1: De deur wagenwijd openzetten

Het was weer zover. Judith hoorde het aan de manier waarop de voordeur werd dichtgeslagen, aan de stappen op de trap.

Haar adem stokte en haar blik vloog de kamer rond. Was alles in orde? Niets wat opviel? Dat was het belangrijkste. Niets mocht opvallen; zij zelf het allerminst.

Haar broertje Dennis stapelde een blokkentoren. Hij was zo verdiept in zijn spel dat hij de stappen niet eens hoorde. Of kwam het door de muziek… De radio!

(Uit: Blauwe Plekken van Anke de Vries)

Maar, treed binnen, lezer

Wie Blauwe Plekken (1992) van Anke de Vries heeft gelezen kan zich wel de spanning herinneren waarmee Judith wacht op de thuiskomst van haar moeder. Is het huis netjes genoeg, heeft ze alles opgeruimd en aan alles gedacht? Als lezer kijk je machteloos toe hoe Judith probeert een situatie te beheersen waarvan zij (en jij) op voorhand weet dat deze zal ontploffen. Je kent haar moeder niet, je hebt haar nog nooit ontmoet, maar je voelt op je klompen aan dat het geen aardig mens is, maar eerder een monster.

Het laatste boek dat ik op de lagere school las was het wereldje van Beer Ligthart (1973) van Jaap ter Haar. Ik las het boek in het voorjaar van 1977, net voordat de zomervakantie de overstap naar de ‘hogere school’ aankondigde. Bijna 45 jaar later staat de openingsscène me nog helder voor ogen:

1001004001518608Een ijzingwekkende schreeuw, gevuld met angst en een razende pijn. De echo ervan trilde voort en voort en voort.

‘Berend!’

‘Beer…!’

De stemmen van Bennie en Goof, vlakbij, maar even onwezenlijk als het gefluister in een lege kathedraal. Hollende voetstappen. Het geronk van uitdagende brommers in de verte. En die pijn. O, God, die pijn.

Ter Haar ontving voor dit boek een Gouden Griffel (1974). Dat jaar werden twee boeken onderscheiden. Thea Beckman ontving namelijk een Gouden Griffel voor haar boek Kruistocht in Spijkerbroek. In het eerste hoofdstuk van dat boek stapt Dolf in een teletijdmachine. Over reizen in de tijd heeft elk kind met een beetje fantasie weleens nagedacht. In onze gedachten hebben zij allerlei plaatsen en tijden bezocht en hebben ze rondgelopen door een middeleeuwse stad of een weelderig paleis. Zelf wilde ik graag door Babylon lopen, de paleizen zien, de hangende tuinen bewonderen en een blik werpen op de dikke stadsmuren. Maar ik nam als jeugdige lezer genoegen met een tocht naar 1212.

Ik verwees in mijn vorige blogbericht naar Mark Haddon en zijn visie over hoe hij een verhaal graag begint. Ik zal het – als je dit blogbericht los leest – nog even vertellen. Hij werd voor de podcastserie van The Folger, een Amerikaanse instelling met een enorme collectie boeken van en over William Shakespeare, geïnterviewd over zijn boek The Porpoise (2019). Dit boek is een bewerking van Shakepeares toneelstuk Pericles, Prince of Tyre (omstreeks 1606-1608). Haddon gaf aan dat hij een boek graag begint met een verschrikkelijke gebeurtenis. Zijn bekendste boek, Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht (2003) begint inderdaad met iets verschrikkelijks:

cms_visual_1070622.jpg_1533914953000_300x437Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden denken dat ze achter een kat aan zitten. Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.

Wie dit leest wil vervolgens dolgraag met Christopher John Francis Boone op pad om uit te zoeken wat er met de hond is gebeurd en waarom.

Of neem deze combinatie van een hoofdstuktitel en een openingszin, bedacht door meesterverteller Paul van Loon. Lees ze en je wílt doorlezen:

9200000063028900Dodenlijst

Donderdag ben jij aan de beurt, Daniël.’ 

(Paniek in de Leeuwenkuil, 2004)

En de verzetsroman De club van de lelijke kinderen (1987) van Koos Meinderts begint zo:

En het gebeurde in die dagen dat er een bevel uitging van generaal Isimo om alle lelijke kinderen van het land op te pakken.

Elke historische roman van Rob Ruggenberg begint met een scène die je bij de lurven grijpt. Lees het hoofdstuk over de wolven die de Zeeuwse stranden afschuimen op zoek naar mensenvlees in het boek Piratenzoon maar eens, of de beschrijving van scheurbuik in Haaieneiland. Het zijn beeldende passages, waarin al je zintuigen worden geprikkeld. Als lezer was ik direct verkocht toen ik voor het eerst een boek van Ruggenberg opsloeg en de eerste bladzijden las.

Kort en goed. Veel schrijvers zetten in het eerste hoofdstuk de deur uitnodigend open om jou het verhaal binnen te laten stappen. Het is een verleidingstruc die werkt. We zijn gewend om bij boeken de voorkant te bekijken en de achterflap te lezen, maar het is nogal vreemd om te beoordelen of je een boek gaat lezen door je te richten op de buitenkant. Het loont echt de moeite om de eerste bladzijden of het eerste hoofdstuk van een boek te lezen en daarna te besluiten om het verder te gaan lezen of niet. In het vorige blogbericht beschreef ik hoeveel moeite het de leerlingen van mijn school kostte om in de boekenberg een exemplaar te vinden dat hen zou kunnen bekoren. Die leerlingen nu, zag ik maar zelden het boek van binnen verkennen. Ze pakten een boek, draaiden het om in hun handen en zetten het in veruit de meeste gevallen weer terug.

Datzelfde zie je in de openbare bibliotheek van Amsterdam. Nabij het centraal station staat een boekenpaleis. In het souterrain staan de boeken voor de jonge lezers. In halfronde kasten mag je als leenlezer op zoek naar een boek dat je mogelijk interesseert of fascineert. Ik heb daar eens een aantal dagen gezeten en precies hetzelfde gezien als op mijn eigen school; De lezertjes pakken, keren, draaien de boeken, om ze in de meeste gevallen weer terug te plaatsen.

Het kiezen van een boek is voor lezers blijkbaar niet eenvoudig, terwijl het in mijn optiek niet zo ingewikkeld is. Ik zal je eerst nog twee voorbeelden geven van de manier waarop een auteurs en illustratoren je welkom heten in hun boeken. Daarna zal ik ingaan op de vraag wat dit kan betekenen voor jouw onderwijspraktijk.

Neem nu het heerlijke prentenboek Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft (1989) van Werner Holzwarth en Wolf Erbruch. Het gegeven van het boek is al prachtig, maar als je de mol ziet staan met de handen in de zij die uitroept: Wel hier en gunter! (..) Wie heeft er op mijn kop gepoept? dan ben je bereid om volledig op te gaan in het verhaal en met de mol op reis te gaan (onthoud dit gegeven!) naar het dier dat de hoop stront op zijn kop heeft laten vallen.

9789053413586

Of stap de wereld van Vos en Haas binnen. In Vos en Haas en de seizoenen (2013) schetsen Sylvia Vanden Heede en Thé Tjong-Khing op de eerste twee bladzijden van Lente direct een prachtige tegenstelling tussen Haas, die de troep in huis wil opruimen, en Vos die zich verbaasd afvraagt over welke troep Haas het heeft. Als je ogen van de tekst bovenaan de bladzijde afdwalen naar de tekening eronder, wordt duidelijk wat Haas mogelijk bedoelt. Op de vloer liggen een lege zak chips, een samengebonden stapel papier, een kookboek, een blokkwast, een pop, een schort, een traditionele sneeuwschoen en nog veel meer. Je voelt direct de spanning tussen de twee (ook in dit geval: onthoud dit!) en wilt verder lezen om te zien hoe dit (mogelijke) conflict afloopt.

Open het boek voor de leerling

Een grote boekenkast is niet altijd een geluk. Je kunt als leerling, maar ook als volwassene, niet alles lezen. En hoe vind je nu als lezer een weg in de grote hoeveelheid boeken en daarna een opening in een ervan? Dat lijkt lastig, maar de oplossing is eenvoudig. Ik stel voor dat jij dit doet. We kennen als leraar allemaal wel de ervaring dat wanneer je een boek openslaat en de eerste bladzijde voorleest, de vingers van de leerlingen in de klas omhooggaan. Bij elke vinger hoort een kind dat het boek wil lezen. Je hebt als leraar op de meest eenvoudige manier laten zien hoe je boek binnenstapt. De buitenkant is maar de buitenkant. Het gaat om het verhaal. In de tijd van William Shakespeare (1564-1616) werden boeken ongebonden verkocht. Alleen vermogende mensen hadden genoeg geld om een boek te binden en vervolgens te rangschikken in een boekenkast. Er waren geen uitnodigende omslagen of ronkende aanbevelingen die de lezer moesten verleiden. Nee, er was de tekst.

Keuzetijd

Het voorbeeld dat je wellicht onbedoeld geeft door de openingszinnen van een boek voor te lezen, zou een vaste plek in je klassenpraktijk moeten krijgen. Leerlingen moeten boeken niet omdraaien en van buiten bekijken, maar rustig openslaan. Ze moeten meerdere boeken pakken en deze lezen alvorens een keuze te maken. Ik ken het ongeduld van de leraar wel, hoor. Die vindt het vaak lastig als een leerling draalt bij de boekenkast. Maar het kiezen van een boek kost gewoon tijd. Als ik naar de bibliotheek ga, dan kies ik een stapel boeken uit, ga ergens zitten en begin te lezen. Ik sla elk boek beurtelings open en lees het eerste hoofdstuk of enkele passages uit het boek. Zo selecteer ik de boeken die ik mee naar huis neem. Mijn bezoek aan de bibliotheek duurt even. Vaak zelfs enkele uren. Maar de kans dat ik de boeken die ik mee naar huis neem ook daadwerkelijk zal lezen is daardoor wel groter.

Als je als leraar weet wat je leerlingen lezen, dan kun je ze ook een vervolgboek aanreiken. Jij kunt je leerlingen die net een boek hebben uitgelezen helpen door ze enkele nieuwe boeken voor te houden en ze uit te nodigen het eerste hoofdstuk of een enkele passage te lezen. En juist deze manier voor leerlingen van een nieuw boek voorzien zouden ze zichzelf moeten aanleren. Ze moeten de tijd krijgen en nemen om een keuze te maken. Lezen is meer dan ‘kilometers’ maken. Lezen is, en dat zal ik verderop in deze serie duidelijk maken, het leggen van een culturele verbinding met onze verre, verre voorouders.

Ja, maar de opening is niet spetterend…

Natuurlijk heeft niet elk boek of verhaal zo’n interessante en aangrijpende openingsscène zoals dat bij Blauwe Plekken of het wereldje van Beer Ligthart het geval is. Een van mijn lievelingsverhalen begint zo:

Op 28 februari 1815 meldde de uitkijk van Notre-Dame-de-la-Garde het binnenlopen van de Pharaon, een driemaster die Izmir, Triëst en Napels had aangedaan.”

Misschien denk je dat dit boek over een zeeman gaat of over internationale handel. Dat is niet zo. En als je niet enthousiast bent over deze openingszinnen, dan zul je het boek van bijna 1200 pagina’s wellicht links laten liggen. Het citaat hierboven is echter wel de openingspassage van Alexander Dumas’ De Graaf van Montecristo (1844-1846), het ultieme boek over wraak. Iemand die genoten heeft van de Millennium-trilogie van Stieg Larsson (2005-2006) zou ook (en misschien nog wel veel meer) kunnen genieten van dit boek van de Franse meester. En een leerling die in de onderbouw van het vo gesmuld heeft van Big (2005) van Mireille Geus, zal als volwassen lezer wellicht de overeenkomsten kunnen zien met Dumas’ meesterwerk.

unnamed-458770

En neem eens de opening van het met een Gouden Griffel (2003) bekroonde boek Godje (2002) van Daan Remmerts de Vries. Het boek opent met hoofdstuk 0, wat een filosofische overpeinzing is. Deze overdenking komt aan het einde van het boek bijna letterlijk weer terug. Daar tussenin speelt zich een prachtig verhaal af. Veel passages uit de tussenliggende hoofdstukken zijn het waard om onder de aandacht van de leerling te brengen. Bijvoorbeeld die over hoe de jongensclub onder leiding van Robbie Nathan op het dorpskerkhof een schedel opgraaft en hoe de jongens het hazenpad kiezen als ze gekuch menen te horen. Of wanneer de kat van Simon en de hond van Robbie het met elkaar aan de stok krijgen. Of wanneer – en daarmee heb je een parallel met Blauwe Plekken te pakken – de moeder van Robbie in huiselijke sfeer tekeergaat en Robbie zelfs voor straf een tijdje in de hondenmand laat staan.

Tot slot

Laten we tot slot van dit korte blogbericht (zie je, ik houd woord) terugkeren naar de leraar; de leraar die veel leest. Zij kent de boeken in de boekenkast. Ze kent de mooie openingspassages die ze kan gebruiken om de leerlingen te verleiden om het boek te lezen. Ze kent ook passages uit de boeken die leerlingen kunnen boeien en, nogmaals, kunnen verleiden om het boek te gaan lezen. Dat is namelijk belangrijk, want een leerling moet in het verhaal komen om vervolgens, met het verhaal op de voorgrond, grip te kunnen krijgen op de achterliggende structuur van het verhaal. We zijn als leraren gewend om met leerlingen bij het kijken naar kunst in te gaan op de techniek van de kunstenaar. We kijken bij een schilderij als De Nachtwacht van Rembrandt van Rijn niet alleen naar de afbeelding en wie er opstaan, maar ook naar de compositie of het spel van licht en donker. Dat zouden we met literatuur ook kunnen doen, kijken naar de structuur en opbouw van een verhaal. Maar daarvoor moeten leerlingen wel lezen en in het verhaal komen. Daarover nu, ging dit blogbericht. Met enkele heel eenvoudige middelen kunnen we leerlingen de verhalen binnenkrijgen. Ik som hieronder in het kort nog even de punten op die hierbij van belang zijn:

  • Bij voorkeur een boekenkast in de klas, die beperkt en overzichtelijk is;
  • De leraar heeft de (meeste) boeken in deze kast gelezen;
  • De leraar leest regelmatig openingsscènes en fraaie passages van boeken voor om leerlingen te verleiden om het boek te lezen;
  • De leraar geeft leerlingen tijd om een nieuw boek te kiezen;
  • De leraar reikt meerdere boeken aan en laat de leerling het eerste hoofdstuk of cruciale passages lezen;
  • Die passages zijn gekopieerd of door middel van post-its gemarkeerd;
  • De leraar weet wat de leerling leest en sluit hier zo mogelijk bij aan.

De leraar opent dus het boek voor de leerling.

Nu de leerlingen aan het lezen zijn, kunnen we nadenken over de vraag welke verhaalstructuren we aanbieden en hoe we de link met het verleden leggen. Want ik zal blijven benadrukken dat vrijwel alle verhalen die we lezen en die worden verteld in een eeuwenlange traditie. Daarover gaat feitelijk de rest van deze serie blogberichten. Ik zal diverse mogelijkheden en manieren laten zien om leerlingen grip te geven op de verhalen die ze lezen en de wijze waarop je in contact kunt brengen met de millennia oude verhalen.