Nee, de leraar rent van bijeenkomst naar bijeenkomst en hoort aldaar weinig wat ze nog niet wist en veel wat er niet toe doet. Als deze bijeenkomsten eindelijk voorbij zijn, dan is er tijd om terug- en vooruit te blikken. En als dat is gedaan, dan wacht nog het lezen en beantwoorden van allerlei e-mails. Dat er veel leraren zijn die ‘maar’ vier dagen werken in plaats van vijf, heeft hier mee te maken. Die maken in vier dagen de uren die passen bij een werkweek van ruim vijf dagen. Dat er schoolbesturen en schoolleiders zijn die durven verlangen dat leraren een deel van hun vakantie opgeven omdat er nog uren moeten worden gemaakt, is een gotspe. In dit verband zou er sprake moeten zijn van omgekeerde bewijslast. Laat jouw werkgever maar eens aantonen dat jij je uren niet maakt.

De benen op tafel

Ik schreef hierboven dat je in plaats van deel te nemen aan werkgroepen beter je tijd kunt verlummelen. Dat is voor velen, zo merk ik als ik er met hen over praat, een lastig onderwerp. Het lijkt wel alsof ze dieper dan ze zichzelf realiseren zijn besmet met het calvinistische idee dat werken ook betekent dat je daadwerkelijk iets doet. Met andere woorden, dat je het verschil kunt zien tussen iemand die werkt en iemand die het niet doet. Welnu, als jij rond half vier mijn klaslokaal inloopt en je ziet me ontspannen zitten met de benen op de tafel van mijn bureau en denkt dat ik lanterfant, dan zal ik je gelijk en ongelijk geven. Ik doe niets, maar ondertussen enorm veel. Ik zal dit uitleggen.

Je weet net zo goed als ik dat lesgeven een intensief beroep is. Als je ruim vijf uur per dag voor de klas staat, dan sta je ook daadwerkelijk die vijf uur aan. Je neemt tijdens zo’n lesdag een veelheid aan grote en kleine beslissingen. Die kunnen te maken hebben met de les zelf, het gedrag van een leerling of het antwoord op de vraag van iemand die je klas binnen loopt. Tijdens zo’n lesdag let je op alles en iedereen. Je wilt weten hoe het met je leerlingen gaat, of je ze moet dan wel kunt helpen en je kijkt tijdens het lesgeven kritisch naar je eigen handelen. Zo kun je op basis van de feedback van je leerlingen besluiten om de volgorde van de les te veranderen. Of je past de les aan omdat je onvoldoende op de hoogte was van de voorkennis van je leerlingen. Dat laatste gebeurt vaker dan je denkt. Hattie zegt over een les dan ook terecht ‘a lesson never goes as planned.’ Je bent als leraar voortdurend aan het sturen, bijsturen, aanpassen en finetunen. Dat is naast uitdagend ook vermoeiend.

De mentale kracht die lesgeven van je vraagt, moet je na een schooldag kunnen compenseren. Vandaar dat mijn benen op tafel liggen. Ik kijk dan terug naar de afgelopen dag. Ik vraag me af wat is goed gegaan, wat beter had gekund en wat dit betekent voor de komende lessen. Als je die tijd niet hebt, dan maakt het van je vak iets mechanisch. Het vakmanschap wordt uitgeschakeld en lesgeven wordt teruggebracht tot het uitvoeren van wat er in een methode of handleiding staat. Ik denk weleens dat de kwaliteit van ons onderwijs zo onder druk staat omdat leraren te weinig tijd krijgen om na te denken – alleen of gezamenlijk – over hun lessen. Een vakman streeft naar goed werk en bekijkt telkens of het werk dat zij levert aan die normen voldoet. Dat reflecteren op het geleverde werk is minstens zo belangrijk als het geleverde werk zelf. Wie dit beperkt of weghaalt uit mijn beroep, snijdt daarmee een deel van de ziel van het leraarschap aan stukken. Mijn benen op tafel tonen mijn vakmanschap. En als jij binnenkomt, dat bied ik je een stoel aan en een tafel om je benen op te vleien. Immers, samen nadenken en praten over lesgeven is krachtiger en beter dan het alleen te doen.

Minder taken, beter les

Als je in het basisonderwijs werkt, dan geef je ongeveer vijfentwintig uur per week les. Als je nu eens twee uur per dag neemt om over je lessen na te denken en de volgende lessen voor te breiden en te plannen, dan heb je nog ongeveer vijf uur per week over om andere zaken te doen (40 – 25 – 10 = 5 uur). Dat is maar weinig tijd; ongeveer een uur per dag. Als je die optimaal zou willen gebruiken, dan zou je het beste dat uur per dag kunnen gebruiken om een wandeling te maken of een rondje te fietsen. Als je afstand neemt van je werk, ontstaan vaak de beste ideeën. Als ik met collega’s spreek en ze vraag waar en wanneer ze de beste ideeën krijgen, dan is het antwoord dat dit gebeurt als ze met de hond wandelen (bij voorkeur langs het strand) of een fietstochtje maken. Werkgevers kunnen er gerust op zijn dat leraren die na schooltijd redelijk snel de school verlaten gewoon aan het werk blijven. Sterker nog, de kans is groot dat wanneer jij geen tijd kwijtraakt aan taken die weinig tot geen waarde toevoegen aan jouw onderwijs, jij betere lessen zult voorbereiden. Terwijl je rustig door de bossen peddelt en geniet van een kleine bonte specht die links van je haar snavel in de boom boort, dan zie je de volgende lessen voor je. Je bereidt ze mentaal voor. Je ziet het lesverloop aan je ogen voorbijgaan en je bedenkt, terwijl je in een gestaag tempo verder trapt, welke vragen je leerlingen zouden kunnen stellen of wat je doet wanneer leerlingen vastlopen bij een zeker onderdeel van je les. Bovendien kom je zonder stress thuis. Je werk ligt achter je en heb je fysiek achter je gelaten.

Dit mentale proces van lessen voorbereiden is misschien wel de belangrijkste tip die ik stagiaires meegeef. Het mentale aspect van je vakmanschap, het voor je zien van een les en lesverloop, is een vaardigheid die je moet proberen te ontwikkelen. Lees Piek van Anders Ericsson er maar op na.

Grote leraren, geen taken

Laten we teruggaan naar de hoeveelheid aan taken die jij als leraar krijgt toebedeeld. Neem eens twee van de grootste leraren die er in de Westerse geschiedenis zijn geweest. Denk je dat Socrates zich zou laten afleiden van zijn gedachten en onderwijzingen door een takenlijst die hem door een ander zou worden voorgehouden? Of dat Jezus van Nazareth, een bevlogen en soms ongeduldig leraar, zijn apostelen teleur zou stellen omdat hij zich moest buigen over de jaarbestelling? De koopmansgeest in het Nederlandse onderwijs zie je precies hier terug. We zijn niet bereid om zoveel in het onderwijs te investeren dat leraren zich geheel kunnen wijden aan hun belangrijkste taak. Nee, we laten ze veertig uur werken. Dat ze daarbij stenen moeten rapen doet er niet toe.

We zijn ondertussen in de situatie beland dat met de normjaartaak tot achter de komma wordt berekend hoeveel tijd je aan welk facet van je werk moet besteden. Dat is waanzin. En het antwoord op die waanzin is onderwijsminimalisme. Het gaat erom dat je weet wat ervoor zorgt dat je goed onderwijs geeft. En voor die aspecten moet je staan. Het is niet zo erg wanneer je een bestelling vergeet te plaatsen. Het is erger wanneer je leerlingen niet de lessen krijgen die ze zouden hebben gekregen als jouw hoofd fris was en je energie en tijd genoeg had om die goed voor te bereiden.

Bewaak je grenzen

Als de overheid en je werkgever niet direct bereid zijn om jouw grenzen te bewaken, dan moet je het zelf doen. Vanuit de minimalistische kijk op het vak van leraar is duidelijk dat je tijd moet zitten in zaken die ertoe doen. Dit lijken mij in eerste instantie onderwijs geven, lessen evalueren en nieuwe voorbereiden. Alle andere zaken zijn wellicht van belang, maar toch echt ondergeschikt aan je primaire taak. Het kan dus geen kwaad om dit duidelijk aan te geven.

Er is veel gemopper op leraren die voor uitzendbureaus werken en gaten dichten die zijn gevallen door het lerarentekort. Deze leraren geven les, denken na over hun lessen en bereiden nieuwe lessen voor. Daarna gaan ze naar huis. Besturen zijn bereid om veel geld aan zo’n uitzendkracht uit te geven. Zo’n leraar kost nu eenmaal een stuk meer dan jij. Als die besturen nu eens dat extra geld dat een uitzendkracht kost zouden besteden aan ondersteunend personeel, dan wordt je werkdruk lager en worden – hoogstwaarschijnlijk – je lessen beter.

 

 

Zelf aangewezen piskijkers

In Nederland kan alles. Je kunt van wensdenken een wetenschappelijke discipline maken. Die discipline noem je transitiekunde. Je zet Jan Rotmans aan het hoofd, je pookt lui als Dölle en Boonstra op om nonsens te debiteren en je hebt ze hoor, die veranderingszeloten die het ‘systeem’ willen slopen. Die roepen de gloria uit als ze Dölle of Boonstra horen raaskallen. Deze zeloten hebben zelf anderhalve dag voor de klas gestaan, bakten er weinig van en dachten toen al dat er iets niet klopte. Het ‘systeem’ spuugde hen uit. Tijd om terug te tuffen.

Neem nou eens dat linkedinstukkie van Dölle. Het lerarentekort legt de makken van het ‘systeem’ bloot en als we dat ‘systeem’ veranderen dan komt het wel weer goed. Bovendien kijkt dat ‘systeem’ op een verkeerde manier naar vakmanschap. Bevoegd is niet perse bekwaam. En andersom.

En de zeloten maar klappen.

Waarvoor eigenlijk? Nou, voor neo-marxisme in optima forma. “Ik voorspel dat het ‘systeem’ z’n langste tijd heeft gehad. En weet je wat, ik sloop het persoonlijk als het niet gaat zoals voorspeld.”

Boonstra als Lenin en de leraar de koelak.

Even een analogie. Stel je eens voor dat de oncologen op zijn. God verhoede, maar wie weet wat er ons in de volgende ‘systeemcrisis’ te wachten staat. Zouden Dölle cum suis dan ook iets roepen over bevoegd en bekwaam en opmerken dat de kennis over  bestrijding van kanker buiten het ‘systeem’ te vinden is? Zou u het, met andere woorden, dan een probleem vinden als Jomanda de diagnose stelt, de behandeling voorschrijft en het proces monitort?

Over het onderwijs kan en mag iedereen zeggen wat-ie wil. Want hé, iedereen heeft er verstand van. Iedereen heeft lange tijd in de bankjes gezeten en toen een grondige analyse gemaakt van het onderwijssysteem. Je organiseert vervolgens een Hackathon, je schrijft een boekje, je leest leraren de les en je bent plots de held van het moment. Ik vind dat prachtig. Ik volg met interesse de opvattingen van al deze verandergoeroes, deze zelf aangewezen piskijkers van het onderwijs. Ik zou ze het liefst stevig omarmen, even fijnknijpen en met bewonderende blik willen vragen of ze mij een eenvoudig antwoord kunnen geven op een even eenvoudige vraag.

Want kom op vrienden, voor de klas staan en/of een school leiden is geen sinecure. Of je het ‘systeem’ stuk slaat of niet, er is altijd een organisatievorm nodig die tijd, energie en aandacht vraagt. En vakmanschap. Iemand zal de leiding moeten nemen. En juist omdat Boonstra, Dölle en de bagagedragerrijders die verandering voorstaan, het ‘systeem’ willen wijzigen, dan zouden zij wat mij betreft ook maar eens moeten laten zien dat zij wel kunnen waar wij, door het ‘systeem’ (dat spreekt), ernstig tekortschieten.

Mijn eenvoudige vraag is derhalve: Zou je kunnen uitvoeren wat je voorstaat?

Zolang ze geen andere verantwoordelijkheid nemen dan zich te gedragen als de clown aan de zijlijn – veel meer dan een narcistische roep om aandacht zijn al die stukjes, clubjes en boekjes niet als je het mij vraagt – doet-’t me maar weinig.

Ze maken mij de pis niet lauw.

Onderwijseikenprocessierups

Het lerarentekort is als de eikenprocessierups. Het is een last, een  plaag van welhaast bijbelse proporties die voorlopig nog wel even zal aanhouden. Op sommige plekken is de last van het lerarentekort groter en ernstiger dan op andere plekken. Op sommige plekken is de plaag al jaren gaande.

In nieuwsuitzendingen wordt aandacht besteed aan het lerarentekort én de rupsenplaag, maar al snel schakelt men over naar luchtiger en vrolijker onderwerpen. Is Katja Schuurman niet onlangs getrouwd? Ja, op blote voeten nog wel. Toe maar!

Het lerarentekort is als de eikenprocessierups. Je kunt er vrolijk over klagen en laten zien dat het in andere landen al net zo is. En kijk eens, er zijn task forces in het leven geroepen om de problemen te lijf te gaan. Of het helpt weet niemand, maar hé ze zijn er. Je kunt ze een microfoon voorhouden om platitudes te noteren.

Het lerarentekort is als de eikenprocessierups. Geen maatregel helpt. Het tekort en de rups rukken op.

Het is alsof de verantwoordelijken een uitslaande brand staan uit te kwatten.

De rups rukt op omdat ecosystemen door de mens aan flarden zijn gereten. Overal eiken, nergens natuurlijke vijanden. Het onderwijssysteem wordt al jaren door politici, bestuursraden en vakbonden aan flarden gereten. Overal scholen en overal natuurlijke vijanden.

Fijne vakantie.

 

 

Roedels wolven

Wie op Twitter vraagt om een gematigde toon in de gesprekken, heeft weinig begrepen van wat sociale media met mensen doet. Tenminste, dit betoogt Jaron Lanier in zijn boek Tien argumenten om je sociale media-accounts nu meteen te verwijderen. Agressief gedrag is nu eenmaal gedrag dat past bij verslaafden. Want dat we verslaafd zijn aan sociale media lijkt een gegeven van deze tijd. We worden door de korte feedback loop van bijvoorbeeld Twitter en Facebook geprikkeld om te kijken, te antwoorden, te kijken, te liken, te kijken, te lezen, te klikken, etcetera. Dat jij het bent die kijkt, post of klikt doet niet ter zake. Het gaat erom dat jouw verslaving aan sociale media leidt tot wat Lanier noemt ‘non-stop gedragsmodificatie op wereldwijde schaal.’

41JSUM4-DbL

Daarin schuilt een prachtige ironie. Veel van de personen die zich op Twitter begeven om zich te mengen in debatten over onderwijs doen het voorkomen alsof ze autonoom handelen en dat ze autonomie vooropstellen, maar in de kern vertonen ze gedrag dat past, aldus Lanier, bij een roedel wolven. Gelijkgestemden kruipen bij elkaar, verdedigen gezamenlijk hun territorium (ideeën) en gaan daarbij al snel een grens over die ze, wanneer ze niet op sociale media zouden zitten, niet over zouden gaan. In sommige gevallen heeft deze ‘roedelstand’ zin. Je kunt hierbij denken aan een legereenheid. Maar voor jezelf is die stand verre van effectief. Het vertroebelt je blik op de wereld, de waarheid wordt ondergeschikt aan wat de roedel meent te vinden en de anderen zijn de tegenstander. Dat Twitter een ‘war zone’ is, is voor iedereen die er een kijkje neemt duidelijk. Twitter haalt eenvoudigweg het slechtste in de beste mensen boven.

In zijn beknopte boek geeft Lanier tien argumenten om al je sociale media-accounts per direct te verwijderen. Hij is niet tegen internet, maar Lanier laat zien dat sociale media mensen conditioneert op skinneriaanse wijze. Het is op zijn minst bijzonder te noemen dat ouders voor hun kinderen onderwijs willen waarbij ze veel ruimte en vrijheid krijgen om hun eigen talenten en vraagstukken centraal te stellen, terwijl diezelfde ouders het geen probleem vinden dat het autonoom denken en handelen van hun kinderen door sociale media enorm wordt ingeperkt. Het feit dat op sociale media waarheid geen waarde heeft, jouw meningen en opvattingen betekenisloos zijn – ze dienen alleen maar om verkeer te genereren – of dat je empathisch vermogen eraan gaat, is voor deze ouders blijkbaar geen probleem. Ze zullen ongetwijfeld vragen om een lespakket digitale vaardigheden, maar of dat zal helpen, is maar de vraag.

Ik zit niet meer op Twitter en LinkedIn, ik ben lang geleden vertrokken van Facebook en aan andere platforms ben ik nooit begonnen. Ik zou het liefst morgen WhatsApp eraan geven, maar er is geen alternatief waar iedereen naartoe kan en wil overstappen met behoud van de geschiedenis, laat Lanier zien. Ik had eens Telegram geïnstalleerd, maar de enige die ik daar tegenkwam was mijn schoonmoeder. De reden dat ik van WhatsApp afwil, is dat ik veronderstel dat Facebook, dat de eigenaar is van WhatsApp, de hele structuur van WhatsApp gaat ombouwen, om ook daar weer van de mens een gekooid dier met voorspelbare reacties te maken. Ze willen er zelfs een munteenheid aan koppelen, heb ik begrepen.

Wat is er mis met een sms-je? Of beter: bel me!

Een jaar of vier geleden was mijn mobiele telefoon stuk. Ik vertikte het een nieuwe te kopen. Ik vond de rust weldadig. Maar familie en werk verplichtten me bijkans weer zo’n apparaat te kopen en al die apps opnieuw te installeren. Als Schiphol roept voor een verre vakantie, dan schakel ik het ding uit en stop het weg in een lade. Eens zei iemand dat je weinig hebt bereikt als je altijd bereikbaar moet zijn. Dat is denk ik ook zo. Wie rust wil en zichzelf weer wil ontdekken, moet eens een tijdje sociale media links laten liggen.

Maar goed, terug naar het boek van Lanier. Zelfs het schrijven van blogs zou je onder sociale media kunnen laten vallen. Lanier had een tijdje een column in HuffPost. Op de voorpagina nog wel. Ook hier ervoer Lanier weer de neiging om zoveel mogelijk bereik en reacties te genereren. Hij koos onderwerpen die reuring zouden opleveren. En in de reacties gebeurde hetzelfde als in een draad op Twitter: de reacties waren ‘roedelgedreven.’ Ik heb met mezelf afgesproken dat ik elke reactie op mijn blogs toelaat, maar ik vertik het om ze te lezen. De bevrijding van Twitter wil ik niet opgeven door me in een nieuwe loopgravenoorlog te begeven.

Er is nog iets wat ik aan het boek van Lanier wil toevoegen. Dat ligt, natuurlijk zou ik willen zeggen, in het onderwijsdebat. De voorspelbaarheid en het venijn van de reacties op Twitter inzake directe instructie of onderzoekend leren zijn alom bekend. Maar ze verplaatsen zich nu naar andere media. Artikelen in kranten en tijdschriften over onderwijs lijken geïnfecteerd door het roedelgedrag. Het zou goed zijn als de journalistiek – zelf ook veel te actief op Twitter – distantie en elegantie zou betrachten.

Als Lanier het slagveld van de sociale media overziet, weet hij – naast een ander gebruik van internet – eigenlijk maar één alternatief te noemen, namelijk de podcast.

Ik deel er twee met u. Die gaan niet over onderwijs. Ik houd van mijn vak, maar ik lees en denk tegenwoordig graag over geheel andere dingen, zoals biologie, natuur, geschiedenis, politiek en het gedrag van wolven.

  1. Een podcast over zoetwaterplantjes (azolla) die eens op de Noordpool groeiden en een belangrijke rol hebben gespeeld in de afkoeling van de aarde. Een verhaal vol kennis en prachtig toeval.
  2. Een podcast met schrijver Robert Macfarlane over zijn boek The Old Ways. Na 9:30 minuten spreekt hij over wandelen als een middel om ‘the black dog’ (depressie) achter je te laten.

Er op uit, mensen.

 

biomimicry & serendipiteit

Zou het mogelijk zijn om mijn leerlingen in groep 6 kennis te laten opdoen over de begrippen biomimicry en serendipiteit, zo vroeg ik me af. Ik dacht van wel. Ik bedacht twee lessen. Voor elke les had ik een andere aanvliegroute, maar het doel voor beide lessen was hetzelfde. Ik zal daar later in dit blog iets over schrijven. Allereerst wil ik de aanleiding schetsen voor de lessen over biomimicry en serendipiteit.

Het zit namelijk zo. Deze week kwamen medewerkers van de Hortus Botanicus langs op mijn school. Zij namen mijn leerlingen mee in een les onderzoekend leren. Ik stond erbij, keek er naar en leerde er van. Ik leerde dat het vinden van biologische genialiteit en er een toepassing voor een menselijk product bij bedenken verdraaid ingewikkeld is. In een les van ruim een uur kregen de leerlingen de beginselen van biomimicry uitgelegd, zagen ze een aantal voorbeelden, waarna ze in kleine groepjes een plant of een deel van een plant kregen om nader te onderzoeken. Na dit onderzoek moesten ze een toepassing voor de mens bedenken.

Maar hoe weet je nu wat het bijzondere is van zo’n plant? Wat is de biologische genialiteit? En hoe kom je daar achter? Je hebt echt een pak kennis nodig om daar te geraken. Zo kreeg een groepje leerlingen een bakje vol vlotvarens. Dit zijn plantjes die, wanneer je ze onder water duwt, hun weg naar het wateroppervlak weten terug te vinden en vervolgens snel droog zijn. Weten mijn leerlingen dat deze twee facetten bijzonder zijn? Zien ze dat er op het blad kleine ‘haartjes’ zitten die lucht vasthouden als zo’n blad naar beneden wordt getrokken? En kunnen ze vervolgens dit gegeven gebruiken om iets te ontwerpen dat, zoals in de natuur, energiezuinig, doelmatig en duurzaam is?

Salvinia-molesta

Je moet eens een lijstje maken van wat je allemaal moet weten om allereerst het achterliggende idee te doorzien om vervolgens een geschikte toepassing te vinden. Je schrijft zo vijftien zaken op. Kennis maken met biomimicry lijkt leuk, maar je kon in mijn groep de frustratie voelen toen ze niet achter het geniale van de salvinia (vlotvaren) wisten te komen. Ik heb deze les eens zelf gedaan tijdens een open dag van de Hortus. Ik bakte er niets van. Ik had een grondig gebrek aan kennis, zo ontdekte ik. Toen ik huiswaarts fietste mompelde ik besmuikt ‘in times of chimpanzees I was a monkey.’

Aan zo’n les (en aan ontdekkend leren in ’t algemeen) ligt een gebrek aan kennis ten grondslag. En dat gebrek is dat je onvoldoende inzicht heb in de complexiteit van je eigen kennis en het gebrek eraan bij de leerlingen onderschat. Hiermee bedoel ik dat wanneer je naar zo’n les door de ogen van de leerlingen kijkt, je jezelf moet realiseren dat het gat tussen je eigen kennis en kunde en dat van hen groot is. Je kunt in zo’n geval, waarbij bijvoorbeeld natuurkundige, biologische en scheikundige processen een rol spelen, niet verwachten dat leerlingen de afstand tussen jouw kennis en kunde en die van henzelf zelf kunnen overbruggen door te onderzoeken, zichzelf vragen te stellen, etcetera. Is het, om maar iets te noemen, uitzonderlijk dat wanneer je salvinia onder duwt, de plant weer zelf boven komt? En is het uitzonderlijk dat het blad lucht weet vast te houden, waardoor het gemakkelijk weer boven komt drijven? Je zult dan allereerst een gedegen kennis moeten hebben van planten die op het wateroppervlak leven.

Ik heb dit soort lessen vaker gezien. Meestal van externen die menen – en dat valt ze niet te verwijten – dat het gat tussen hun kennis en dat van jonge kinderen gemakkelijk te dichten valt. Er ontstaat in de groep dan vaak een vraaggesprek, waarbij de externe een enorme hoeveelheid vragen stelt en daarmee de kinderen leidt tot de goede antwoorden. Het lijkt er dan op dat de leerlingen in de klas weten wat jij denkt dat ze weten, maar dat is niet het geval. Feitelijk heb je hen het antwoord in de mond gelegd. Als een slechte rechercheur heb je onbetrouwbare bekentenis afgedwongen.

Dus dat externen, zonder lerarenopleiding in de achterzak, op deze manier lesgeven, valt  te billijken. Ik heb er meer moeite mee wanneer zulke ideeën door leraren worden uitgedragen. Daarmee zeg ik niet dat ik tegen ontdekkend of onderzoekend leren ben. Ik zie deze zaken meer als iets wat volgt op een proces waarbij kennisoverdracht centraal heeft gestaan. Ik ben bijvoorbeeld benieuwd wat leerlingen in VWO-6 met zo’n les zouden aanvangen. Ze hebben 8 jaar langer op school gezeten en tijdens de biologielessen de nodige kennis opgedaan. Ik zou graag zo’n les eens meemaken.

Welnu, de ervaringen van mijn leerlingen tijdens de onderzoeksles vormden de start van mijn les over biomimicry. Ik wilde ze leren dat, om de site biomimicry.nl te citeren, “oplossingen ontwikkeld in de natuur (…) vaak ingenieus, duurzaam en stabiel onder veranderende omstandigheden” zijn. Ik haalde hun voorkennis op, ik stelde vragen over hun ervaringen, ik vatte samen en deelde het lesdoel. Hierna las ik met ze de tekst die op de site staat en qua niveau voor volwassenen is bedoeld. Ik las de tekst hardopdenkend voor, stond stil bij de voorbeelden en liet mijn leerlingen praten over wat we lazen. Tenslotte schreven mijn leerlingen een definitie op van het begrip biomimicry en gaven ze bij die definitie een voorbeeld. Die bespraken ze onderling, waarna ze deze definitie, indien nodig, aanpasten. Ik stelde ze de vraag welk woord zonder meer in hun definitie zou moeten komen. Dit woord werd zowel tijdens de onderzoeksles, als door mij en in de tekst genoemd. Het woord nabootsen werd direct genoemd. We zochten naar synoniemen in hun definities en die waren er. Er werden woorden als nadoen, na-apen en kopiëren genoemd. Tenslotte liet ik enkele leerlingen hun omschrijving voorlezen. Ik begon met leerlinge M. Haar definitie was zo raak dat ik ‘m tweemaal liet voorlezen. En dat gold ook voor die van Z. Hij leverde prachtig werk. En dat was ook nog eens prachtwerk van twee leerlingen in mijn klas die met leerproblemen kampen. Ook zij kunnen een abstract begrip als biomimicry inzichtelijk omschrijven en toelichten.

Ik sloot de les af door op het bord een schema te maken van de kenmerken van biomimicry.

Volgende week neem ik een plant mee. Ik laat ze dan stap voor stap zien wat de biologische genialiteit is. Dat hoeven ze niet zelf te ontdekken. Een toepassing zou leuk zijn.

Mijn tweede les ging over serendipiteit. Die les begon ik met een stapel voorbeelden. Ik toverde een theezakje tevoorschijn en vertelde een mooi verhaal over een theehandelaar uit New York. Ik deelde post-its uit en vertelde over de uitvinder bij 3M die met een gomlaag bleef zitten. En ik liet de leerlingen een heerlijk filmpje zien van twee oude Amsterdammers die per toeval een uitvinding deden om op een eenvoudige manier jezelf oogdruppels toe te dienen. Vanuit die voorbeelden en vanuit het benadrukken van de toevalligheid, las ik een tekst met ze. Daarin werden vier voorbeelden genoemd van serendipiteit. Twee kenden ze al van mij. Ik vroeg ze inzake de andere twee mij uit te leggen waarom deze uitvindingen voorbeelden van serendipiteit zijn. Het ging hierbij om penicilline en röntgenstraling. Deze klif rondden ze zonder al te veel problemen. Tenslotte maakten we op het bord een schema waarin de kenmerken van serendipiteit genoteerd werden.

Als een van die gasten uit groep 6 later iets uitvindt zonder er naar gezocht te hebben dan denkt-ie hopelijk nog even aan onze school terug.

Viagra is overigens ook een voorbeeld van serendipiteit. Dat voorbeeld heb ik maar even gelaten voor wat het is. Dat begrijpt u wel, naar ik hoop.

Maar kort en goed. Ik kies er voor om mijn leerlingen veel te leren. Ik lees veel met ze. Ik laat ze veel lezen. Ik praat veel met ze. Ik laat ze veel praten. En nog wat dingen meer. Zo leggen wij als basisschool een kennisbasis. Het woord basis zegt het al. Verwacht niet dat leerlingen bij het onderzoeken van een trompetbekerplant de wereld een stukje gladder weten te maken. Laat ze zo’n plant zien, lees er met ze over, schrijf er met ze over en zet nog wat zintuigen in. De rest komt later, veel later wel. Want van deze lessen staken ze onder meer op, dat wat wij doen voorkomen als een lineair en succesvol proces (idee – uitvinding – patent – geld) in de praktijk vaak een kwestie van gelukkig toeval of ingewikkeld onderzoeken en nadenken is.

Opeens bedenk ik me, dat ik het eens met mijn leerlingen over het geheugen en de “dispositional shift” moet hebben…