Verkeerde schouders, verkeerde reuzen

Inleiding

In december 2018 kwam het boek Op de schouders van reuzen uit. De ondertitel van het boek geeft de strekking weer: Inspirerende inzichten uit de cognitieve psychologie voor leerkrachten. De titel van het boek is ontleend aan een citaat van sir Isaac Newton: ‘Als ik verder heb gezien dan anderen, komt dat doordat ik op de schouders van reuzen stond.’ Newton leefde van 1643 tot 1727. Velen kennen het verhaal van de appel. Daar bestaan meerdere versies van. Vast staat dat Newton zijn idee over de zwaartekracht opdeed tijdens de pestepidemie van 1666. De rol van de appel is niet meer te achterhalen.

In de twaalfde eeuw leefde Bernardus van Chartres. Een typische laat-middeleeuwse intellectueel die, en ik volg hier de Franse historicus Jacques le Goff, een vakman was ‘die beschikte over zijn eigen op maat gesneden materiaal – de antieke geschriften – en zijn eigen op maat gesneden technieken, waarvan nabootsing van de antieke schrijvers de voornaamste was.’

Deze Bernardus nu staat genoteerd voor het volgende citaat: ‘Wij zijn dwergen op de schouders van reuzen. Wij zien meer en verder dan zij, niet omdat onze blik scherper is of omdat wij groter zijn, maar omdat hun reusachtige gestalte ons verheft en draagt.’

Lang voordat Newton zijn beroemde citaat neerschreef in een brief uit 1675 werd in de kathedraal van Chartres dit beeld gevangen in glas-in-lood.

archieven_chartres

Verdwaald in het labyrint

Op de vloer van diezelfde kathedraal bevindt zich een labyrint. Pelgrims doorliepen bij binnenkomst van het godshuis dit labyrint om vervolgens vanuit het midden een prachtig uitzicht te hebben op de vele ramen van het imposante gebouw.

chartres

Er zit een interessant spanningsveld in de rol van de intellectueel die de middeleeuwse stad onder zijn ogen zag bewegen en veranderen. Deze intellectueel, deze magister scolarum, was iemand die de waarheid zag als dochter van de tijd. Het kostte tijd om in het labyrint van kennis je weg te vinden. En in dat labyrint was de schoolmeester de leidsman. Onderwijs is vanuit dat gezichtspunt, om het in de woorden van George Steiner te zeggen, ‘een transcendente of beter gezegd goddelijke daad van openbaring, van dat ontbergen en verbergen van waarheden.’

Leegheid

Over dat ‘ont- en verbergen’ van waarheden zou het wat mij betreft moeten gaan in het onderwijs. Het gaat dan niet om een mystieke of religieuze invalshoek – hoewel ik mij graag een jaar lang met leerlingen zou willen buigen over de bijbelboeken 1 Samuel en 2 Samuel, met onder meer de (machts)verhouding tussen God en de koning en de neergang van Saul – maar om de vraag wat je de leerlingen wilt leren. De vraag hierbij is wat we, staand op de schouders van de reuzen die voor ons leefden, met onze beperkte blik kunnen zien als we ons omdraaien en terugkijken naar het lange en fascinerende verleden achter ons.

De reuzen die ons tegenwoordig de weg wijzen, hebben in het gemeen daarover geen uitgesproken opvatting. Die buigen zich liever over het hoe en de effectiviteit van dat hoe. Dat is zonder twijfel belangrijk, zo’n goede en efficiënte aanpak, maar die heeft alleen waarde als dat wat je de leerlingen leert op zich waardevol is, met andere woorden dat ze de moeite van de tijd en de moeite van het leren waard zijn.

Een probleem in het onderwijs zou weleens kunnen zijn dat we in de leegte van het curriculum methodieken invoeren die het onderwijs wellicht veranderen maar niet verbeteren. Je zou in zo’n geval in een klas het vakmanschap van de leraar kunnen zien, zonder dat er daadwerkelijk iets wordt geleerd wat de moeite waard is. Met name in het taalonderwijs, waar – om de opvatting van Van Gelderen en Van Schooten te volgen – de context ondergeschikt en zelfs onbelangrijk is, kun je in de praktijk zien wat de leegte van het curriculum veroorzaakt. De dalende leesresultaten van Nederlandse leerlingen in internationale vergelijkingen (Pisa, 2019) zouden weleens een relatie kunnen hebben met de galmende leegte van het curriculum. Het ‘op maat gesneden materiaal’ ontbreekt veelal; de methodes die scholen gebruiken om het taal- en leesonderwijs vorm te geven missen de inhoud die het uitgangspunt van de methodes had moeten zijn.

Overladenheid curriculum

Het was de onderwijsinspectie die dit jaar in haar jaarlijkse verslag meldde dat uit een door hen gehouden steekproef bleek dat het lesprogramma van de basisschool overladenheid vertoont. De verkaveling van het taalonderwijs zal bij deze overladenheid ongetwijfeld een rol spelen. Maar er zijn meerdere oorzaken te noemen. We zien er geen been in om allerlei maatschappelijke problemen te adresseren in de klas. Er ontstaat zo een stuwmeer aan aanbod dat los lijkt te staan van een historische en culturele context.

En binnen die overladenheid voeren leraren veel uit wat ze niet zelf hebben gemaakt of bedacht. Ze veronderstellen dat het ‘op maat gesneden materiaal’ voor hen is vervat in de vele methodes die ze gebruiken. En ze menen wellicht ook dat het nodig is om aan de veronderstelde veelheid van taken en opdrachten te voldoen door juist methodes te hanteren.

In hun zoektocht naar efficiëntie in het woud vol lessen, activiteiten en opdrachten lijken de inzichten van de cognitieve psychologie behulpzaam. Ze leren de leraar hoe een les kan worden opgebouwd en hoe het leren van de leerling geholpen kan worden. Maar een methode wordt niet beter als je de inhoud ervan op een ‘evidence informed’ wijze overbrengt. Het onderwijs gaat niet aan kwaliteit winnen als we ook niet iets doen aan de inhoud van wat we willen overbrengen.

De ramp 

Ik zal Steiner nogmaals aan het woord laten. Hij kon als geen ander onder woorden brengen wat die leegte in het curriculum en de leegte in het handelen van de leraar veroorzaakt: ‘Gebrekkig onderwijs, pedagogische routine en een stijl van lesgeven die, bewust of niet, cynisch is in louter utilitaire doeleinden, zijn rampzalig. Ze rukken hoop bij de wortels uit. Slecht onderwijs is, bijna letterlijk, moorddadig en, metaforisch gezien, een zonde. Het verlaagt de student, het reduceert het onderwerp dat wordt gepresenteerd tot grijze zinloosheid.’ Dat is in twee zinnen de crisis waarin het Nederlandse basisonderwijs zich bevindt.

In onze wens om de ‘grijze zinloosheid’ te doorbreken zoeken we het vooral in de vorm. Er is dan sprake van de ‘verleuking’ van het onderwijs. De stortvloed aan websites, instagramaccounts en Pinterest-pagina’s met lesideeën zijn hier de tastbare voorbeelden van. Bovenop en naast de methodes worden allerlei werkbladen en activiteiten aangeboden. De overladenheid verklaard.

Maar de tegenbeweging, die zich richt op het herwinnen van het vakmanschap en het benadrukken van de opvatting dat de leraar het verschil kan maken, heeft tegenover de stroom aan activiteiten maar weinig te bieden. Dit heeft, nogmaals, vandoen met het feit dat de concentratie op het ‘hoe’ niet het voornaamste punt van het onderwijs kan zijn.

De vraag die leraren maar niet kunnen (en willen?) beantwoorden is wat ze de leerlingen willen leren. En zo lang ze dat niet kunnen, zijn ze een speelbal van methodemakers en curriculumontwikkelaars, die vaak net zo weinig idee hebben van wat het ‘op maat gesneden materiaal’ zou moeten zijn. Zij hebben, als je hun werk kritisch bekijkt, geen idee van wat er ontbergd en verborgen zou moeten worden.

Leraren zouden eerst gezamenlijk moeten nadenken over wat ze leerlingen in acht jaar willen leren, in welke traditie ze willen staan en wat onmisbare kennis is voor hun leerlingen. Pas daarna – en veel later zou ik zeggen – komt de stap van het hoe. Anders sta je op de verkeerde schouders van de verkeerde reuzen.