Theo Thijssen – Jongensdagen

Niet ver van mijn huis had je een voetbalveld. 100 meter lang, een meter of vijftig breed. Twee doelen met houten palen. Bomen om het veld. Berken vooral. Het veld lag daar maar en leek van niemand te zijn. Dus was het van ons. We fietsen er na schooltijd naartoe, bal onder de snelbinders. Je fietste dan zo hard mogelijk het veld op, sprong uit het zadel en gaf de fiets een zet mee, zodat deze zichzelf parkeerde tussen de bomen die om het veld stonden. We voetbalden net zo lang door tot de moeder van Erik, die van ons allen het dichtst bij het veld woonde, vanuit de achtertuin riep dat er gegeten moest worden.

‘Morgen weer?’

‘Ja, morgen weer.’

Ons leven was heerlijk overzichtelijk.

Bij Erik thuis hadden ze een fijne collectie oude kinderboeken. Van uit de tijd dat er nog echte jongensboeken werden geschreven. In die boeken speelden jonge ventjes eindeloos buiten, richtten clubs op en leerden jou dat er toch echt niets mooiers bestond dan een jongen zijn met liefde voor sport en spel. We waren Katjangs, A.F.C.-ers en Artapappa’s. Tegenslagen waren er om overwonnen te worden. We waren altijd buiten. We voetbalden, zwommen, knikkerden, bouwden hutten en lazen alleen in de verloren laatste uren van de dag of als de regen de ramen teisterde. Al vroeg leerde ik de gouden uitdrukking waarmee een ventje op Texel werd opgevoed:

‘Het is droog, wat doe je binnen?’

In die collectie kinderboeken bij Erik thuis heb ik Jongensdagen nooit zien staan. Of het boek is me niet opgevallen, dat kan ook. Ik las het pas veel later, net voordat mannen zich in pofbroeken hesen om rond de Westerkerk de zwembadpas te tonen. Heel even leefde in Amsterdam de herinnering aan Thijssen op en vond men dat de nagedachtenis aan hem in ere moest worden gehouden. De man heeft een standbeeld, een klein museumpje en wat scholen die zijn pedagogiek uitdragen. Daarmee komt Thijssen er niet al te bekaaid vanaf hoor. Maar toch… Maar toch vond ik dat baaivangen van die volwassen kerels een aankondiging van een traditie; het herstel van de verbinding met de grootsheid van deze eenvoudige onderwijzer. Maar goed, het bloedde dood. En dat is, zeker met Jongensdagen in het achterhoofd, jammer.

Jongensdagen speelt daar waar Thijssen opgroeide: Langs de Amsterdamse grachten en in de Jordaan. Het zwembad dat op de vier vrienden in het verhaal zo’n grote aantrekkingskracht heeft, heeft echt bestaan. Het lag aan de Westerdoksdijk en je kon er leren zwemmen aan de hengel.

Van Jongensdagen wordt gezegd dat het een braaf boekje is. Dat is vast zo. Maar dat waren de boeken uit die tijd over het algemeen allemaal. Jongensdagen is gewoon een fijn jongensboek. Wat de vrienden doen (buiten spelen, elkaar een beetje uitdagen, ophakken, stiekem roken en zwemmen) is de hemel op aarde voor jochies van die leeftijd. Er is de nodige miserie in het verhaal, maar Ko en Henk slaan zich er aardig doorheen. Thijssen beschrijft heel eenvoudig en in prachtige dialogen het leven zoals het ruim honderd jaar geleden was voor een ventje van een jaar of elf, twaalf. Er komt een zomer aan en dan wist je als kind dat de dagen eindeloos duurden en dat ook de mogelijkheden eindeloos waren. Je kon alles doen en toch maar een ding tegelijk. En verdraaid, dan moesten de jongens ook nog klusjes doen voor hun moeder die een winkeltje had. De vader was dood, net als die van Thijssen overigens. Maar het lukte, het ging en er was genoeg tijd voor leuke avonturen en eindeloze zwempartijen.

Kijk, wij gingen niet zo vaak op vakantie. We woonden immers op Texel, dat genoeg te bieden had. En mijn moeder verdiende niet al te veel. Maar ik geloof niet dat het ons belemmerde. Ik kwam pas in Frankrijk toen ik rond de twintig was. Ik vond de Dordogne leuk, maar haalde het voor mijn gevoel niet bij de Slufter. Bovendien: er lag een veld achter de Wilsterstaat en daar rolde de bal eindeloos door het vochtige gras.

‘Zullen we tienen?’

Ik keek laatst nog eens naar wat jeugdliteratuur in mijn boekenkast en in de collectie van school. Ik herlas links en rechts wat van de boeken die we onze leerlingen tegenwoordig aanbieden. Jongensboeken zitten er nog amper tussen. Het malle ding van bobbistiek (Leonie Kooiker) is er een. En Godje van Daan Remmerts de Vries. De spoeling is dun. Het lijkt wel of het niet meer mag. En dat is verdraaid jammer, want er is vast een mooi boek te schrijven over jochies hier in Amsterdam-Oost. Moet je eens letten op hoe ze elkaar roepen om naar buiten te komen. Het lijkt op het ‘riet-pe-tioe! van de Ko en zijn vrienden. Maar dat is misschien wat ik wil horen.

Ik heb weleens geprobeerd om Jongensdagen voor te lezen aan een groep 8, maar dat werd geen succes. Jongensdagen is een boek voor kerels die terugverlangen naar hun jeugd. Kerels die zich opgesloten voelen in het beton en steen van de stad en het liefst een balletje zouden trappen op een veldje waar de doelen houten palen hebben. Niets machtiger dan het geluid van kiezelhard schot dat uiteenspat op de lat.

Voor altijd Jongensdagen…