Theo Thijssen – Barend Wels

Als tiener trof ik in de boekenkast van mijn moeder een aantal boeken van Theo Thijssen aan. Ik las diens autobiografie In de ochtend van het leven, een boek dat nogal zuinig werd gerecenseerd door Kees Fens in De Volkskrant, School-land, Kees de Jongen en De Gelukkige Klas. Toen begin jaren ’90 van de vorige eeuw het verzameld werk van Thijssen verscheen, kocht ik trouw alle vier delen en las ze van voor naar achter. De blauwe bandjes staan prominent in mijn boekenkast, samen met oorspronkelijke uitgaven van Thijssens werk, dat verscheen bij uitgeverij Van Dishoeck. Thijssen was en is voor mij een inspirator en dat ik een tijdje heb gewerkt op een school die naar hem is vernoemd en in de wijk staat waar Thijssen opgroeide, heb ik altijd een leuk gegeven gevonden.

Barend Wels is de eerste roman van Thijssen. Het verscheen eerst als feuilleton in het blad waarvan hij samen met Piet Bol de redactie voerde: ‘De Nieuwe School’. Bol en Thijssen moesten, net als veel van hun collega’s overigens, niets hebben van de ‘wetenschappelijke’ pedagogiek van J.F. Herbart, die in Nederland werd geïntroduceerd door de directeur van de Middelburgse Rijkskweekschool, Harm de Raaf. In hun eerste nummer zetten de onderwijzers direct de toon: ‘Niet de letters van de man aan de schrijftafel, de daden van de man voor de klasse zijn pedagogiek.’

‘De Nieuwe School’ kent nog enkele andere, regelmatig terugkerende thema’s. Zo is er de felle kritiek van Thijssen op de Nederlandse jeugdliteratuur. Vrijwel geen enkel boek dat hij bespreekt in het blad kan de toets der kritiek doorstaan. Deze boeken waren over het algemeen slecht geschreven en veel te moralistisch.

Een ander thema is de strijd voor autonomie van de leraar, met name op het gebied van de eerder genoemde pedagogiek. Het is interessant om Bol en Thijssen in dit geval uitgebreid te citeren:

‘De paedagogiek wordt bepaald door het gemiddelde van de klasse en de persoonlijkheid van de onderwijzer. De onderwijzer met sterke individueele eigenaardigheden heeft dus aan de normaal-psychologische paedagogiek niets. De man moet werken bij intuïtie, d.w.z. het juiste weten te treffen, doordat hij de kinderen beoordeelt naar z’n eigen individualiteit – en doordat de ervaring in de klasse hem zegt, wanneer hij mistast’

Een vierde thema is dat van de streberige schoolmeester. Dat is in de ogen van Bol en Thijssen iemand die niet van onderwijzen het doel maakt van zijn carrière, maar wil doorgroeien en bovenmeester of leraar aan een HBS wil worden. Voor zo iemand is lesgeven op een lagere school blijkbaar te min.

En daarmee hebben we Barend Wels te pakken. In het gelijknamige boek is het aanvankelijk de ambitie van Wels om zijn hoofdakte te halen en dan door te studeren. ‘Fransch’ of misschien ‘teekenen.’ Maar dat Wels zou doorpakken en hogerop zou gaan stond voor hem vast. Dat doel vindt hij belangrijker dan goed en fijn lesgeven. Voor de klas is hij een monster. Op de momenten dat we naast Wels staan en meekijken naar het onderwijs dat hij geeft, zien we een getormenteerde man die zijn frustraties afreageert op de leerlingen. Orde houden is een doel op zich. Urenlang oefent hij de kinderen in stil zitten. Als ze dat kunnen, dan moet het nog stiller. Van onderwijs, van iets leren en van contact maken, valt maar weinig te zien.

In het boek maakt Wels evenwel een transformatie door. Krachten en voorbeelden uit zijn omgeving sturen hem de kant op van iemand die leert de waarde van goed werk te zien. Neem zijn vader, een kleermaker. Die is tevreden over het beroep dat hij uitoefent en met het leven dat hij leidt. En Wels ziet een politieagent en een tramconducteur zonder morren hun werk doen. Maar het is vooral zijn broer Henk, ‘een rooie,’ die Barend confronteer met de vraag of hogerop komen een doel moet zijn:

Hei-je nooit eris lui, die de boel d’r bij neersmijten, en met al dat gejaag ophouen, en ‘es lekker rustig gewoon d’r lui vak hebben….

Zijn broer, in het verhaal groeien ze sterk naar elkaar toe, doet Wels beseffen dat het vak van onderwijzer voldoende waarde en belang heeft. Het hoeft geen springplank naar een andere functie te zijn. Onderwijzer is een waardig beroep. De volgende opmerking van zijn broer is dan ook bedoeld om Wels wakker te schudden:

Dan moet ik toch zeggen, dat schoolmeester – toch oòk een verdomd treurig baantje is.

Om de waarde van het beroep in te zien heeft Barend Wels niet alleen de spiegel die zijn broer hem voorhoudt nodig, maar ook de linkse, oproerkraaiende collega’s op zijn school. Die zijn wel in staat om rustig en vrolijk met een moeilijke klas of met lastige leerlingen om te gaan.

Wels ondertussen ploetert voort en wekt de indruk dat hij op het punt staat om zich volledig te verliezen en een leerling een keiharde aframmeling te geven. Dat gebeurt bijna met Greta Honig, een meisje dat hij volgens zijn mentor, bovenmeester Beckers, teveel ruimte heeft gegeven. Met enige regelmaat horen zijn collega’s Wels tekeer gaan tegen de klas en tegen haar. Ze steken geen vinger uit om hem te helpen, honen hem eerder en het is uiteindelijk Beckers die hem een nieuwe klas geeft en daarmee een nieuwe kans om in te zien hoe fijn onderwijzen kan zijn.

Aan het einde van het boek kent Wels uiteindelijk de waarde van het vak van onderwijzer. De afsluitende alinea, bestaande uit één zin, geeft aan dat door die transformatie Wels eraan toe is om het vak te betreden:

Toen kon Barend Wels onderwijzer worden.

Daden voor de klas zouden nu eindelijk pedagogisch worden. Gelukkig maar, denk je als lezer. Anderzijds vraag je jezelf ook af, of dat inzicht op een minder moralistische manier tot stand had kunnen komen. Want in de kern is Barend Wels een moralistische roman, waarin de lezer wordt voorgehouden dat socialisten begrijpen hoe de wereld in elkaar zit en voor welke keuzes je in het leven komt te staan. Dat past geheel in het ontwikkelingspatroon van de socialist Thijssen zelf – die na zijn leraarscarrière bezoldigd bestuurder van de onderwijzersbond werd en weer later Tweede Kamerlid voor de SDAP – maar het doet ruim een eeuw later toch enigszins gedateerd aan.

Een andere tekortkoming van Thijssens aanpak in dit boek is dat hij veelvuldig invult hoe we over de personen in het verhaal moeten denken of hoe hun handelingen geïnterpreteerd moeten worden. Dat laat een schrijver over het algemeen over aan het vernuft, het inzicht en de afweging van de lezer. Daar gaat een schrijver nu eenmaal niet over, zullen we maar zeggen. Thijssen meent de rol en de positie van de personen en hoe wij over ze denken dan wel oordelen te sturen. Dat doet echt afbreuk aan de kwaliteit van het verhaal. Maar ook dat past in de moralistische opvatting van Thijssen, die in de kern van zijn werk altijd herkenbaar is als opvoeder.

Laten we tot slot terugkeren naar het begin van dit blogbericht, waar ik schreef over Thijssen de recensent. Als je dat gegeven erbij pakt, dan is de vraag hoe hij Barend Wels zou beschouwen vanuit zijn kritiek op schrijvers die verdraaid moralistisch waren. Of waren die werken, die jeugdboeken van ruim honderd jaar geleden, nog moralistischer dan Barend Wels? Dat zou wat zijn.