Lezers van ze maken

Afgelopen week schreef ik op Twitter: “De grootste uitdaging voor mij als leraar is niet om leerlingen (beter) te leren lezen, maar om lezers van ze te maken.”

Daarmee bedoelde ik te zeggen dat lezen meer dan alleen een vaardigheid is. Het is uiterst belangrijk dat leerlingen goed leren lezen. Het is dan ook fijn om te zien dat daar kloeke boeken over verschijnen en conferenties over worden georganiseerd. De urgentie van goed leesonderwijs kan niet voldoende worden benadrukt, vind ik.

Maar leesonderwijs is geen doel op zich. Je wilt leerlingen goed leren lezen omdat lezen naast een praktische ook een culturele functie heeft. Filosoof Maarten Doorman omschreef het belang van lezen als volgt: “Onze democratie is tot stand gekomen door lezen en schrijven en kan nog steeds niet zonder. Lezen heeft ons vrijheid en rechtvaardigheid gebracht. Lezen ten slotte, vergroot onze woordenschat en draagt zo bij aan het (niet altijd even grote) plezier om met andere mensen om te gaan.”

Voor mij als leraar is het dus niet alleen belangrijk dat leerlingen later in staat zijn om bijsluiters, huurcontracten of gebruiksaanwijzingen te kunnen lezen en begrijpen, maar ook dat ze met enige regelmaat een boek of krant openslaan en lezen. Dat mijn leerlingen, met andere woorden, na het funderend onderwijs lezers zijn geworden, omdat dit zoals Doorman mooi laat zien – en wat ook een wettelijke opdracht (WPO, artikel 8, derde lid) van het funderend onderwijs is – actief burgerschap en sociale integratie bevordert.

Het inwijden van leerlingen in de culturele rijkdom van het gedrukte woord is vooral een proces van verleiding. In tegenstelling tot technisch lezen bestaat er geen methodiek die je kunt inzetten om van je leerlingen lezers te maken. Er is geen methode die je kunt volgen en die je garandeert dat je leerlingen later nog boeken zullen lezen. Wel zijn er diverse boeken en dissertaties geschreven over dit onderwerp. En deze boeken kun je gebruiken als inspiratie en als bron. De beste leidsman is wat mij betreft Daniel Pennac. Zijn boek In een adem uit. Het geheim van het lezen laat zien wat hij als leraar deed om van zijn leerlingen lezers te maken. Jammer is dat veel mensen van zijn boek alleen de poster hebben onthouden en gebruiken. Die poster beschrijft de tien rechten van de lezer. Quentin Blake heeft er een klein kunstwerkje van gemaakt.

Maar als je alleen de poster ziet als kern van Pennacs boek, dan maak je je er te gemakkelijk vanaf. Want feitelijk gaat het boek van Pennac over wat je als leraar kunt doen om leerlingen boeken te laten lezen. En dat is, zo laat hij zien, een lastig avontuur.

Een manier van Pennac om zijn leerlingen aan het lezen te krijgen- ik moet dit uit mijn hoofd doen, omdat ik het boek al geruime tijd kwijt ben – was het voorlezen in de klas. Hij stopte dan bij een cruciale passage. Pennac beschrijft hoe zijn leerlingen vervolgens na afloop van de les naar de bibliotheek gingen om het boek te lenen om zo zelf te ontdekken hoe het verhaal verder ging.

Pennac is in zijn boek openhartig over zijn eigen leesontwikkeling. Die kwam, zo meen ik me te herinneren, maar langzaam op gang. Ervaren lezers kunnen vlinders zijn die zijn vergeten dat ze ooit een rups waren. Pennac niet. Die wist heel goed dat hij ooit een rups was. Die rupsen nu zaten tegenover Pennac en hij wist hoe moeilijk het kan zijn om iemand te transformeren tot een lezer. Tijd speelt hierbij een belangrijke rol. Hij benoemt het niet expliciet, maar binnen het lesrooster maakte Pennac de nodige tijd vrij om met zijn leerlingen te lezen. En dat is misschien wel de meest cruciale keuze waar je als leraar voor staat. Als je lezers van je leerlingen wilt maken, dan is er tijd nodig, veel tijd. En in de volle roosters en binnen de brede opdracht die we in het onderwijs hebben, lijkt die maar moeilijk te vinden. Maar dat is niet zo. Het lezen van een boek is veel meer dan het lezen van dat boek. Doorman heeft gelijk als hij lezen koppelt aan burgerschap. Je leest en leert over de wereld waarvan je zelf een actief onderdeel bent. En de woordenschat van leerlingen ontwikkelt zich sneller, breder en dieper door te lezen dan door de opdrachten uit het taalboek te maken. Dat weten we, als ervaren lezers maar al te goed.

Wat Pennac ook deed was boeken met grote letters voorlezen. De bladspiegel in die boeken is rustiger. Je krijgt hierrdoor het idee dat zo’n boek je gemakkelijker toelaat tot de wereld achter de woorden dan een boek waar de zinnen kort op elkaar staan. Dat gegeven is een mooi bruggetje naar een voorbeeld uit mijn eigen praktijk. Ik las deze week met mijn leerlingen Owen en de soldaat van Lisa Thompson. Owen en de soldaat is een relatief kort verhaal (95 pagina’s) en het boek is – zie de foto van de openingspagina hieronder – zeer toegankelijk. De bladspiegel is rustig en de regels staan niet al te dicht op elkaar. Dat maakt het boek uitnodigend om te lezen.

Dat is natuurlijk niet voldoende. Het verhaal zelf moet ook uitnodigend zijn. Wie de eerste alinea leest zal, naar ik aanneem, geïnteresseerd zijn in het geheim van Owen en willen doorlezen. Dat is in ieder geval wat ik deed. Ik las een aangrijpend verhaal over een jongen die in de klas stil is, zeer creatief is met woorden en zijn handen, die diezelfde handen vol heeft aan zijn moeder, een jongen ook die worstelt met de afwezigheid van zijn vader en die ook nog eens door zijn leraar Engels gevraagd wordt om bij de opening van de bibliotheek een eigen gedicht voor te dragen. Owen is vrij eenzaam. Hij zit dagelijks na schooltijd in een plantsoen en deelt zijn gevoelens en gedachten met een stenen soldaat. Zijn gesprekspartner is een standbeeld dat daar staat ter herinnering aan de soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn gesneuveld. Als Owen hoort dat het plantsoen zal worden gerenoveerd en dat het standbeeld zal sneuvelen, komt hij in actie. Thompson vertelt kundig en vlot én in amper 100 pagina’s een verhaal dat mij emotioneerde. En dat heb ik maar weinig met kinderboeken.

Al deze zaken bijeen maakten dat ik besloot om het boek met mijn leerlingen te lezen. Ik schafte voor elk kind een exemplaar aan en begon afgelopen donderdag met lezen. Ik las de eerste hoofdstukken voor. Af en toe pauzeerde ik en vroeg de leerlingen hun theorieën over het verhaal in kleine groepjes te bespreken en in de klas te delen. Hadden ze een idee over het geheim van Owen? Herkenden ze Owens gevoel als meneer Jennings hem een vraag stelt over het gedicht van Rupert Brooke dat ze bij de Engelse les lazen en hij moeite heeft om een antwoord te geven?

Binnen een uur kwam ik aan bij de passage waar Owen in actie komt in zijn poging het standbeeld te redden van de vuilnisbelt. Daar stopte ik, geheel tegen de zin van de leerlingen. Ik vroeg ze of ze thuis de volgende hoofdstukken wilden lezen. De volgende dag zouden we dan vanaf hoofdstuk 10 weer verder lezen. Iedereen nam het boek mee naar huis en las de volgende hoofdstukken. Op vrijdag pakten we samen het verhaal weer op bij hoofdstuk 10. In dat hoofdstuk leest Owen een gedicht voor bij de opening van de bibliotheek en deelt hij met de toehoorders, waaronder de verantwoordelijke wethouder, het belang van hem en voor de stad van het standbeeld. Ook lees je dan dat Owens vader in Syrië is gesneuveld. Als Owen klaar is met het voorlezen van zijn gedicht zijn de toehoorders stil. Dat was in de klas net zo.

Dat zijn vader in Syrië is gesneuveld blijkt echter niet het geheim van de openingsalinea te zijn. De hele school weet van de dood van Owens vader. Alleen vraagt niemand aan Owen hoe het met hem gaat. Slechts een klasgenoot, Megan, heeft in de gaten dat Owen met een ander geheim rondloopt. In de laatste hoofdstukken maakt Thompson duidelijk wat nu het geheim van Owen is. Een van mijn leerlingen zei hierover dat kleine geheimen in werkelijkheid de grote geheimen zijn.

Eigenlijk doe ik tijdens zulke lessen maar een beperkt aantal dingen. Ik selecteer een toegankelijk en goed geschreven boek, ik creëer tijd en ruimte om het verhaal te lezen, ik weet waar ik moet stoppen om de leerlingen te stimuleren zelf verder te lezen en ik geef de leerlingen de ruimte om met elkaar en mij over het boek te praten. Zo af en toe laat ik zien wat een schrijver doet om je in het verhaal te trekken, maar dat is ondergeschikt aan het verhaal zelf. Het verhaal doet feitelijk het werk. En ik hoop – veel meer dan hoop is het vaak niet – dat zo’n verhaal leerlingen verleidt om meer te lezen. Om, met andere woorden, de leeservaringen die je hebt opgedaan in en door het verhaal in een ander verhaal opnieuw te beleven. Ik moet als leraar dan klaar staan om leerlingen naar zulke boeken te leiden. Want vergis je niet. Pennac kreeg zijn leerlingen alleen aan het lezen omdat hij zelf een groot lezer was en de boeken die hij in de klas las van binnen en buiten kende. Om van leerlingen lezers te maken moet de leraar een groot lezer zijn.

Nu het boek uit is en het verhaal klaar, mogen ze het boek houden. Lezers hebben boeken. Veel van mijn leerlingen hebben er thuis geen. Er zijn overal bibliotheken in Amsterdam, maar zelf boeken hebben is een groot en kostbaar bezit. Er is zo ontzettend veel geld in en rond het onderwijs dat je een deel ervan gerust zou kunnen gebruiken om leerlingen jaarlijks 5 boeken te schenken. Dan heb je als rups na acht jaar basisonderwijs 40 boeken in de kast staan. Dat is een kleine schatkamer; een schatkamer waar je je kunt verpoppen om een leesvlinder te worden.