Vier dagen onderwijs als medicijn, niet als remedie.

Deze week publiceerde de rijksoverheid in de Staatscourant “Beleidsregel van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 11 mei 2020, nr. PO/24137474, houdende regels voor een experiment ten behoeve van onderzoek naar een andere dag- en weekindeling in het kader van de noodmaatregelen voor het lerarentekort in het primair onderwijs in de gemeenten Amsterdam, Almere, Den Haag, Rotterdam en Utrecht (Beleidsregel andere dag- en weekindeling op scholen in de G5).”

Deze beleidsregel is niet meer dan de uitwerking van een van de scenario’s die in de loop van dit schooljaar zijn ontwikkeld om het lerarentekort in de grote steden het hoofd te bieden. Dit beleid faciliteert feitelijk wat, onder meer, door het bestuur van de Westelijke Tuinsteden is voorgesteld. Als het lerarentekort zo ernstig is dat je vijf dagen onderwijs niet kunt garanderen, maar vier dagen lukt wel, dan heb je daar wel de goedkeuring vanuit de overheid voor nodig.

Als je rugpijn hebt, dan kun je een pijnstiller nemen. Dat helpt voor even. Het neemt de oorzaak van de pijn evenwel niet weg. Wil je geen pillen (meer) slikken, dan zul je maatregelen moeten treffen. Je zou op zoek kunnen gaan naar de oorzaak en bedenken wat een remedie is of kan zijn. En er is de preventievraag: hoe kun je ervoor zorgen dat je het niet nogmaals krijgt.

Je zou deze beleidsregel kunnen zien als een tijdelijke pijnstiller (het recept is geldig tot 2024). Om te voorkomen dat het onderwijssysteem krakend tot stilstand komt, is het nodig om deze maatregel te treffen. Die is niet voor elke school in een van de vijf grote steden nodig, zo begreep ik. Ik werk voor een groot bestuur en ik heb begrepen dat de maatregel hoogstens voor enkele scholen zal worden ingezet. Je zult als bestuur toch echt inzichtelijk moeten maken dat er sprake is van een langdurig en hardnekkig tekort.

Over de wijze waarop de vijfde dag kan en mag worden ingevuld, is de beleidsregel duidelijk:

De beleidsregel biedt ruimte om maximaal 22 uur per maand – dus niet gemiddeld – het onderwijs door andere professionals te laten verzorgen. Dit komt neer op een dag (5,5 uur) per week. De professionals kunnen niet worden ingezet voor de vakken Nederlandse taal, rekenen en wiskunde en zintuigelijke en lichamelijke opvoeding. Met zintuigelijke en lichamelijke opvoeding wordt het bewegingsonderwijs bedoeld dat binnen het curriculum valt. Sport- en spelactiviteiten die daarbuiten vallen mogen wel door andere professionals worden aangeboden. De wettelijke onderwijstijd blijft gelijk, maar wordt deels anders ingevuld.

Als dit scholen lucht geeft en een oplossing biedt voor een hardnekkig probleem, dan lijkt me dat in orde. Maar als je de reacties bekijkt op allerlei sociale media dan heb ik het vast mis.

De beleidsregel geeft mijns inziens scholen en besturen lucht om onderwijs te waarborgen en te zoeken naar een remedie voor dit probleem. Want dat lijkt me voorwaardelijk in dit geval. Ik ga ervan uit dat landelijke en lokale overheden in samenwerking met de besturen (en al die collecten en bonden) werk maken van het oplossen van het onderliggende probleem. Zo niet, dan is en blijft deze beleidsregel een vorm van pijnstilling. Want laten we elkaar niet voor de gek houden. Hard roepen dat onderwijs geven iets is en blijft voor bevoegde leraren strookt al niet meer met de praktijk. Er zijn talloze dames en heren die diplomaloos voor de klas staan. Verder heeft de Rotterdamse situatie laten zien dat het lerarentekort groter is dan men tot nu toe deed voorkomen.

De minister degradeert niet het beroep van leraar, zoals een van de bonden doet voorkomen. De beleidsregel is een pil die sommige scholen en besturen moeten slikken. Het is even niet anders.

En door het toedienen van die pijnstiller kunnen we ook eens rustig kijken naar de vraag waarom leraren weglopen en zo moeilijk te vinden zijn. Er zijn diverse redenen waarom leraren het vak verlaten. Ruim bovenaan staat de organisatie van het onderwijs, gevolgd door werkdruk en het niet zien van de expertise van de ‘schoolverlater’. Daar is, zonder geld en zonder grote woorden, veel aan te doen. Begin daar eens mee. Begin bijvoorbeeld met een visie op leren en met een visie op leren organiseren. Dat is niet roepen dat je je vak terug wilt en het is vast niet sexy, maar het werkt wel. Daar hoort ook bij dat je dit onderwijs samen organiseert en dat je een aanpak invoert die de werkdruk verlaagt en het werkplezier doet toenemen. Dan is zo’n school een goede en interessante plek om te werken. Dat vraagt om goed leiderschap op alle niveaus. En omdat die scholen er in alle grote steden zijn, zou ik als beleidsmaker en als bestuurder daar eens beginnen. Zorg ervoor dat hun succesvolle aanpak wordt gedeeld en op andere scholen wordt ingevoerd. Ondertussen krijgen scholen in zwaar weer de tijd om orde op zaken te stellen en ervoor te zorgen dat het een plek is waar je graag wilt werken. Als bevoegde leraar natuurlijk. Dat dan weer wel.

Want beste lezer, er is ongelooflijk veel te doen. De Staat van het Onderwijs en Pisa laten dat zien. Er zijn kloeke en moedige leraren nodig. Die zijn er. Win ze terug of leid ze op vanuit een visie op leren, leren organiseren en het borgen ervan. Onderwijs is dan ‘the place to be.’

Ik zou zeggen: Laat de minister met rust en ga aan de slag.