Een motie van vloeipapier

We gingen eens, een stel Texelse blagen die elkaar kenden van hun bijbaantje in een supermarkt, een week naar Center Parks. Het liep, je had niet anders verwacht, uit de hand. Er gingen zaken kapot, waaronder reputaties, neuzen én een witte binnendeur. In die deur zat een flink gat. Er vloog iets door de kamer – een lege bierfles? – en de deur was het eindpunt van het projectiel. Om het gat te repareren, vulden we dit met toiletpapier, streken het glad en dekten het tenslotte af met vloeipapier. Vervolgens leverden we de sleutel van het huisje in en gingen er fluks vandoor. Nooit meer iets van gehoord.

Het Nederlandse onderwijs kampt met een aantal problemen. Een daarvan is het lerarentekort. Dat tekort is zowel kwalitatief als kwantitatief. Laten we dat kwantitatieve tekort eens nader beschouwen en het zien als het gat in de deur van het Center Parks-huisje.

De interessante vraag is wie de veroorzaker van het gat is. Ik was het niet. Ik zag het flesje vliegen, ik hoorde de klap, maar ik was niet degene die het projectiel door het huisje slingerde. Ik wil best de schuldigen aanwijzen, maar dat hoeft niet. Dat zijn namelijk de mensen die nu zo hard hun best doen om het gat te dichten. Van een afstandje ziet het er aardig uit, maar als je dichterbij gaat, dan zie je dat het ouderwets lapwerk is.

Vooraan staan twee politici. Het zijn de heren Rog (CDA, thans wethouder te Haarlem) en Heerema (VVD, lid der Tweede Kamer der Staten-Generaal). Zij zien een oplossing voor het gat door differentiatie in de pabo-opleiding. Zij dienden daartoe in november 2019 een motie in. Die motie – het vloeipapiertje – staat hieronder:

Het is een rare motie. Het meest rare aan het voorstel is wat mij betreft de veronderstelling dat toekomstige leraren bepaalde kennis die je als minimale basis zou beschouwen voor een professional in een schoolorganisatie helemaal niet hoeven te hebben. Als je leraar in groep 1/2 wilt worden (let op de term ‘kleuterleraren’ in de motie – alsof dit een aparte categorie is), dan hoef je – om het maar even concreet te maken – niet te weten wat plaattektoniek is of wat de kenmerken zijn van een woestijnklimaat. Los van het feit dat ik zou willen dat elke volwassen Nederlander dit weet, wil ik een leraar die dit niet of nauwelijks weet liever niet als collega. Bovendien is het onjuist om te denken dat een leraar in groep 1/2 dit niet zou hoeven weten. Reken er maar op dat in groep 1/2 onderwerpen langskomen die kennis behoeven die Rog en Heerema bij het grofvuil zetten in hun motie. Stuur een leerling maar eens op zaterdag naar Artis en laat hem maandag in de vertelkring aan het woord. Die gaat dan vertellen over de axolotl en heeft ook nog een stapel vragen over het dier.

De motie Van Heerema en Rog biedt studenten de mogelijkheid om na vmbo-k en mbo gemakkelijker door te stromen naar de pabo. Die route moeten we wat mij betreft eens en voor altijd afsluiten. Het is niet uitgesloten dat er in deze groep iemand zit die veel potentie heeft, maar door de bank genomen zijn dit geen toekomstige leraren voor het onderwijs. Politici roepen dat het onderwijs beter moet, ze roepen dit dag in dag uit. Maar het is nogal stupide om te denken dat je dit kunt bereiken met leraren die aan het eind van groep 8 niet bepaald uitblonken in lezen, rekenen en kennis van de wereld. De veronderstelling dat ze dit in het vmbo en mbo hebben bijgetrokken is lachwekkend. Willen we er iets van maken, dan hebben we goede vwo-ers nodig en de allerbeste havisten. Hiermee zijn we aanbeland bij een bekende politieke truc; een truc die ook achter deze motie zit. Dat is het vloeipapiertje. Het lijkt erop alsof een groot probleem – het lerarentekort – door de motie op een adequate wijze wordt aangepakt. Ammehoela. Een aparte opleiding, met aangepaste eisen, zal wellicht zorgen voor toestroom van studenten en op termijn wellicht iets doen aan het lerarentekort, maar daarmee is niet gezegd dat de kwaliteit (een minstens zo groot probleem) beter wordt. Ik durf te beweren dat met de uitvoering van deze motie het kwalitatieve tekort ernstig zal toenemen.

Als er ergens iets te winnen valt, dan is het in de onderbouw van de basisschool. Leraren in de midden- en bovenbouw weten dat in de groepen 1 t/m 3 de grootste slagen worden geslagen als het gaat om leren en ontwikkelen. Daar wil je leraren hebben die over die twee aspecten van het vak veel kennis hebben én weten waar naartoe wordt gewerkt. Daar zet je goede, goed opgeleide en verstandige leraren neer. Maar politici denken daar anders over. Die denken blijkbaar, zo constateerde mijn collega Eva (expert-leraar in 1/2), dat er andere bevoegdheden en kwalificaties kunnen zijn om aan jonge kinderen les te mogen geven. Ze verwoordt dit als volgt:

Lesgeven aan het jonge kind moet je niet zien als een apart vak. Jonge kinderen leren wezenlijk niet heel anders dan oudere kinderen. Bovendien leg je bij jonge kinderen juist de zeer belangrijke basis die nodig is voor de rest van het basisonderwijs. Groep 1/2 hoort echt bij het basisonderwijs. Eigenlijk zou zelfs de voorschool bij het basisonderwijs moeten worden getrokken, met alleen maar HBO geschoolde mensen (of hoger). Als we die kans om te leren bij het jonge kind laten liggen, veroorzaak je juist meer kansenongelijkheid. En bij te weinig kennis over een doorlopende leerlijn kunnen er gaten ontstaan in die doorgaande lijn. De basisschool is één geheel, leerlingen hebben veel profijt van dezelfde visie op onderwijs binnen een school. Overgang van 1/2 naar de middenbouw is dan nog groter (voelt meer als de overgang van basisonderwijs naar VO).

Een andere vraag is of je in een basisschool, waar je onderwijs geeft in een doorgaande lijn en intensief met elkaar samenwerkt, zou willen dat je collega’s hebt die weinig tot niets afweten van wat er in de hogere of lagere groepen gebeurt. Eva neemt dat aspect hierboven al mee. Scholen die uitblinken, werken vanuit een gedeelde visie op leren en leren organiseren en die twee aspecten zitten in de haarvaten van de organisatie. Daarvoor is kennis van doorgaande leerlijnen, intensieve samenwerking en een gezamenlijke kennisbasis voorwaardelijk.

Onder de oppervlakte van het vloeipapier van de motie zit voorts nog de notie dat jonge kinderen anders zouden leren dan oudere kinderen. Het is een poging om de loopgravenoorlog over spelend leren en directe instructie te beslechten in het voordeel van de eerste. Wie Rog heeft gevolgd in zijn politieke carrière weet dat zijn opvatting over onderwijs aan jonge kinderen aansluit bij die eerste visie. Bij hem is het geduldig wachten op rijpheid. Als dat terugkomt in het onderwijs, dan zijn veel kinderen de klos.

Overigens werd de motie, het vloeipapiertje, niet louter door de twee blagen op de deuren van de scholen en opleidingen gespijkerd. Ze kregen steun alom. Kijk maar.

Leraren weten ondertussen wel dat politici weinig van onderwijs weten en beleid bedenken dat belemmerend is voor het onderwijs, het vakmanschap en de positie van de leraar. Politici hebben eigen agenda’s, voorkeuren en overtuigingen. Dat geldt evenzeer voor ambtenaren. Het omzetten van die agenda’s etc. in beleid is in de praktijk vaak rampzalig gebleken. Maar het probleem is dat leraren veelal niet in staat blijken om die politici en ambtenaren aan de leibanden van redelijkheid, wenselijkheid en uitvoerbaarheid (Dijsselbloem) te leggen. Politici maken gemene zaak met het onderwijs en komen ermee weg.

Laten we ze in dit geval maar even een halt toeroepen. Ik zal het voorbeeld geven: ik zal zo’n leraar, met een andere bevoegdheid en toegelaten tot de opleiding op basis van aangepaste eisen en minder kennis, niet accepteren als collega. Die komt simpelweg mijn school niet in.

Advertentie

Eén gedachte over “Een motie van vloeipapier”

Reacties zijn gesloten.