Inwijden in het leven

Božena Němcová

De Schoolmeester van Božena Němcová is een ode aan de dorpsonderwijzer.

De aardigste meester die ik ooit heb gehad, was meester G. Hij gaf les aan de vierde klas en had een uitgesproken fascinatie voor militaire uniformen uit de tijd van Napoleon. Hij nam leerlingen mee naar huis, trok ze een uniform aan, waarna hij ze fotografeerde. In dit malle tijdsgewricht zou dat hoogst verdacht zijn en leiden tot verdachtmakingen op sociale media en wellicht zelfs een auto door de voorpui van de school; midden jaren ’70 van de vorige eeuw kraaide er geen haan naar. De juf van de tweede kleuterklas, juf S., nam haar leerlingen in het weekend mee naar huis voor logeerpartijtjes en de juf van de tweede klas van de lagere school, juf H., nodigde leerlingen uit voor een kopje thee bij haar thuis.

Ik ben opgegroeid in een omgeving waar de mensen elkaar kenden. En waar bepaalde beroepen je als persoon een haast vanzelfsprekende status verleenden. Het beroep van schoolmeester was er een van. De katholieken waren op het voetbalveld onze vijand. Wij kochten nooit iets bij roomse slagers, groenteboeren of grutters en De Volkskrant werd bij ons thuis gemeden als de pest, maar voor de bovenmeester van de katholieke school, meester Z., toonden zelfs wij blagen van een jaar of 11 respect. Wee je gebeente als je dit niet deed.

Holm Friebe beschrijft in De Steenstrategie hoe mensen die in een stedelijke omgeving wonen na een jaar of tien elkaar goed leren kennen, gaan groeten, bij elkaar over de vloer komen en daardoor gaan samenleven zoals men dat in dorpen gewoon is. Dat zal zo zijn, maar de samenleving, zeker die in de stad, is ondertussen zo veranderd dat de traditionele status die bij bepaalde beroepen hoorde is weggespoeld als een strandpaviljoen na een noordwesterstorm. In de stad waar ik onderdak heb gevonden, loopt de leraar eerder gebogen dan fier door de straten

In de novelle De Schoolmeester (1859) van Božena Němcová toont de verteller van het verhaal ons een dorpsonderwijzer die met een enorme rust en warmte de leerlingen in zijn klas onderwijst. De lessen vinden niet alleen in maar ook buiten het lokaal plaats. Als de schoolmeester met zijn leerlingen in de omgeving van de school kuiert vertelt hij hoe zijn leerlingen die later boer zullen worden het land op een andere manier zullen gebruiken en bewerken dan hun ouders en voorouders. Als de vertelster, reeds volwassen, aan het eind van het verhaal het dorp bezoekt voor de uitvaart van de schoolmeester, ziet ze dat het land precies zo wordt gebruikt zoals haar leraar had voorspeld. Zelfs na zijn dood groeit de status van haar leraar.

De schoolmeester in het verhaal van Němcová is een zachte, lieve en geduldige man. Het angstbeeld van een strenge, boze meester dat het meisje op haar eerste schooldag mee het lokaal in neemt, verdwijnt terstond als ze de schoolmeester heeft ontmoet. Ze stapt een wereld binnen waar zowel de schoolmeester als haar mede-leerlingen oog voor haar hebben. Iedereen hoort erbij en bij elkaar.

Wie zelf voor de klas staat herkent wel de warmte van de kleine gemeenschap die je samen vormt. Je trekt een tijdje samen op en het is de opdracht van de leraar om de kinderen in zijn klas in te wijden in het leven. Dat is een universele gedachte, want of je nu over een klas in Japan (Kanamori), Amsterdam (Thijssen) of op het platteland van de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije (Němcová) leest, de meester smeedt een band met zijn leerlingen en zijn leerlingen met hem. Het is, zo weten wij ondertussen ook wel, voorwaardelijk om tot fijn en goed onderwijs te komen.

Aan het einde van het korte verhaal vertelt Božena Němcová iets over de pedagogische ideeën van haar meester en dat hij na vele omzwervingen uiteindelijk pas in het dorp zijn eigen stiel en stem vond. Němcová toont daarmee de zoektocht die iedere leraar onderneemt in zijn of haar carrière. De leraar die je was aan het begin van je loopbaan bestaat niet meer. Onderweg leren leraren ook, veranderen ze en vinden zij, naar ik hoop en verwacht, de stem die hen maakt tot iemand die de reisgezel is en blijft van veel jongeren. Als ik weleens fiets over het eiland waar ik ben opgegroeid en langs fort De Schans rijd, dan denk ik altijd even aan meester G., die ons meenam naar deze plek en vurig vertelde over Bonaparte en zijn militaire overwinningen en nederlagen. Toen ik jaren geleden in Leipzig bij het door de dampen van verbrand bruinkool aangevreten monument ter herinnering aan de Volkerenslag (1813) stond, stond meester G. in gedachten naast me.

Božena Němcová schetst in haar novelle een prachtig beeld van wat onderwijs zou moeten zijn. De novelle is de verwoording van wat Theo Thijssen ook al zo mooi omschreef in zijn meest gelukte boek De gelukkige klas:

M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn. En de rest is nonsens hoor, al zal ik dat júllie nooit zeggen.

Zo is het.