Happy met Hattie

Het is niet direct een nachtmerrie, maar ik heb weleens gedroomd dat John Hattie op een podium stond en dat Astrid Joosten vol overgave in de microfoon schreeuwde op de melodie van het bekende nummer Happy van Pharrel: Because I’m Hattie.

En wij maar meeklappen.

De dagen in de zon lijken voor Hattie wat voorbij. Ik heb weinig verstand van statistiek – dat ik er tijdens mijn studie politicologie telkens 8-en voor haalde is statistisch gezien een godswonder – maar ik heb me laten uitleggen dat er aan zijn methode, aanpak en dus zijn resultaten van alles rammelt. Dat wil ik best geloven. Laatst zei iemand heel mooi tegen me: Het is alsof hij de windsnelheid heeft staan meten met een thermometer.

Nogmaals, dat kan ik niet beoordelen.

Wat ik bij het lezen van de boeken van John Hattie altijd heb gedaan, is kijken voorbij de cijfers. Ik heb hem nooit gelezen als iemand die een recept neerlegt dat je moet volgen om voor leerlingen het verschil te maken.

Ik heb Hattie altijd gezien als de man met de spiegel. Dat is ook de reden, denk ik weleens, dat zoveel eigenzinnige leerkrachten een hekel aan ‘m hebben. Als je de twijfel voorbij bent, is het niet prettig als iemand overtuigend en aanhoudend tegen je zegt dat de leerkracht niet zozeer het verschil maakt, maar het wel zou kunnen maken. Of, om het iets scherper neer te zetten, Hattie vraagt zich in zijn boeken hardop af, waarom zo weinig leerkrachten dat ook daadwerkelijk doen, dat verschil maken.

Er zijn maar weinig knoppen in het onderwijs waar jij als leerkracht aan kunt draaien. En om leerlingen vooruit te helpen, moet je kritisch kijken naar het instrument dat jij inzet. En dat instrument ben jij.

Lees in Leren Zichtbaar Maken het hoofdstuk over leraren maar eens. Niet voor niets noemt Hattie hen de hoofdrolspelers van het onderwijsproces. Op bladzijde 53 legt hij uit wat nu eigenlijk de bedoeling van zijn werk is. Het gaat Hattie er om, dat hij leerkrachten wil laten inzien welke invloed zij kunnen hebben op het leren van hun leerlingen.

Ik kan me als professional niet voorstellen dat je dit niet zou willen weten. Als Hattie uitlegt wat het verschil is tussen ervaren en expert-leerkrachten, dan schuif ik naar het puntje van mijn stoel. Als Hattie uitlegt dat samenwerking in school cruciaal is en hoe dit eruit zou kunnen zien, dan leg ik dit naast de praktijk van mijn school. Als Hattie het belang van succescriteria benadrukt, dan kijk ik kritisch naar mijn lessen met de vraag of voor de leerlingen duidelijk is wat deze zijn.

Hattie pleit in zijn werk voor leraren “die open staan voor de gegevens over hun invloed op leerlingen, die kritisch kijken naar elkaar voor wat betreft hun invloed op basis van gegevens, en die een professioneel oordeel vellen over hoe ze alle leerlingen in hun klas moeten én kunnen beïnvloeden.”

Dat dit gesprek onvoldoende professioneel wordt gevoerd, legt Hattie uit in de zin die op bovenstaand citaat volgt: “Vaak wordt het proces een soort mantra en dat leidt tot heel aardige ontmoetingen die niet meer zijn dan een forum voor de praatgragen die er uit hun bol kunnen gaan. De boodschap hier gaat over de invloed.”

Staat u mij een klein uitstapje toe. Enige maanden geleden was ik op de middelbare school van mijn zoon. Hij is leerling in VWO-5. De resultaten vallen, ondanks hard en veelvuldig oefenen en herhalen, tegen. Zijn mentor omschreef dit als ‘bespreekgeval’. Tijdens dit gesprek vroeg ik de mentor van mijn zoon, welk plan de school had om mijn zoon te ondersteunen bij zijn ontwikkeling. Wat konden de leerkrachten doen om ervoor te zorgen dat mijn zoon betere resultaten zou halen? Ik vertelde erbij, dat ik het bespreken van leerlingen zo opvat. Zijn reactie was eerlijk: daar hadden ze nog nooit over nagedacht of gesproken. En dat zou ook niet gebeuren.

Op de schaal nature-nurture sta ik diep aan de rechterkant. Wat Ericsson in zijn boek laat zien, is voor mij op de basisschool een referentiepunt. Ik ben ervan overtuigd dat vrijwel alle leerlingen goed kunnen leren lezen en rekenen. Daar moet je met elkaar keihard voor werken en je mag het nooit opgeven. Laatst zei iemand tegen me, dat als hij een som tien keer had uitgelegd en de leerling snapte deze nog steeds niet, het jammer was. “Die wordt later fietsenmaker.” Die weg weiger ik te gaan. Ik vind het geweldig als iemand later fietsenmaker wordt, maar ik hoop dan wel dat de spakensteller een goede teller is. Je moet als leerkracht voor elke leerling door roeien en ruiten gaan.

Voordat ik een leerling ontsla van de plicht om veel te kennen en te kunnen, moet ik eerst absoluut zeker weten dat hij aan zijn grens zit. Op mijn school hebben we leerlingen met een IQ van net boven de 60. We weten allemaal dat deze leerlingen zeer veel moeite hebben om nieuwe dingen te leren en te onthouden. Toch blijven we iedere dag proberen om die leerlingen vooruit te helpen in hun leerproces. In mijn zoektocht om voor iedereen het onderwijs zo goed mogelijk te maken, kijk ik vooral naar wat ik als leerkrachten doe en hoe ik het doe. Hattie helpt wat mij betreft enorm bij die wijze van kijken naar mijn vak.

Ik blijf dus Hattie lezen en herlezen. Ik heb namelijk nog veel te leren.

 

Een links stembusakkoord in Amsterdam

Ik ga al een tijdje mee in het onderwijs. Ik heb weleens gestaakt. Meestal om salaris. Dat leverde verdraaid weinig op. Ik weet nog hoe Kok in zijn regeerperiode weigerde de salarissen van leerkrachten te verhogen. De economie draaide als een zonnetje, maar als wij er ook nog geld zouden bij krijgen, dan zou de economie oververhit raken. Er is altijd wel een goed argument te vinden om ons over te slaan.

Ik werk al jaren in Amsterdam en omgeving en hier in de hoofdstad heeft links jarenlang de scepter gezwaaid. Er zijn talloze redenen te noemen waarom de PvdA is verschrompeld tot een partij in de marge. Als je naar Amsterdam kijkt, dan zal het zonder meer te maken hebben met de arrogante kliek die keek en zag dat het goed was. Kijk je landelijk, dan denk ik dat het – zeker voor mij – te maken heeft met het blind omarmen van het neo-liberalisme (de ideologische veren afgeschud, toch Wim?) en het meewerken aan het uithollen van de middenklasse. Daar hebben, naast andere beroepsgroepen, mensen last van gehad die werken in een sector waar het niet om productie gaat en om winst maken, maar om niet-materiële zaken. Zaken als zorg, onderwijs en veiligheid.

De overheid, zowel landelijk als lokaal, heeft erg weinig gedaan om in de jaren dat ik in het onderwijs werk (bijna 25 jaar) goed voor deze groepen werknemers te zorgen. Ik zeg het elke keer weer, maar een partij als de PvdA had de ellende kunnen zien aankomen als ze wat beter had geluisterd naar, bijvoorbeeld, die ene trambestuurder. Het staat nergens zo goed beschreven als in Niet spreken met de bestuurder van Gerard van Westerloo. Dit boek verscheen in 2003 en bevat reportages die teruggaan tot 1984. In de reportage uit 1984 wordt een trambestuurder opgevoerd die de term socialen munt:

De socialen hadden het in Nederland heel erg en in Amsterdam helemaal voor het zeggen. Zij waren er de schuld van dat mensen als hij, postbodes, trambestuurders, arbeiders, gewone mensen als vreemdeling rondliepen in de buurt waar ze wonen, als verdwaald in het bedrijf waar ze werken. Ze konden praten, dat moest je ze nageven. Daar leefden ze van. Jij kon lullen wat je wilde, ze wisten het tóch beter. Ze wisten precies hoe verdraagzaam jij moet zijn. Wilde je iets terugzeggen, dan was je aan heropvoeding toe, als je tenminste geen onverbeterlijke fascist was.

En toen kwam Fortuyn. Een half jaar na de moord op Fortuyn (6 mei 2002) sprak Van Westerloo in Amsterdam de bobo’s van de PvdA toe. Hij refereerde aan de trambestuurder uit 1984 en zei dit over de electorale klets om de oren die in 2002 het verval van de PvdA inzette:

Het wezen daarvan (van die verkiezingsnederlaag, MB) is niet dat uw traditionele kiezers naar Fortuyn zijn overgelopen omdat hij gelijk heeft en u niet. Het wezen daarvan is dat u ze in de steek hebt gelaten in hun gelijk én in hun ongelijk. De kwestie is niet dat uw waarden al die tijd niet hoogstaand en humanistisch zijn geweest. Het probleem is dat u de last van die waarden hebt afgeschoven op de schouders van wie uw eigen kiezers waren. U heeft er goed aan gedaan om ze niet naar de mond te praten. Maar u heeft er totaal verkeerd aan gedaan door ze met hun last alleen te laten.

De retorische vraag is of er iets veranderd is.

In hetzelfde boek staat een stuk over een interessant onderzoekje dat door een Brabantse CDA-er werd gedaan. Die keek naar het beroep van volksvertegenwoordigers die op lokaal, provinciaal en landelijk niveau de taak hebben het bestuur te controleren. Aan linkerzijde kwamen die in overgrote meerderheid voort uit datzelfde bestuur. Ambtenaren dus die zichzelf controleren.

Ik controleer ook dingen. Ik zoek uit waar de kinderen van de lokale, progressieve politici schoolgaan. Zijn ze werkelijk zo betrokken bij de zaken die wij op een school als de mijne op het bordje krijgen als ze zeggen? Laten zij ons ‘alleen met onze last’? Het antwoord laat zich raden.

Progressief zijn is niet zo moeilijk als je binnen het openbaar bestuur je carrière opbouwt. Na de gemeentepolitiek wacht de landelijke politiek. En anders is er wel een baan op te rapen in het maatschappelijk middenveld. Die CDA-motor is ook een banenmachine voor linkse politici. Ze wonen al mooi, hebben het goed voor elkaar en kunnen rond hun 60e besluiten om het wat rustiger aan te doen. Kijk naar wat politieke macht met Marleen Barth heeft gedaan. Hoe kun je opkomen voor de verworpenen der aarde als je niet snapt dat je in Amsterdam nauwelijks iets kunt huren onder de € 1.000 maar dat voor jezelf in Blaricum het maximum vindt?

Maar terug naar het onderwijs. Waarom zou je de PvdA in Amsterdam nog een kans geven als je ziet wat ze hebben afgebroken met het KBA-traject? Ook de politieke afhandeling van die zaak – kritisch rapport, la open, mondje dicht – toonde de afstandelijkheid waarmee linkse politici omgaan met ‘onze last’. En vergeet niet dat er andere linkse partijen meereden op de onderwijsbrommer van Asscher cs.

Waarom zou je je stem geven aan partijen die al jaren aan de knoppen draaien of hebben gedraaid en tot op heden niets hebben geregeld voor leerkrachten die geen parkeervergunning hebben, hun reiskosten niet volledig krijgen vergoed, geen betaalbare woning kunnen vinden en vaak op scholen moeten werken waar de (bestuurs)elite met een boog omheen loopt. Als je er de afgelopen jaren weinig concreets aan hebt gedaan, maak ik me geen illusies voor de nabije toekomst.

Je kunt mensen jarenlang de last laten dragen van je eigen verheven opvattingen, maar dat gaat ten koste van je geloofwaardigheid. In Amsterdam heeft de politiek het probleem van een dreigend lerarentekort jaren gelaten voor wat het is. En dan kun je wel een stembusakkoord sluiten, maar je moet vervolgens niet raar opkijken als (progressieve) leerkrachten die in Amsterdam wonen en werken er geen boodschap aan hebben.

Ik in ieder geval niet.

 

 

Looking California

Ik noemde Chris Cornell op Twitter een beetje overdreven mijn woordvoerder. Chris Cornell was zanger van de Amerikaanse grungeband Soundgarden. Cornell groeide op in Seattle. Generatiegenoot Kurt Cobain woonde 120 kilometer verderop in Aberdeen. Cobain werd 27 jaar oud; Cornell rondde de klip van 50. Waar de meeste van mijn generatiegenoten vielen voor Smells like Teen Spirit, daar was Just Like Suicide mij op het lijf geschreven.

Beide zangers pleegden zelfmoord.

[Telkens als ik Aquarium van David Vann lees, dat in Seattle speelt, dan zoek ik in de personages iets van Cornell. De stiefvader van Caitlin komt in de buurt.]

Cornell had de achternaam van zijn moeder. Net als ik. Op z’n veertiende viel het gezin van 8 personen uit elkaar. De kinderen gingen met moeder mee. Cornell had daarvoor al een tijdje thuis gezeten. In de kelder van het huis waar hij woonde groef hij zichzelf in. Hij was amper de tien gepasseerd, maar diep depressief.

Voor Cornell was de muziek niet het medicijn, maar een tijdelijke verlichting. Althans, zo zie ik het. In een interview met Howard Stern benadrukte Stern het succes dat al zijn muziekprojecten genereerden, zoals Temple of the Dog, Soundgarden en Audioslave. Cornell nam deze complimenten in ontvangst, maar of hij ze heeft gevoeld is maar de vraag. In een verpletterend goed nummer van de Canadese countryzanger Fred Eaglesmith wordt de keerzijde van de roem bezongen. Eaglesmith noemt in dat nummer een aantal vroeg-gestorven muzikale iconen, van Hank Williams tot Janis Joplin. De volgende zin vormt het hart van het nummer:

But fame doesn’t take away the pain, it just pays the bills
And you wind up on alcohol and pills

Cornell stuiterde van de ene verslaving naar de andere. Hij hing zich uiteindelijk op, maar was op dat moment in de slag met pijnstillers. De lijst popmuzikanten die stierven aan een overdosis pijnstillers is lang. Daar heeft Cornell niet op gewacht.

Mijn eerste ervaring met zijn muziek, was in 1991. Het album Badmotorfinger kwam als een mokerslag binnen. Harde rockmuziek, waarbij Cornell probeert om Robert Plant van Led Zeppelin weg te zingen. Titels als ‘Rusty Cage’ en ‘Jesus Christ Pose’ spreken boekdelen. Zeker als je de teksten van die nummers bekijkt.

Uit ‘Rusty Cage’:

You wired me awake
And hit me with a hand of broken nails
You tied my lead and pulled my chain
To watch my blood begin to boil
But I’m gonna break
I’m gonna break my
I’m gonna break my rusty cage and run

En uit Jesus Christ Pose:

And you stare at me
In your Jesus Christ pose
Arms held out
Like you’ve been carrying a load
And you swear to me
You don’t want to be my slave
But you’re staring at me
Like I need to be saved
In your Jesus Christ pose

In het tweede nummer van de CD, ‘Outshined’, staat een zin, die ik ondertussen oneindig veel heb uitsproken.

I’m looking California
And feeling Minnesota

Dat Minnesota zou een verwijzing kunnen zijn naar de AA.

Na deze cd kwam hun grote internationale doorbraak: Superunknown. Een zeer getormenteerde Cornell laat weinig heel van het leven zoals hij dat kent. ‘The day I tried to lived’ is hier een goed voorbeeld van. Cornell zingt in dat nummer:

I woke the same as any other day
Except a voice was in my head
It said seize the day, pull the trigger, drop the blade
And watch the rolling heads

The day I tried to live
I stole a thousand beggar’s change
And gave it to the rich
The day I tried to win
I dangled from the power lines
And let the martyrs stretch

Die volslagen somberheid zit ook in wat ik het beste album van Soundgarden vind: Down on the upside. Luister maar eens naar het nummer ‘Tighter & Tighter’ (Sleep tight for me I’m gone…). Het nummer is de kroniek van een aangekondigde dood.

Dat die dood nog lang op zich liet wachten, maakte de klap echter niet minder hard. Het zijn in dat opzicht toch al waardeloze jaren. Denk maar aan Wim Brands, Joost Zwagerman, Anil Ramdas en Rogi Wieg. Zij poeften ertussen uit. Schrijvers/denkers die ik waardeerde en zelfs bewonderde. En toen ging als klap op de vuurpijl de zanger met de mooiste rockstem de Styx over.

Ga daar maar eens vrolijk mee om.

 

 

 

 

 

 

Weg met aardrijkskunde!

Ik kende Agora niet voordat ik ze tegenkwam bij de Amsterdamse schoolmakerswedstrijd Onze nieuwe school.  Ik moet over die wedstrijd niet teveel zeggen, want anders krijg ik weer allerlei reacties in mijn mailbox van schooldirecteuren en collega-leerkrachten, waarbij de strekking is dat ik een pocher ben.

U moest eens weten.

Maar goed. Na een eerste ronde van 150 voorstellen, gingen 16 ideeën door naar wat de incubatorfase werd genoemd. De meeste van die ideeën heb ik gelezen om eens te zien wat voor vlees er in de kuip zat. Hier hoorde ook Agora bij. Ze kregen in de eerste ronde bijna 3500 stemmen. Ter vergelijking: wij 836.

Agora is een onderwijsideologie. Net als de kern van het rapport van Onderwijs2032 overigens. Neem ter illustratie uit de verkorte versie van het Agora-plan deze passage:

Een persoonlijke leerroute begint met vragen stellen, omdat je je verbaast over van alles en nog wat. Bijvoorbeeld: “Hoe kan een wolk die niets weegt toch zo vol zitten met regen?” Of: “Waarom is iets ‘in de mode’ en willen we dat opeens allemaal?” Goede vragen, die je grondig moet onderzoeken. Daar maak je dus een plan voor. Je leraar houdt ondertussen in de gaten wat en hoe je leert, en helpt je als dat nodig is. Hij of zij stimuleert je ook om experts van buiten de school om advies te vragen. Zo heeft een Agora-leerling in Roermond bijvoorbeeld geskypet met iemand van NASA!

Je zou toch ondertussen weten, denk ik dan, dat om vragen te kunnen stellen je kennis over een onderwerp nog hebt. Bij die wolk gaat het om een misconceptie. Leerlingen hebben op de basisschool (hopelijk) geleerd dat wolken een gewicht kunnen hebben van een miljoen kilogram, tenminste als het een cumulus betreft. Zou een leerling die een beetje fatsoenlijk onderwijs heeft genoten, naar het antwoord op deze vraag op zoek gaan?

Een ander citaat dan, dat u mag lezen vanuit het perspectief van uw eigen vakmanschap:

Stel je eens voor: je hele schooltijd lang leer je dingen die je écht interesseren. Jij bepaalt jouw leerdoelen, terwijl je leraar je daar steeds in begeleidt. Je gaat met plezier naar school, ontdekt waar je goed in bent en boekt resultaten. Ondertussen leer je alles wat je nodig hebt om examen te doen en te slagen. Dat is toch geweldig?

Hier zie je dat de rol van de leerling groter wordt en die van de leerkracht kleiner. De leerling zit aan het stuur, je leerkracht zit op de buddyseat. Daar zijn, zo staat er in het plan, wel de beste leerkrachten voor nodig.

Toch heeft de school best ambities:

We willen dat je zoveel mogelijk leert over jezelf en de wereld om je heen. Die wereld is vrij groot, en daarom hebben we hem opgedeeld in vijf Agora-werelden: een wetenschappelijke, kunstzinnige, sociale, spirituele en ethische. Zie ze als verschillende brillen om beter te kijken naar wat je wilt weten, om je heen of ver weg.

Om die 5 werelden in te duiken, vraagt nogal wat. Goed onderwijs bijvoorbeeld. Die kennis moet onderwezen worden, die kun je moeilijk zelf opdoen lijkt me. Ik zal geen voorbeelden geven of hier dieper op ingaan. Ik laat Jan Fasen aan het woord. Een van de initiatiefnemers van het Amsterdamse Agora-plan. Die werd geïnterviewd in een landelijke dagblad. Afgaande op de inhoud van het interview, zal hij tot de ontdekking zijn gekomen dat zelfontdekkend leren in 5 werelden een te grote opgave is:

Wat heeft iemand aan aardrijkskunde of economie als hij zeker weer dat hij dierenarts wil worden?

Misschien moeten we het dokter Vlimmen of James Herriot vragen.

 

 

 

Ware verhalen – jonge lezers helpen

Hij begint met een grap:  “Atleten en anderen.” Dit zijn de eerste woorden van Lucianus (ca. 125 – ca. 180) in Ware verhalen. In dit boek laat Lucianus de ik-figuur naar het Tegencontinent reizen. Een krankzinnig en humoristisch avontuur volgt. Samen met zijn reisgenoten belandt de ik-figuur op de maan, alwaar men zich klaarmaakt voor een strijd tegen bewoners van de zon. Hij wordt opgeslokt door een walvis, komt oude Troje-veteranen tegen en belandt in Dromenland.

Lucianus legt in het voorwoord uit, dat de verhalen over de man van Ithaka prachtig zijn, maar gelogen. Zijn verhaal is dat ook, maar is iets meer waar dan Homerus’ werk. En omdat atleten en anderen af en toe moeten rusten, nodigt hij de lezer uit zijn verhaal tot zich te nemen.

Lucianus was een literaire ster. Hij schreef meer dan 90 boeken en heeft veel latere auteurs beïnvloed. Erasmus heeft het werk van Lucianus vertaald en zijn invloed is merkbaar in de literatuur die we tegenwoordig nog lezen. Denk aan Swifts Gullivers reizen, Cervantes’ Don Quichote en Raspes Baron van Munchhausen.

Als je leest, begin je aan een reis terug in de tijd. Je zoekt in de boeken die je leest naar echo’s uit het verleden. Een boek is vaak een aanleiding om terug te lezen. Als je weet dat Anna Karenina van Tolstoj een literair antwoord is op Flauberts Madame Bovary, dan kan het niet anders of dat je dat boek wilt  lezen. En als je Bovary hebt ontmoet, wil je ook het levensverhaal van Eline Vere kennen of van Effi Briest. Het loont dan zelfs de moeite om de Turkse romen Verboden Liefde te lezen. Je schiet heen en weer tussen culturen en tijden, tussen strakke schrijfstijlen en losse.

Dat is lezen.

Als je in de boeken van Harm de Jonge duikt, hoor je de echo van Lucianus. Of het nu de prinses van Yucatucan is, de reis van Tjibbe Tjabbes om de wereld of Jonas die een natte wereld bij elkaar bedenkt, je betreedt een wonderlijke wereld van meer schijn dan wezen. En zoals Jonas bedenkt als hij achter het raam naar buiten staart, terwijl zijn vader een boek leest: Die bedachte wereld kan net zo echt zijn als deze.

Ik vind het werk van De Jonge mooi. Hij is een veelzijdig auteur die magische werelden weet af te wisselen met een historische (waarin het magische, onwaarschijnlijke overigens niet ver weg is).

Op mijn school staat Tjibbe Tjabbes’ Wereldreis in de bibliotheek. Het boek wordt nooit geleend. Ik houd dat in de gaten. Ik zie Leven van Losers stukgelezen in de terugbrengbak liggen; om Geronimo Stilton wordt gevochten. Over dit grote verschil in belangstelling voor boeken sprak ik vandaag met de aardige boekverkoopster van Casperle in de Amsterdamse Pijp. Dat kinderen Tom Groot verslinden vind ik mooi, maar ik zie mezelf als leerkracht, conform de opvatting van Aidan Chambers, als de helpende volwassene. Er is meer te ontdekken in de kinderliteratuur dan veel lezers denken. Zij was het met mee eens. Er ligt hier een mooie taak voor ouders, maar zeker ook voor leerkrachten.

Boeken zoals die van De Jonge kunnen lezers namelijk afschrikken. Je moet meer moeite doen om de structuur en de strekking van het verhaal te begrijpen. Je moet je in gedachten verplaatsen naar een wereld die raar en ondenkbaar lijkt. Maar goed, de Rolling Stones zongen al in Too Much Blood: “Thruth is stranger than fiction”, dus ik zou het niet te snel opgeven.

Je kunt als leerkracht een mooi spel spelen. Zoals dat je een kind een boek geeft en zegt: ‘Ik zag dat je laatst De kleine kapitein van Paul Biegel las. Een machtig verhaal vind ik dat. Toen ik het las moest ik denken aan de reis van de Argonauten. Dat is een bekende Griekse mythe. Els Pelgrom heeft het verhaal opgeschreven in dit boek. Let maar eens op als Jason zijn schip tussen de rotsen door manoeuvreert.’

En waarom zou de stuntelige Bram Botermans niet op een gegeven moment subtiel worden vervangen door Iwan Olsen?

Dat kinderen steeds minder lezen is wellicht een feit, maar dit betekent niet dat we dit moeten accepteren. Ik blijf herhalen dat leerkrachten veel moeten lezen om leerlingen vooruit te helpen. Wie leest leeft dubbel, dichtte Jan Eijkelboom. En wie leest kan andere lezers dubbel helpen. Of het nu op weg is naar Ithaka of het tegencontinent maakt niet zoveel uit. Als de reis maar wordt ondernomen.

 

 

 

 

Vrijheid is naakt door een weiland rennen

Misschien is het in stilte lezen wel een afscheid van de ‘pompeuze debatten’ uit onze jeugd, zoals Alberto Manguel eens schreef.

Ik krijg het weer net zo benauwd als vroeger, als Jan aan Kees in De zee zien vraagt wat vrijheid is. Dat soort vragen – ik wist er nooit een antwoord op. Laat staan dat ik er over nadacht.

Ik las vanmorgen De zee zien van Koos Meinderts. Ik besprak eerder drie van zijn kinderboeken. Die boeken bevielen me enorm. Volgens Meinderts zou dit boek me ook wel bevallen.

Kees beantwoordt de vraag door een verhaal te vertellen over een jongen die als wijze van straf door zijn vader in de kelder opgesloten wordt. Op een dag weigert hij er uit te komen. Wat zijn vader ook probeert, de jongen blijft zitten.

Waar ik zelf van de stilte houd, daar laat ik mijn leerlingen met elkaar praten over boeken en verhalen. Ik zag weleens een leerling wat meewarig luisteren naar wat anderen te zeggen hadden over een boek. Maar iedereen is ondertussen gewend om naar een ander te luisteren en de ander aan te kijken tijdens het gesprek.

Het ochtendjournaal dat we in de klas dagelijks bekijken, sluit af met een stelling. Voordat de presentator heeft gezegd dat je er in de klas over verder kunt praten, is het pleit al beslecht. Luide voors en tegens regenen op me neer. Het maakt niet uit dat ik heb gezegd dat het misschien te overwegen valt om over zo’n stelling na te denken en de voors en tegens tegen elkaar af te wegen: het oordeel komt voor de gedachte.

Om de luidruchtigheid van de jeugd te beteugelen, hebben ze het onderwijs bedacht, denk ik weleens. We leren kinderen in stilte lezen, in stilte hun rekensommen oplossen en in stilte door de gangen lopen op weg naar gym of huis. De grootste verandering in het onderwijs de laatste 25 jaar is dat we de stilte niet meer omarmen. Dat er zoveel koptelefoons worden gekocht door basisscholen vertelt mij dat de stilte schaars is geworden.

Ik verkies stilte. Ook in mijn klas. De discussies over een boek, een som of een situatie (“Meester, hoe deden Eskimo’s voordat ze in huizen gingen wonen, hun behoefte?) zijn er. Maar niet alom. Het is school, geen vismarkt.

Die stilte, de stilte van het stil lezen en van de stilte om je heen, is De zee zien. Anders kan ik wat het boek bij me opriep niet omschrijven. Ik las het in een stil huis. Iedereen om me heen sliep en buiten was de straat leeg en eenzaam. Ik liep op met Kees. Een man die vertelt over zijn vriend Jan, Jans zus Marijke en de noodlottige val van Jan uit een schoorsteenpijp. Of was het een sprong?

Kees ziet Jan vallen, rent naar huis maar vertelt aan niemand dat hij erbij was toen Jan naar beneden tuimelde. Hij speelt verbazing als hem wordt verteld dat Jan dood is. Dat heeft Kees zelf gezien, zelf zien gebeuren en zelf ervaren. Kees keert in zichzelf, wordt stil, gaat naar het Seminarie om dienaar van de grote stilte te worden. Hij wordt priester, verlaat het geloof, trouwt, krijgt kinderen en kleinkinderen, maar lijkt nooit echt aan het leven te zijn begonnen.

Dit is slechts één verhaallijn. Er is de vriendschap tussen Jan en Kees die begint met een vuistslag en eindigt met een doffe klap op een tomatenveld. Er is de liefde van Kees voor Marijke, de zus van Jan. Zij is de tweelingzus van Jan en heeft een bijzondere relatie met Jan, die ik hier onbesproken laat. Het loont de moeite om die zelf te ontdekken.

En er is het geloof. In de familie van Kees nadrukkelijk, bij Jan eerder aarzelend. Zoals Jans vader zegt: “Het geloof is mooi, maar je moet er geen last van hebben.” En hebben ze dat allemaal niet op hun eigen manier, last van het geloof?

Er zijn vogels. Van leeuweriken tot buizerds. Als Jan van 23 meter hoogte valt, bidt Kees dat hij zal wegvliegen, maar als een Icarus valt hij terug op aarde.

Dit mooie boek staat in de bibliotheek tussen de c-boeken. Je kunt als leraar Nederlands in je klas wel even de stilte voor zo’n boek doorbreken. Een rijk boek, waarover je als lezer ideeën, gedachten en theorieën ontwikkelt. Waarover je wellicht wilt praten. Met elkaar, zonder pompeus te worden.

Zo zegt Jan wat vrijheid voor hem is: “Vrijheid is naakt door een weiland rennen.” Waaraan hij toevoegt: “Onderwijl schijtend.”

Maandagochtend leest de presentator van het ochtendjournaal de stelling van Jan voor. Ik denk dat mijn leerlingen in groep 5 dan even stil zijn.

 

De ministerfluisteraar

Bestaat het woord ministerfluisteraar eigenlijk?

Een ministerfluisteraar is iemand die op het ministerie door subtiele aanwijzingen en strategische samenstelling van de dossiers vanaf dag 1 mede de koers bepaalt. Zo’n fluisteraar is de vooruitgeschoven post van een ambtenarencoterie die een eigen agenda heeft en deze wil doorvoeren.

Op het ministerie werkt een aantal hybride-leraren. Ik heb de term niet bedacht. Ik gun deze leerkrachten de eer van het ambtenaar zijn, maar ook hier kan ik de gedachte niet loslaten dat het windowdressing is. Ooit moet een groepje ambtenaren hebben gedacht dat het strategisch verstandig zou zijn om lesboeren binnen te halen en ze door de drek van de onderwijsverandering te leiden. “Jongens, wie fluistert het de minister toe?”

Ik zat een tijd geleden met een hybride-leraar aan tafel. Ik luisterde naar een gesprek tussen hem en een aantal andere leerkrachten over – ik geloof – 2032. Bij herhaling zei de hybridist dat hij over een deelonderwerp niets mocht zeggen.

Echt een baan voor leraren Latijn. Of voor Janussen.

Wij zouden die hybride-leraren kunnen omarmen. Zorgen dat wij de fluisteraars van de hybride-leraren worden in de hoop dat zij op een gegeven moment de fluisteraars van de ministers worden. Een mooie taak: hybride-lerarenfluisteraar. Kijken wat er van komt.

Je kunt ook aan de andere kant van de minister gaan staan en hard in het oor van de bewindspersoon roepen. Maar ik heb begrepen dat ministers met name aan die kant Oostindisch doof zijn.