De dennenappel

Denise vroeg, terwijl ze wees naar de grote, massieve dennenappel die op mijn bureau lag, wat dat was. Ik pakte de kegelvrucht op, gaf haar die en vroeg: ‘Wat denk jij dat het is?” Ze woog de dennenappel in haar hand, draaide ‘m om en antwoordde: “Een ananas?”

Denise zat in groep 7 van mijn stamgroep 6-7-8 op een basisschool in Zaandam. Ze leefde zowel thuis als op school in chaos. We legden in die tijd huisbezoeken af en de slaapkamer van Denise leek op een slagveld. Overal lagen spullen. En vuile kleding.

Hoewel dit verhaaltje over Denise gaat, zou het ook over Abram kunnen gaan, over Dyamairo of over Chaima. En ik herinner me nog een Wouter, een jongen die angstig de wereld in keek.

Denise herkende de dennenappel niet als zodanig omdat ze er nog nooit eerder een had gezien. Denise woonde in een arbeidersbuurt van Zaandam. Haar ouders waren gescheiden, haar vader was niet in beeld en haar moeder moest het doen met een karige uitkering. Denise kwam niet of nauwelijks haar buurtje uit. Het enige uitstapje dat ze kende was een busrit naar de Zwarte Markt in Beverwijk. Daar waande je jezelf even in een ver buitenland met al die wonderlijk geurende specerijen en glimmende spulletjes.

Als Denise op zaterdagmorgen de bus nam, dan was de kans groot dat er ook enkele Turkse klasgenootjes van haar in de bus zaten. Die zochten de markt af naar nieuwe cassettes van hun held Tarkan. Op zaterdagmiddag en de hele zondag zongen en dansten ze dan thuis mee met zijn muziek. Op maandag schreven ze zich in voor de kring van vrijdag. Dan lieten ze aan de rest van de klas hun kunsten zien en vertelden ze waarover Tarkan zong. De wat meer vrome Turkse jongens sisten dan dat Tarkan in de ban gedaan moest worden. Hij hield van mannen en dat was zondig.

De jongens voetbalden op zaterdagen op de voetbalvelden bij de rotonde die je neemt om de stad te verlaten. Iets wat zij nooit deden.

Toen ik in Duivendrecht werkte had ik leerlingen uit Amsterdam-Zuidoost in mijn klas. Zij kwamen niet of nauwelijks hun wijk uit. ‘De Poort’ was het middelpunt van hun wereld. Ze bezochten de bioscoop naast het grote stadion en fietsten en renden tussen de flats door.

Ik werkte in De Pijp op een klein schooltje waar ik een groep 7-8 onder mijn hoede had. Op een morgen gingen we met de tram en de metro naar het Waterlooplein voor een tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog. Het was een stille herfstdag. Na afloop van het bezoek stelde ik voor om terug naar school te lopen. We hoefden niet veel meer te doen dan de Amstel te volgen en via de Hogesluis over te steken naar hun buurtje. We stonden naast de Stopera aan de kant van de rivier en toen ik vroeg welke kant we op moesten lopen, wist niemand het antwoord. Ook zij kwamen amper hun wijk uit.

Als je kinderen laat lezen over een verzonnen vogel, zoals een ‘wug’ dan valt bij het beantwoorden van vragen over die vogel het verschil in sociaal-economische status weg. Het speelveld is dan plots gelijk. Verschillen die wij toekennen op basis van veronderstelde intelligentie zijn als sneeuw voor de zon verdwenen. Kennis is veel bepalender voor iets als leesvaardigheid.

Voor Denise was de dennenappel een ‘wug.’

Ik zei tegen Denise: “Ruik eens aan de vrucht. Ruikt deze naar ananas?” Ze schudde haar hoofd. De vrucht rook niet in de verste verte naar ananas. We legden de dennenappel op de verwarming. Op een stille donderdagmiddag sprong-ie open. Iedereen keek verrast op toen het krakende geluid de rust in de klas verstoorde. De zaadjes die uit de dennenappel kwamen heb ik verdeeld. Dat schooljaar verkochten enkele leerlingen op Koninginnedag jonge dennenboompjes. Misschien dragen deze bomen nu vruchten.