Stilte, geen storm.

Misschien koppel ik de stilte waarmee ik groot ben geworden wel te veel en te vaak aan het gereformeerde gezin waarin ik ben opgegroeid. De eerste jaren van mijn leven woonde ik met mijn moeder en mijn broer in bij mijn opa en oma. Mijn broer ging naar school. Mijn moeder en opa werkten. Ik was thuis met mijn oma die het huishouden deed en mij meenam in de gebruiken en gewoontes die voortkwamen uit haar opvoeding – en naar ik meen – geloof.

Een daarvan was stilte. Een kenmerkend geluid uit mijn jonge jaren is het tikken van de Friese wandklok die aan de muur van de eetkamer hing. Verder was er in het grote huis waar we woonden niets te horen. Later, toen mijn oma als weduwe in een seniorenwoning woonde, zat ik hele middagen bij haar in de kamer en dan was weer het rustige geluid van de klok de enige onderbreking van de stilte die we beiden omarmden. Wat we deden is wat we eigenlijk altijd deden als er tijd was: lezen.

Er was nog een andere stilte in mijn jeugd. Mijn oma liet veel onbesproken. Ze vond het niet nodig om bij allerlei zaken lang stil te staan. Dat was een kenmerkend element van haar ‘zijn’. En dit was bij veel van haar familieleden precies zo. Ze had een fiks aantal zussen. Ze logeerden weleens bij ons gedurende de lange Texelse zomers. Ze zaten dan op het strand, in de tuin of in de woonkamer stil bij elkaar, met een (puzzel)boek in de hand. En het geldt ook voor mijn moeder, oom en tantes. En waarschijnlijk ook voor mij. Deze dubbele stilte hoort bij onze familie.

Ik denk dat wanneer mijn oma nu had geleefd en leerling op een basisschool was geweest, dat ze niet had uitgekeken naar de heropening van haar basisschool op 11 mei. Mijn oma ging graag naar school hoor, daar niet van. Ze had graag onderwijzeres willen worden, maar daar stak de armoede in haar gezin een stokje voor. Nee, de reden dat mijn oma zou opzien tegen heropening is de wijze waarop veel scholen en veel leraren deze heropening willen insteken. Die insteek is gericht op het bespreken, beschrijven en op andere manieren verwerken van de ervaringen van leerlingen gedurende de periode dat ze noodgedwongen thuis zijn geweest. Mijn oma zou niet alleen denken aan de vraag wat ze zou moeten vertellen, maar ook aan de vraag of ze dat wel zou willen. Mijn oma zou liever de stilte omarmen en aan het werk gaan. Ik heb een stapel schrijfschriften van haar. Deze zijn ondertussen een kleine 100 jaar oud. Mijn oma had een adembenemend mooi handschrift en kreeg met enige regelmaat een 10 voor haar werk. Ze had dan ook, als ze kind zou zijn in deze tijd, gehoopt dat ze bij binnenkomst van de klas een schrijfschriftje en een (kroontjes)pen op haar tafel zag liggen en dat ze lekker mocht beginnen.

thumbnail_Image-3

Veel scholen stellen in de komende periode het welbevinden van de leerlingen (de kinderen zo u wilt) voorop. Dat begrijp ik. Het welbevinden van de leerlingen is voor leraren altijd al een onderwerp van aanhoudende zorg en aandacht. Het zou vreemd zijn als we dit nu zouden veronachtzamen. Je kunt je wel afvragen of de vele aandacht die scholen, besturen en zelfs koepels voornemens zijn te besteden aan de (verwerking van de) periode dat de leerlingen thuis zijn geweest wel nodig is. Over de psychische gevolgen van de coronacrisis zei hoogleraar in de psychologie dr. Agneta Fischer van de Universiteit Amsterdam tegen Scientias het volgende:

“De gebeurtenissen zullen nog wel lang in ons geheugen verankerd zijn. Echte trauma’s: daarvoor waren de maatregelen te weinig ingrijpend. We mogen ook gewoon naar buiten bijvoorbeeld en kunnen binnenshuis nog wel redelijk zelf onze dagen inrichten. We hebben nog steeds een bepaalde mate van autonomie. Om een trauma op te lopen, moet er sprake zijn van een extreem negatieve situatie waarin er sprake is van een grote dreiging en de onmogelijkheid om je eigen leven in te kunnen richten.”

Op grond van dit inzicht zou de vraag kunnen zijn of het wel zo nodig is om langdurig en intensief – er zijn zelfs scholen die starten met nieuwe gouden weken – bezig moet zijn met welbevinden als apart onderdeel van de schooldag. Taalexpert Joanneke Prenger hintte er in haar lerarencollectieffilmpje op om dit wel te doen. En ook in andere ‘herstartclipjes’ kwam het aan de orde.

Ik ben een liefhebber van het werk van Theo Thijssen. Ik heb eerder geschreven over het fijne samenspel tussen didactiek en pedagogiek in zijn werk. Mijn bezwaar tegen de wijze waarop in het huidige onderwijs met de erfenis van Thijssen wordt omgegaan is de loskoppeling van deze twee aspecten van zijn onderwijs. Pedagogiek, sturen op welbevinden, vond bij Thijssen plaats binnen de context van het lesgeven en stond er niet los van. Wie zijn werk leest zal tot de overtuiging komen dat het welbevinden van de leerling door hem werd vormgegeven in samenhang en harmonie met het leren in de klas; van aparte programma’s is geen sprake.

Het vasthouden aan de harmonie tussen pedagogiek en didactiek zou bij de heropening van de school een prima benadering zijn. Lekker beginnen met werken en onderwijl monitoren hoe het met de leerlingen gaat. Vanzelfsprekend zullen er leerlingen zijn die willen dan wel moeten vertellen over wat ze hebben meegemaakt. Daar geef je ze de ruimte voor. Voor anderen geldt dat niet en voor die leerlingen zouden we wat meer oog moeten hebben, vind ik.

We leven in een wereld waarin extraverte mensen bepalend zijn. Hun levenshouding is de norm waaraan anderen moeten voldoen. Een rustig, bedachtzaam type – zo iemand zou je introvert kunnen noemen – tref je zelden aan de tafels van de vele talkshows. De boodschap die er op allerlei plekken in onze samenleving wordt ingehamerd is dat het prijzenswaardig is als je jezelf uit, als je je uitspreekt, zegt wat je denkt, voelt of vindt. Er is weinig oog en weinig ruimte voor mensen die niet extravert zijn. Dat is niet iets wat ik bedenk, maar is onder meer beschreven door Susan Cain in het boek Stilte. Ze meent dat de klaslokalen waarin leerlingen tegenwoordig bijeenkomen en leren (groepjes bij elkaar, veel samenwerken) ten gunste komen van extraverte leerlingen. Eenderde tot de helft van de leerlingen is evenwel introvert. Zij voelen zich vaak niet prettig bij zo’n inrichting en bij het voortdurende uitwisselen van antwoorden en het bespreken van opdrachten. Dit zijn ook leerlingen die niet direct zitten te wachten op het uitwisselen van ervaringen en belevenissen nu op 11 mei de poorten en deuren van de scholen weer opengaan.

Ik weet nog hoe ik als brugklasleerling op de eerste schooldag door mijn mentor werd gevraagd om aan mij totaal onbekende mede-leerlingen te vertellen wat ik in de zomervakantie had gedaan. Het zweet brak me uit en ik formuleerde een antwoord dat mijn moeder tijdens het eerste rapportgesprek op school te horen kreeg: ‘Ik heb mijn moeder gepest.’ Ik wilde gewoon lekker leren, zoals ik de zes jaar ervoor op de lagere school gewend was. Dat ‘gedoe’ er omheen beviel me maar matig. Dat is nog steeds zo.

Als we de stilte zouden omarmen, als we leerlingen zouden laten genieten van de weldadige rust in het klaslokaal en lekker met ze aan de slag zouden gaan, dan is dat geen voorbode van een storm die nog moet komen. Het is zoals een van mijn collega’s deze week zei: ‘We zitten in de periode van performing, let maar op.’

Probeer het maar eens uit.