Man overboord

In de jaren dat ik op de middelbare school zat, werd E. mijn vriend. We voetbalden samen, bezochten met een groepje de bibliotheek – waar we door een norse bibliothecaris regelmatig werden uitgetrapt omdat we zaten te praten – en dronken wel eens een biertje in het dorp. Grolsch beugels, herinner ik me nog.

E. ging naar de zeevaartschool, verkreeg een monsterboekje en monsterde aan op de wilde vaart. We leefden in een tijd dat er nog geen mobiele telefoons waren, WhatssApp onbekend was en pc’s nog niet met elkaar verbonden waren. E. en ik schreven elkaar brieven. Lange brieven. Ik vertelde over Texel en hij over de woeste zeeën die hij zag en de landen en steden die het schip waarop hij matroos was, aandeed.

Die brieven heb ik een tijdje gelezen herlezen. Hoewel E. niet op de hoogste zeeën van het onderwijs heeft gevaren, schreef hij vlekkeloze brieven. Het viel me op dat er in de brieven nauwelijks spelfouten zitten en dat ze een heldere structuur hebben.

In een van de brieven schreef E. hoe wreed het leven aan boord van een schip was. Soms, op volle zee, werd een verstekeling ontdekt. Die was in de laatste haven stiekem aan boord gegaan en had zich in het ruim onzichtbaar proberen te maken. Zo’n verstekeling werd dan, als men op het schip opzag tegen de procedure om zo iemand in een vreemde haven aan land te brengen, zonder pardon overboord gezet.

Alhoewel E. er als matroos niets over te zeggen had,  groeide het monster in hem. Hij gaf het varen op de wereldzeeën eraan en koos voor de pont tussen het eiland en de overkant.

Ik spreek E. niet meer en omdat ik geen auto heb, zie ik hem op de boot ook nooit. Hij staat op het autodek en dirigeert een eindeloze stoet auto’s naar hun plek in de rij. Ik vraag me af, of hij nog leest en schrijft. Ik hoop het van harte.

Mijn opvatting over onderwijs is gekruid met nostalgie en conservatisme. Toen ik gisteravond bij de presentatie van het boek De Bijlesgeneratie van Lousie Elffers zat, moest ik meerdere malen aan E. denken. Maar ook aan mijn klasgenoten van de lagere school. Er werd in het gesprek over het boek nogal stellig beweerd dat het onderwijs vroeger niet beter was en dat we internationaal gezien goede resultaten boeken. Het laatste kan zo zijn; het eerste geloof ik niet.

Ik sprak voor de bijeenkomst in de stad met EvB, een andere vriend uit mijn Texelse jaren. Hij zat drie jaar onder mij op school en bevestigde het beeld dat ik in een eerder blog opriep over de lijfstraffen die we op de Jac. P. Thijsseschool ondergingen. Eigenlijk zei EvB me in dat gesprek dat het nog erger was dan ik had beschreven. Hij somde voorbeelden op die ik niet kende en vertelde over gooi- en smijtpartijen van meesters en juffen waar ik nooit les van heb gehad. Ik zal ze laten voor wat het is: pedagogiek van lik-me-vestje.

Wat we, ondanks die rotte schoolcultuur, wel constateerden, EvB en ik, was dat vrijwel iedereen in de klas goed kon lezen en aardig kon rekenen. Dat weet ik nog van mijn grootste vriend op de lagere school, EK. Die ging naar de LTS, werd magazijnbediende, maar kon voldoende rekenen en goed lezen. Ook kinderen uit arme gezinnen, zoals die van de familie H., konden na de basisschool zeer acceptabel lezen en rekenen. Dat was mijn beeld en EvB bevestigde dat.

Een andere, grote vriend in mijn Texelse jaren was EB. Hij woonde tegenover me en we speelden eindeloos veel buiten. Zoals mijn oma en moeder altijd riepen als we dachten binnen te gaan spelen: “Wat doen jullie binnen, het is droog!” We bouwden hutten, speelden oorlogje en zetten op onze fietsen kleine voortandwielen, zodat je als een dolle moest trappen om vooruit te komen. EB zat niet bij mij op de lagere school. Hij ging vanaf de zijne naar de LTS. Regelmatig maakten we samen huiswerk en vergeleken we de lesboeken met elkaar. Daar zat, zeker in de eerste twee jaar, niet al te veel verschil tussen. Zijn wiskunde leek op de mijne, zijn Engels evenzeer.

Toen ik een tijdje voor de klas stond, legde ik mijn hand op een vmbo-t-examen wiskunde. Ik had een leerling in groep 8 die zeer goed kon rekenen en vroeg hem het examen te maken. Hij maakte het foutloos, op één som na. In deze som moest een wiskundige formule worden gebruikt en die formule kende hij nog niet.

Hierna legde ik het examen voor aan enkele leerlingen die een vmbo-t-advies hadden gekregen. Die maakten rond de 50% van de opgaven goed. Ik heb maar niet tegen ze gezegd, dat ze vier jaar de tijd kregen om iets bij te leren en te slagen met een 6 voor wiskunde. De leerlingen met een t-advies hadden op de cito-toets keurig gescoord binnen de bandbreedtes die men in Amsterdam hanteert voor dit advies. Ze waren niet ondergeadviseerd – was het maar zo.

Als ik wel eens op een vmbo-school kom (er is een tijd geweest dat ik er voor een andere baan geregeld kwam) vraag ik altijd of ik lesmateriaal mag zien. Met name de lesstof van vmbo-b intrigeert me. Kijk, ik ben geen expert, maar ik vind het over het algemeen weinig voorstellen. Het lijkt in de verste niet op wat EB 40 jaar geleden op de LTS kreeg voorgeschoteld. En het lijkt ook niet op het niveau dat de leerlingen in groep 8 beheersen.

We leven in een land vol laaggeletterden. Ik heb ondertussen wel een idee hoe dat komt. Maar dit is een idee dat velen niet willen horen. Gisteravond zei Rosenmöller in Pakhuis De Zwijger, dat leraren met passie hun vak uitoefenen en hard werken. Dit zal zo zijn. Ik heb geen enkele reden om hier aan te twijfelen. Maar iets vol passie doen en daarbij hard werken is nog geen garantie dat het ook succesvol is. Ik vraag me in alle ernst af, waarom een kleine 45 jaar geleden kinderen die naar de LTS gingen op een hoger niveau werden aangesproken dan nu.

Dat een leerling van onze school die wij met hangen en wurgen op het vmbo-b hebben gekregen (De vo-school wilde aanvankelijk niet omdat men twijfelde aan haar niveau) daar nu bijkans de beste leerling van de klas is, is natuurlijk geen bewijs voor mijn idee over het lage niveau, maar het zet me nogmaals aan het denken.

We hebben in Nederland, ondanks de relatief aardige resultaten van ons onderwijs in internationaal verband, de lat lager gelegd. Een indicatie hiervan vind ik nog steeds het besluit over de referentieniveaus in 2010. Ik vind die inhoudelijk niet te verkopen. En als jouw zwakste leerling op de basisschool op het een na laagste niveau op het vo instapt en het krankzinnig goed doet, dan klopt er iets niet. En dit is voor mij een zich herhalende ervaring in het onderwijs. We brengen leerlingen met de strenge normen die, bijvoorbeeld, het Amsterdamse onderwijs hanteert, niet vooruit, maar achteruit. Ontleren, noem ik dat.

Deze opmerking zal ongetwijfeld kwaad bloed zetten. Maar als ik heel eerlijk ben, zetten we in het onderwijs aardig wat kinderen overboord. Ik vind dat monsterlijk.

 

Advertenties

Lijfstraffen

Dat er vroeger in het onderwijs klappen werden uitgedeeld, zal velen bekend voorkomen. Ik zat in de jaren ’70 van de vorige eeuw op de lagere school, de Jac. P. Thijsseschool in Den Burg. Het ondergaan van lijfstraffen begon bij meester Van Empel, de meester van de 3e klas. Zowel op de kleuterschool als in de eerste twee klassen van de lagere school had ik juffen gehad. Die sloegen niet, maar knepen wel. Heel venijnig en gemeen.

Meester Van Empel had een spuuglok en een pesthumeur. Orde houden viel hem zwaar en hij had een broertje dood aan leerlingen die het beste jongetje van de klas wilden zijn. Ik was zo’n leerling. We zaten met vrij veel leerlingen in de klas en hij stelde de klas eens de vraag hoe de kustbescherming ten noorden van Groet heette. Het was de tijd dat je nog fijn je vinger in de lucht mocht steken en alleen die van mij ging omhoog. Tot ergernis van meester Van Empel. Hij ging eerst alle andere kinderen af voordat hij mij de beurt gaf.

Een onschuldig voorbeeld, dat echter wel paste in een patroon. Op allerlei manieren probeerde hij ons te kleineren. Hij sloeg dan ook zijn leerlingen, bij voorkeur met een liniaal. Eens had ik straf en moest ik tijdens de pauze binnenblijven. Van Empel had mij opgedragen stil te zitten en geen geluid te maken. Ik liep echter door het lokaal en gilde alles bij elkaar. Van Empel stormde binnen, pakte een liniaal en mijn hand en sloeg mij met de smalle kant een paar maal hard in de hand.

Ik gilde nog harder dan daarvoor.

Een paar klassen hoger hadden we Lohning. Die kon niet omgaan met de onwetendheid van mijn vriend Erik. Een keer roste Lohning Erik af. Dit vond plaats in het handvaardigheidslokaal, een gepaste plek voor zo’n rospartij. Toen Eriks vader er lucht van kreeg, toog hij naar school. De man was geboren in Harlingen, maar had zich een stoer Amsterdams accent aangemeten en dat maakte indruk op Lohning. Erik werd met rust gelaten.

Op de middelbare school hadden we een brute gymleraar, Dros. Die sloeg klasgenoot Adrie een keer in elkaar omdat die zijn handen zo over een aanwijzing in de kleedkamer hield, zodat er stond te lezen: oenen voor de bank trekken. Dros dacht dat Adrie de letters eraf pulkte en sloeg toe.

Een andere keer stond een klasgenoot op de brug met gelijke leggers te ginnegappen. Dros pakte een bal en gooide die in een streep vol op de borst van de jongen. Die donderde naar beneden. En weer later hadden wat jongens van mijn school ruzie met wat knapen van de LTS. Dros vond dat interessant, opende het buitenhok met gymspullen en deelde links en rechts honkbalknuppels uit.

Van Empel werd uit het onderwijs gebonjourd en dat gold ook voor Dros. Toch kon je beter hen als leerkracht hebben dan de geniepige juffen. Die trokken leerlingen voor. Zo’n 45 jaar geleden was het niet ongewoon dat je als leerling werd uitgenodigd om een nachtje bij de juf te logeren. Mijn broer bracht zo de nacht door bij juf Sowieto en juf Hazewinkel. Dat het voor veel andere leerlingen niet zo ver kwam, zette kwaad bloed. Meesters als Van Empel en Lohning konden iedereen afrossen. Zonder onderscheid.

Tegenwoordig kan dit allemaal niet meer. Gelukkig maar. Wat wij leerden van de klappen, was dat je er thuis maar niet al te veel woorden aan vuil moest maken. Anders kreeg je ze thuis nog een keer. Ik woonde in mijn jeugd lang bij mijn opa en oma in. Mijn opa vond het normaal om mijn broer en mij klappen te geven als we iets hadden gedaan wat niet mocht. We moesten dan de broek laten zakken, werden over de knie gelegd en kregen vervolgens tien harde klappen met de gestrekte vlakke hand op ons achterste.

Wij hadden toen weinig tot niets in te brengen. Mijn broer nam nog wel een keer wraak door onder de tafel te kruipen en mijn opa keihard in zijn grote teen te bijten. Maar het ergste vond (en vind) ik dat mijn moeder het accepteerde dat haar vader ons sloeg.

 

Niemand nodig

Ik ken maar twee kinderen die zichzelf hebben leren lezen. Toevallig zijn zij broer en zus. Een tweeling. Hun ouders dachten dat ze naast afzichtelijk ook nog eens koekoek waren en daarom leefden ze apart in een huis waar ze goed verzorgd werden. In dat huis ontdekten ze getweeën de bibliotheek en daar leerden zij zichzelf lezen.

De broer werkte zich op tot president van de Verenigde Staten van Amerika. Hij werd president in een tijd van wisselende zwaartekrachtvelden, een tijd bovendien waarin de VS uiteengeslagen waren als gevolg van een atoomoorlog. De man heette Wilbur Swain; zijn zus Eliza. Ze hadden een plan bedacht tegen de eenzaamheid, maar dit terzijde.

Welkom in de wereld van Kurt Vonnegut. Het boek heet Slapstick. Hi Ho!

Ik kan maar beter eerlijk tegen u zijn, waarde lezer. Slapstick is geen al te best boek – dat vond Vonnegut zelf overigens ook – maar Wilbur en Eliza Swain zitten muurvast in mijn hoofd. Als het over onderwijs gaat, dan springen ze op de vreemdste momenten mijn denkwereld binnen.

Kijk, ik leef graag in verhalen. Dat de mens spraak heeft ontwikkeld en daarna het schrift vind ik mooier dan mooi. Binnen enkele seconden kun je uit deze wereld in een andere stappen die wellicht niet bestaat, maar even werkelijk is als de wereld die je slaat met plagen en pijn.

Ik ben door toeval een (veel)lezer geworden. Ik weet nog steeds niet waarom, maar van mijn eerste loon als krantenbezorger (ik bezorgde in Den Burg op Texel De Helderse Courant) kocht ik twee boeken. Een van een Vlaamse schrijver en Postkantoor van Charles Bukowski. Postkantoor heb ik ondertussen een keer of 25 gelezen en dit boek was ook de reden dat ik meer ging lezen en meer ging ontdekken. Als ik ‘Buk’ niet had ontdekt, was ik – denk ik – geen groot lezer geworden. Die Vlaamse auteur ben ik vergeten. Wellicht was het Ruyslinck.

Dat toeval een belangrijke rol speelt in ons leven, is iets wat we maar al te graag vergeten of ontkennen. We staan, als we terugkijken, zelf aan de knoppen te draaien. Wat we eerder hebben ondergaan of wat ons is gebeurd, dat is bij een terugblik het gevolg van doelbewuste handelingen. Ik meen dat ze dit in de sociologie the dispositional shift noemen. Van object verander je jezelf naar subject.

In de 25 jaar dat ik voor de klas sta, ben ik dit fenomeen regelmatig tegengekomen. Je stuit dan op de stuitende arrogantie bij ouders die zeggen dat ze ondanks het onderwijs zo ver zijn gekomen. Die hebben van hun leerkrachten niets geleerd, maar het allemaal zelf ontdekt. Het bekendste voorbeeld uit deze reeks is oude man Freek de Jonge, een Nederlandse komiek die bij zijn toespraak op het congres van de VO-raad vorige week uitlegde dat hij van het onderwijs niets had geleerd.

Het heeft er voor een deel mee te maken dat deze hoogopgeleide mensen, wat dat zijn het zonder uitzondering, zich niet kunnen voorstellen dat iemand die lager is opgeleid dan hen, ooit aan de wieg van hun huidige kennen en kunnen heeft gestaan. Zij zijn de mensen die, toen ze uit de baarmoeder kropen, al konden lezen en schrijven. Ze hebben het zichzelf allemaal eigen gemaakt. Ze zaten in de klas en wisten het al beter dan de juf of meester.

Hi ho!

Of, in mijn taal: Ammehoela.

Dat je niemand nodig hebt om jou te leren lezen en rekenen of je in te wijden in een taal als Grieks of Sanskriet heb ik altijd een prachtige zelfillusie gevonden. Ik stelde mensen die dit evangelie luid verkondigden dan de vraag of ze zichzelf ook hadden leren autorijden. En omdat zulke mensen nooit willen toegeven dat ze zichzelf in de maling nemen, roepen ze dan hard dat ze al konden rijden voordat ze les kregen.

Ik ben mijn juf Commandeur nog steeds dankbaar dat ze me door middel van het ouderwetse leesplankje heeft leren lezen. Ik dank mijn leraar Nederlands die me op een gegeven moment in aanraking bracht met Gerard Reve, Simon Vestdijk en Stig Dagerman (een Zweedse schrijver, maar dit terzijde). En ik dank de docenten aan de UvA voor de fantastische colleges die ik daar heb mogen volgen. Wat zij wisten en doorgaven had ik zelf waarschijnlijk niet kunnen ontdekken.

Ik had vroeger een poes die via mijn broekspijpen en rug omhoog klom zodat ze op mijn schouder kon zitten. Ik ben niet anders. Mijn uitzicht dank ik aan het feit dat ik op de schouders zit van mijn leermeesters; mijn woorden echoën hun kennis.

Nu gaat het mij er niet om, dat ik waardering vraag voor het werk dat ik doe. Het gaat mij erom dat de illusie van het zelfsturend leren een werkelijkheid aan het worden is in het onderwijs. De zelfillusie wordt verankerd in een onderwijsopvatting en zo’n opvatting is – vooral bij hoogopgeleide ouders – populair.

Hi ho!

Ik vind het allemaal prima, eerlijk gezegd. Als je in het onderwijs wilt werken maar aan deze illusie wilt ontsnappen, dan raad ik je aan een bijlesbureautje te beginnen op een locatie in de buurt van dit soort scholen. Noem het Swainstein.

Tot slot. Veel van mijn lezers zullen weleens een boek van Haruki Murakami hebben gelezen. Nergens duidelijker dan in De jacht op het verloren schaap zet Murakami zich af tegen de strijd van broer en zus Swain tegen de eenzaamheid. Murakami omarmt deze eenzaamheid.

Hi ho!

 

 

 

 

 

 

 

Tegen het individualisme

Ik begin met een verhaal. Een verhaal dat ik ga gebruiken om u iets te vertellen over onderwijs. Mijn blog, ik waarschuw u alvast, heeft een conservatieve toon. Het onderwijs heeft, naast veel andere dingen, als doel om het oude en het goede te bewaren en door te geven. Een oud en goed ding is wat mij betreft het gemeenschapsgevoel. Ik zal daar zometeen iets over vertellen, maar eerst het verhaal over de twee rabbi’s en de hemel en de hel:

De jonge rabbi vroeg zijn leermeester: “Wijze meester, kunt u mij vertellen wat het verschil is tussen de hemel en de hel?”
“Nee,” antwoordde deze na enige seconden. “Ik kan je dat niet vertellen, maar ik kan je er wel iets van laten zien.”

Hij nam de leerling mee naar een lange gang met aan weerzijde twee gelijke deuren. De oude rabbi opende de rechterdeur en zei: “Dit is de hel…”
De jonge rabbi zag een groot gezelschap mensen, dat bij elkaar zat rondom een grote ovalen tafel. Het water liep hem direct in de mond, want in het midden op die tafel stond een grote pot, die tot de rand was gevuld met heerlijk geurende hutspot.

De mensen rond de tafel zagen er echter erbarmelijk uit. Hun ogen stonden droef, hun wangen ingevallen, hun huid grauw en doorschijnend. Zij waren broodmager en uitgehongerd en het leek of zij de dood al in de ogen keken. Iedere persoon aan de tafel had een lepel met een meterslange steel. Daarmee konden zij wel in de pan reiken, maar het was onmogelijk de lepel in de mond te steken.

De oude rabbi sloot de deur, stak de gang over en opende de andere deur. “En dit is nu de hemel.”
Wat hij zag was precies hetzelfde schouwspel als aan de overzijde. De grote tafel, de mensen eromheen, de lepels met de lange stelen en de pot met geurige hutspot, die echter al bijna leeg was. Deze mensen zagen er vrolijk en weldoorvoed uit. Een enkeling had al een buikje. Ze waren vrolijk.

De jonge leerling vroeg: “Hoe is dit mogelijk? Er is nauwelijks verschil!”

“Inderdaad,” sprak de oude wijze. “Er is nauwelijks verschil, maar toch! In de hemel hebben de mensen geleerd elkaar te voeren…!”

In het onderwijs is al jarenlang een beweging gaande richting gepersonaliseerd leren.  Voor velen zijn computers, tablets en mobiele telefoons het middel om het onderwijs doelmatiger en ook individualistischer in te richten. Elke leerling kan in eigen tempo en naar eigen keuze door de lesstof heen. School wordt een doos (l)egosteentjes waar je naar willekeur uit kan en mag kiezen. Het gaat in onze 21ste eeuw al lang niet meer om kennis – die kun je immers overal vandaan halen – maar om vaardigheden.

De uitvinding van personal computers en mobiele telefoons kon alleen plaatsvinden in een cultuur waar het individualisme wordt gevierd als het hoogste goed. Als een Amerikaan naar Nederland komt en naar onze waterwerken kijkt, dan zal hij Hansje Brinker noemen. Dat is een puur Amerikaans verhaal, met een puur Amerikaanse moraal: een jongeman redt in zijn eentje een hele bevolking van de verdrinkingsdood. Wij weten wel beter.

Onze oudste instituties zijn de heemraadschappen. In gezamenlijkheid werd en wordt hier gevochten tegen het water. Dat zat tot recent ingebakken in onze cultuur. Ik kom zelf van Texel, dat net als andere gebieden aan de Nederlandse westkust, in 1953 werd getroffen door de storm met orkaankracht. Mensen en dieren verdronken en land werd voor lange tijd door het zout minder vruchtbaar. Tijdens de uitvoering van de Deltawerken ging ik als jonge knaap regelmatig bij de dijkverhogingen kijken en op school werd ons het belang van deze gezamenlijke strijd ingeprent. Het vuistdikke overzichtswerk De Republiek van Jonathan Israel begint niet voor niets met de samenwerking die de strijd tegen het water ons feitelijk oplegde – en oplegt. De kaart van West-Nederland is getekend door water en onze strijd ertegen.

Nu wil ik niet beweren dat deze strijd tegen het water onze cultuur heeft gekleurd en bepaald, maar ik zie het als een mooie metafoor tegenover het individualisme van Hansje Brinker. Hansje zou tegenwoordig het gat in de dijk niet meer opmerken, omdat hij op zijn scherm kijkt als hij voorbij de dijk loopt of schaatst. Hij zou überhaupt niet meer op de schaats staan, want wie wil er nog een zilveren schaats winnen? Het gaat om levels in een virtuele wereld.

Waar Hansje Brinker leuke Amerikaanse folklore was, waar wij in de klas om gniffelden als de meester het vertelde, daar is het nu een bestaande realiteit. De kolonisatie van het onderwijs door einzelgängers is een revolutie die vol wordt omarmd door instanties en personen die bij het onderwijs zijn betrokken. 04NT van Maurice de Hond is als experiment mislukt, maar we weten allemaal dat de eerste pioniers vaak niet de meest succesvolle zijn. Er komen nieuwe partijen, nieuwe initiatieven en nieuwe messiassen van het individualistisch onderwijs. Afgelopen week gaf voorzitter Paul Rosenmöller hier een mooi staaltje van weg op het congres van zijn VO-raad. Hij zette leerkrachten weg als mensen uit een vorige eeuw die moeten lesgeven aan jongeren die allemaal zijn geboren in deze frisse 21ste eeuw. Deze eeuw vraagt om ander onderwijs en de opmerking van Rosenmöller lijkt te impliceren dat leerkrachten van een andere generatie dat eigenlijk niet kunnen. Bovendien plaatste hij vaardigheden boven kennis en het examen benadrukte nog steeds te veel dat laatste aspect. Kennis, gedeelde kennis, bindt ons samen, maar Rosenmöller heeft daar blijkbaar een broertje dood aan.

Het blijft fascinerend om te zien hoe hoogopgeleide mensen de instituties die hen mede groot hebben gemaakt willen slopen. George Steiner (Het oog van de meester) waarschuwt voor het lot van de leraar die door zijn leerling overvleugeld en (meestal ritueel) gedood wordt. Hij vergat erbij te noemen dat de instituties van die meesters gesloopkogeld worden en dat de oude meester gebroken en beschadigd uit het puin zal kruipen.

Alex Otten schreef deze week op Twitter:

De wereld om ons heen verandert gigantisch snel. Binnen het lijkt het alsof sommige mensen willen dat alles bij het oude blijft. “Veranderingen in het onderwijs is als zwemmen in dikke yoghurt”. Stilstaan is wat mij betreft achteruitgang.

Telkens als ik zo’n tweet voorbij zie komen, moet ik denken aan de Nederlandse scheepslui bij Deshima (lees De niet-verhoorde gebeden van Jacob Zoet van David Mitchell). Ze leven op de grens van twee eeuwen en kijken terug op de 18e eeuw, die ze binnenkort achter zich zullen laten. Ze zijn gefascineerd door de enorme veranderingen die alleen al de scheepvaart in die eeuw heeft ondergaan, maar slaan geen alarmistische toon aan. Ze hebben er, gesteund door hun gedeelde kennis en ervaring, mee leren omgaan.

We leven al weer 18 jaar in deze eeuw. En wat er ook veranderd is, we hebben er met onze gemeenschappelijk aangeleerde kennis en ervaring soepel mee leren omgaan. En wat zeker niet is veranderd, en dat is misschien wel de meest onveranderlijke factor in het geheel, is de mens zelf, dat onzekere, bange dier.

Als de mens reden tot klagen heeft over deze eeuw, dan betreft het wel het feit dat er in een wereld met steeds meer mensen steeds meer individualisme is gekomen. Je voelt je steeds minder onderdeel van een geheel en de school die een prachtige plek van samenzijn was en altijd een buffer vormde tegen de leegte van het individualisme staat onder grote druk. Ik trok met 36 mede-leerlingen op. Je leerde samen. Je speelde samen. Je leefde samen. Wij gniffelden om Hansje Brinker omdat hij daar alleen aan het schaatsen was. Dat deden wij nooit. Het was precies zoals Theo Thijssen aan het eind van De Gelukkige Klas noteert:

 M’n heerlijke, lieve, lastige stel, ik weet eigenlijk maar één ding: de jaar of wat dat ik jullie heb en dat jullie mij hebben, behoren wij enkel maar een gelukkige klas te zijn.

Maar dat is niet meer wat we willen in het Nederlandse onderwijs. Claire Boonstra komt in haar presentaties telkens met een aantal vragen aan het onderwijs. Het zijn altijd waarom-vragen. In dit geval: Waarom zijn er klassen in het Nederlandse onderwijs?

Tegen de gierende leegte van het individualisme, denk ik dan. En ook omdat er voor die klas een meester of een juf staat die de leerlingen leert hoe je uit de pot vol kennis kunt eten door te delen. Als we van onderwijs een solotocht gaan maken, zijn we aanbeland in een culturele hel. Met alle mooie electronica worden onze lepels steeds langer, maar onze geestelijke magen leger. We hoeven niet met Dante Alighieri af te dalen in de hel, we bouwen hem zelf van bits en bites.

 

 

Weg met de AOb?

Tot vandaag (28 maart 2018, 19:36 uur) stond hier een blog waarin ik met woorden oorlog voerde tegen de AOb en de voorzitter van deze vakbond, mevrouw Verheggen.

Meestal publiceer ik blogs vol boze woorden niet. Ik schrijf ze en gooi ze weer weg.

Het blog over de AOb had ik niet moeten publiceren. Het dient geen doel. En of je wel of geen lid bent van een bond moet je lekker zelf weten. Met mijn gal bereik ik niets.

Ik ga alleen nog schrijven over onderwijs op mijn school en over hoe ik het lesgeven ervaar. En ik zal boeken bespreken. Want er bestaat niets fijner dan lezen.

Ik ben opgeleid als politicoloog, maar politiek vind ik eigenlijk nooit interessant. Onderwijspolitiek ook niet.

 

 

Standenonderwijs

Ik werkte een tijdje met leerlingen uit de Diamantbuurt. Ik nam ze eens mee naar de Stopera voor een les over de Tweede Wereldoorlog. Op het plein daar loopt een stenen lijn die een somber verhaal sober weergeeft. We gingen er met tram en metro naartoe. Maar het weer zat mee – zo’n zonnige, koude herfstdag, het beste weer dat er is – en ik stelde voor terug te wandelen langs de Amstel. Nou ja, dat laatste zei ik er niet bij. Ik stelde gewoonweg voor terug te lopen en vroeg ze daarna welke kant we op moesten.

Ze hadden geen enkel idee.

Bij navraag bleek dat het gros van mijn leerlingen niet of nauwelijks de wijk uit kwam. Naar de sportclub ging Y. met tram of auto; Z. ging met de bus naar Almere. De andere leerlingen bleven hangen rond het Smaragdplein.

Later werkte ik in Duivendrecht. Dat is die vlek tussen Amsterdam en De Bijlmer. We hadden flink wat leerlingen uit Zuidoost. Voor hen was onze school de uiterste grens van hun leefgebied. Ze speelden buiten bij de flat Gravestein, waar ik ook nog een tijdje heb gewoond, en hingen rond op het Bijlmerplein.

Nu werk ik op Wittenburg. Een andere Amsterdamse wijk, maar met hetzelfde beeld. Kinderen die niet of nauwelijks de wijk uitkomen. Ze zitten met Koenraads Kleefpasta vast aan de rituelen en gewoonten van hun eigen omgeving.

De wereld van deze kinderen is klein. En als je kijkt naar de kansenongelijkheid die ons onderwijs teistert, dan lijkt het of we dat ook graag zo willen houden. We hebben de afgelopen jaren de geldkraan dichtgedraaid voor leerlingen uit kansarme gezinnen. Dat geld is herverdeeld. Dit betekent bijvoorbeeld dat een Amsterdamse basisschool in een goede wijk geld krijgt toegestopt omdat er kinderen van hoogopgeleide expats schoolgaan. De ouders, die vaak meerdere wereldtalen spreken, kunnen nog niet kouten in onze taal, en daar wordt zo’n school voor beloond. Geloof het of niet.

Her OESO-rapport dat deze week uitkwam laat zien dat we het internationaal waardeloos doen als het om kansengelijkheid gaat. Zelfs de Britten, een land met enorme sociale problematiek, doe het beter dan wij.

Wetenschappers die de kansenongelijkheid bestuderen, roepen dat het vijf voor twaalf is. Ik gooide laatst een interview van twee jaar geleden van Anja Vink met Paul Jungbluth op het net. Het leek, gezien de reacties, alsof veel collega’s dit artikel en het daarin uitgesproken oordeel “Nederland heeft zijn standenonderwijs terug” voor het eerst zagen. In een cynische bui dacht ik: Als ik het artikel er over twee jaar weer opzet, zullen de verbaasde en verontwaardigde reacties opnieuw klinken. Want dat was twee jaar geleden ook al zo.

Over twee jaar is het Nederlandse onderwijs failliet en als de rokende puinhopen worden geïnspecteerd, dan zal blijken dat de hoogopgeleide lui het voor hun kinderen prima voor elkaar hebben. De ouders van kansarme kinderen zullen mogen smeken om onderwijs. De leerkrachten zijn op, scholen kunnen dicht en Nederland zakt in het volgende OESO-rapport naar de onderste regionen.

Nederland heeft zijn standenonderwijs terug. Dat is geen mening, maar een hard feit. Ik lig er wakker van. Ik hoop alle beleidsmakers en beroepspolitici ook.

Woorden als poort naar een andere wereld

 

Ik las met mijn groep 5 het gedicht van de week. Binnen ons thematisch onderwijs hebben we elke week een gedicht van de week en een kunstwerk van de week. Mijn collega Martine doet de kunstbeschouwing. Dat doet ze erg mooi en fijn. Ik stort me op maandag op een nieuw gedicht. Ons thema is natuurrampen en het gedicht van deze week heet Een terugblik op de storm:

Een terugblik op de storm

Ik kijk terug.
Ik was gebroken.
In m’n eentje de storm doorstaan.
Het kon razen in mijn hoofd,
maar ik kon ook verder gaan.

Ik kijk terug.
Voor de tweede keer kapot gemaakt.
De gedachten konden razen als een orkaan in mijn hoofd.
Mijn hart bleef schreeuwen.
De storm werd niet gedoofd.

Ik kijk terug.
Het stormt in mij voor de zoveelste keer. De wind waait door mijn ogen.
Even slikken, de ogen gesloten. De ogen weer open, en met gebalde vuist, de storm doorstaan.

Zeker voor groep 5 een pittig gedicht. De betekenis ziet diep in de woorden verscholen. Ik heb het gedicht tenminste 7 keer met ze gelezen en zo zijn we langzaam afgezakt in de gedachten van de dichter. Langzaam daalde het besef in dat de orkaan niet buiten woedde, maar diep van binnen tekeer ging. Er werd naar redenen gezocht die de woede, het verdriet en de onmacht voedden.

R. zei mooi: Als je sommige zinnen vervangt door ‘Ik voel de pijn van binnen,’ snap je beter waar het gedicht over gaat.

Ik vergeet nog weleens om een gedicht rustig te lezen. Mijn ogen jagen over het algemeen over de pagina’s, achter Yarim, Edward Dantès of Iris Goudhaan aan. Bij gedichten past een ander leestempo en dat kon ik mijn leerlingen laten zien.

Het gedicht was aanleiding voor een gesprek, waarin leerlingen zochten naar woorden bij emoties. En dat vonden ze moeilijk. Het gevoel is er wel, maar woorden lijken er niet bij te passen. Soms ook, bezitten mijn leerlingen niet de woorden om te zeggen wat ze voelen of denken. Taal is op dat moment de krakende wagen die de spreker slechte diensten bewijst. Het zoeken naar de goede woorden, het aanreiken hiervan, het proberen of ze passen, is een fascinerend proces.

Ik heb met andere groepen wel eens lijsten met emoties aangelegd. Kennen ze woorden als joviaal, vriendelijk of spontaan? Weten ze het verschil tussen chagrijnig en boos? Zal ik het woord gemelijk eens laten vallen?

Tijdens de les stond ik wat langer stil bij de zin De wind waait door mijn ogen. Wat een prachtige zin is dat. Die roept bij mij een eindeloze reeks beelden en gedachten op. Ik deelde er een aantal van met mijn leerlingen. Zij deelden hun ideeën en gedachten. Die houd ik voor onszelf. Want dat is het mooie van onderwijs. Er zijn momenten die van zijn en van ons blijven. Er ontstaat dan een hechte band tussen de leerlingen en de leerkracht.

Z. zei aan het eind van les dat je iets anders kunt bedoelen met de woorden die je gebruikt. Dat vond hij mooi, maar ook moeilijk. Er staat meer dan er staat, zei ik. En dat is eigenlijk voortdurend de boodschap die ik mijn jonge lezers meegeef: Er staat veel meer dan er staat. Woorden zijn de poort naar een andere wereld.