Rijke taal binnen versnipperd taalonderwijs

Waarom verschijnen er zoveel dikke onderwijsboeken de laatste tijd? Kan het niet wat minder, vraag ik me af. Is er echt zoveel over een onderwerp te zeggen? Neem Rijke taal, van Erna van Koeven en Anneke Smits. Dat is een turf van 432 pagina’s, die zich overigens in twee zinnen laat samenvatten.

Zin 1: Bij het leren van taal op school kun je onderscheid maken tussen explicatie leerprocessen (technisch lezen, spelling en grammatica) en impliciete ontwikkelingsprocessen, zoals het begrijpen van een tekst en de ontwikkeling van woordenschat.

Zin 2: De beste wijze waarop je de ontwikkelingsprocessen van taal tot hun recht kunt laten komen in je onderwijs is door deze onderdeel te te laten zijn van rijke onderwijscontexten (zinvolle thema’s) en derhalve niet expliciet te onderwijzen door middel van methodes en instructiemodellen.

Met deze twee zinnen is direct duidelijk waar Van Koeven en Smits staan in het gesprek over taalonderwijs. Zij zien een versnipperd taallandschap (Van Schooten en Van Gelderen noemden dit eerder ‘verkaveling’) met allerlei ‘vakken’ die los van elkaar onderwezen worden. De auteurs streven naar ‘duurzaamheid’. Ze bedoelen hiermee dat in hersenen van leerlingen ‘rijke verbindingen (..) tot stand worden gebracht’. Ik wijs in dit verband nog maar eens op het werk van Hofstadter en Sander, waarin zij stellen dat voor het ontwikkelen van ideeën van iemand wordt gevraagd dat hij analogieën kan maken. Hiervoor is kennisrijkdom en diepere kennis van woorden en hun betekenissen voorwaardelijk.

Het is prettig dat Van Koeven en Smits een heldere opvatting over taalonderwijs hebben. Ze kunnen hierdoor heel mooi laten zien waar de schoen wringt in ons versnipperde taalaanbod. Zo tonen ze de tekortkomingen van het expliciete woordenschatonderwijs in relatie tot de impliciete wijze waarop de ontwikkeling van de woordenschat gaat. De rijkdom van een woord als ‘rood’ (rood staan, lid zijn van de rode familie, hij staat in rood in de almanak) leren leerlingen niet als je het woord herhaaldelijk uitlegt en inoefent. Dat geldt niet alleen voor woordenschat. Ook begrijpend lezen is als los onderdeel van het lesprogramma weinig effectief. Het is zinvoller én verstandiger om binnen een rijk thema veel teksten (herhaald) te lezen, te bespreken en hier – bijvoorbeeld – schrijfopdrachten aan te koppelen. De hele hype rond Close Reading wordt hiermee vrolijk gerelativeerd. Omdat Van Koeven en Smits dat zelf niet zo expliciet schrijven in hun boek, zal ik het hier maar opschrijven: Als je teksten leest door middel van de Close Reading-methodiek maar je geen idee hebt hoe dit past binnen een visie op kennisontwikkeling en werken binnen zinvolle contexten dan is het niet veel meer dan dor hout.

Wie mijn blogberichten kent en daarmee ook enig idee heeft van mijn opvattingen over taal- en leesonderwijs, die weet wel dat ik de opvatting van Van Koeven en Smits onderschrijf. Daarmee is niet gezegd dat we een vergelijkbare opvatting hebben over onderwijs. Het feit dat je de impliciete taalprocessen laat oplossen in bijvoorbeeld thematisch onderwijs geeft nog niet een opvatting weer van hoe je een curriculum opbouwt en wat het doel van het curriculum is. Ik wil maar gezegd hebben dat het raamwerk dat Van Koeven en Smits bieden veel ruimte biedt voor scholen om vanuit een eigen visie de versnippering van het taalonderwijs aan te pakken.

Naast aandacht voor de impliciete ontwikkelingsprocessen, is er veel ruimte vrijgemaakt voor de expliciete processen. Er staat een heldere uiteenzetting in het boek over technisch lezen – waarbij het voortgezet technisch lezen weer mooi een plek krijgt binnen zinvolle contexten – en dit geldt ook voor spellingonderwijs en grammatica.

Rijke taal is een interessant, lezenswaardig en vlot te lezen boek. Ik heb evenwel een drietal kritiekpunten op het boek. Voorts wil ik een ‘opvallendheid’ en een gevoeligheid met je delen.

Een eerste kritiekpunt is dat de auteurs naar mijn idee onvoldoende weten van (expliciete) directe instructie en dat het voorbeeld dat zij hiervan geven (pagina 65) de methodiek tekort doet.

Een tweede kritiekpunt betreft hoofdstuk 2 (De maatschappelijke context van het taal- en leesonderwijs). Dat is een allegaartje van problemen, ideeën en ideologieën die in de context van het boek uit de toon vallen. De auteurs zeggen wel dat de aspecten die in dat hoofdstuk besproken worden telkens terugkeren in de volgende hoofdstukken, maar dat is slechts mondjesmaat het geval.

Een derde kritiekpunt betreft bronverwijzingen. De auteurs geven aan veel bronnen te hebben geraadpleegd. ‘Onze beweringen onderbouwen we met wetenschappelijke bronnen’ zo schrijven de auteurs in het voorwoord. De literatuurlijst is indrukwekkend, maar op sommige plekken mis je in alinea’s de verwijzing naar literatuur, zodat bij lezing op die plekken in het boek het beeld ontstaat dat de opvatting van de auteurs aan de wetenschappelijke verantwoording voorafgaat.

De opvallendheid betreft de indeling van jeugdliteratuur (gemaksboeken, lekker-lezen-boeken, lekker-lezen-plus-boeken en boeken om in te (ver)dwalen). Bij elke categorie geven de auteurs diverse voorbeelden van boeken en auteurs, maar bij de laatste (en hoogste?) categorie – ‘boeken om in te (ver)dwalen’ – blijft het angstig stil. Een mooie lijst boeken, ter inspiratie van de lezer, had hier op z’n plaats geweest.

De gevoeligheid betreft de naam van het beroemde boek van Harriet Beecher Stowe. Dit boek kun je heden ten dage nog in veel (kinder)boekhandels vinden. Het staat als de Hut van Oom Tom in de kast. Die titel is reeds vele jaren gangbaar.

Rijke taal, beste lezers van dit blog, is een rijk en interessant boek over taal. De auteurs hebben een interessante opvatting over taalonderwijs en brengen die onderbouwd over het voetlicht. Er is veel technische kennis te halen en er staan ideeën en opvattingen in het boek die een schoolteam (en de taaloördinator in dat team) zou kunnen gebruiken om taalbeleid te ontwikkelen en om doordacht taalonderwijs te geven.