Week 13: Werken in deeltijd

Een kijkje over de grens

Als je de grens oversteekt naar Vlaanderen, dan lijkt op het eerste gezicht de peroneelsbezetting in het basisonderwijs geheel anders dan die bij ons in Nederland. Sterker nog, ze lijken tegengesteld. Bij ons werkt 30% van de leraren voltijds, terwijl in Vlaanderen 30% in deeltijd werkt. Het lijkt er daarmee op, dat het Vlaamse onderwijs een enorm pluspunt heeft ten opzichte van ons onderwijs. Als meer leraren voltijds werken, dan zijn er ook meer mogelijkheden om samen onderwijs te maken, lessen voor te bereiden of in gesprek te gaan over het vak en vakmanschap.

Maar schijn bedriegt.

In Vlaanderen bestaat de constructie dat je bij een volledige aanstelling 27 klokuren op school moet zijn. Ze noemen dit de schoolopdracht. Van die 27 klokuren geeft de leraar zo’n 24 uur les. Er blijft dan nog een uur of drie over die de leraar voor en na de lessen op school dient te zijn. Veel leraren lopen een goede twintig minuten na de laatste bel de school uit en gaan naar huis om daar de taken op te nemen die veel deeltijdleraren in Nederland uitvoeren op de dagen dat ze niet op school zijn.

Vlaamse vakbondsmensen vertelden me dat vrouwelijke leraren interessante partners zijn voor mannen die carrière willen maken. Sociologisch onderzoek had dit inzichtelijk gemaakt. Het zat, aldus deze bevlogen bestuurders en kaderleden, in veel gevallen zo: De lerares neemt haar kinderen mee naar school, geeft les, neemt ze weer mee om ze na schooltijd te begeleiden richting sport- en muziekclubs. De lesvoorbereiding voor de volgende dag vindt meestentijds in de avonduren plaats. Als de leraar nog energie heeft.

Uit gesprekken met leraren, zorgcoördinatoren, schoolleiders en kaderleden van de vakbond kwam het beeld naar voren dat het moeilijk is om in gezamenlijkheid je onderwijs te organiseren en te plannen. Iets wat in Nederland, door de hoge mate van deeltijdwerk onder leraren, evenzeer moeilijk te organiseren valt.

Vaker en langer op school

In het onderwijs bestaat een aantal onderwerpen waarover maar moeilijk zonder emotie gesproken kan worden. Deeltijdwerk is er een van. Als een minister of een econoom zakelijk voorrekent dat bij een gemiddelde verhoging van de werktijd met ruim 30 minuten het lerarentekort teniet is gedaan, breekt het rumoer los. De droge en feitelijke constatering dat we met de huidige leraren een probleem kunnen oplossen, wordt in de emotionele reacties uit het oog verloren. Als je met enige afstand naar de situatie kijkt, zouden we onszelf ook de vraag kunnen stellen hoe we een verhoging van de werktijdfactor kunnen realiseren en hoe we ervoor kunnen zorgen dat leraren vaker op school zijn.

Immers, als je een school ziet als een gemeenschap waar leraren bijeen komen om goed werk te leveren en dat ze dit werk plannen en organiseren vanuit gezamenlijkheid, dan is de gedachte dat de leraren veel en vaak aanwezig zijn belangrijk. Het Vlaamse onderwijs laat zien dat wanneer leraren kort na schooltijd het gebouw verlaten er van gezamenlijkheid weinig sprake is. Leraren zitten thuis aan hun lessen te werken en komen soms ’s avonds naar school voor een vergadering.

Dit geldt voor Nederland ook. Leraren die maar twee dagen per week op school zijn, zijn moeilijker te betrekken bij de visie en ontwikkeling van de school dan leraren die een gehele week aanwezig zijn. Dat is geen aardige of prettige constatering, maar de werkelijkheid kent zo z’n rauwe kanten.

Wat kom je doen?

Een vraag die wij weleens aan een deeltijdleraar hebben gesteld is hoe zij haar bijdrage aan de ontwikkeling van de school, de verbetering van het onderwijs en haar eigen ontwikkeling voor zich zag. Na deze vraag viel het gesprek stil en eindigde enige weken later het dienstverband.

Het beroep van leraar is een ambacht. We zijn kenniswerkers en moeten in onze organisatie nadenken over de beste organisatievorm en werkwijze om de kennis die we hebben over te brengen aan onze leerlingen. Binnen die opvatting is het van belang dat je met en van elkaar leert en dat lukt, ik zeg het nogmaals, moeilijk als de school na afloop van de lesdag leeg is of als een deel van het team er niet is.

Ons idee over vakmanschap en samenwerken is voor een deel gestoeld op het werk van de Amerikaanse socioloog Richard Sennet. Die staat voor dat dit vakmanschap en dit samenwerken van onderop worden georganiseerd. Dat samenwerken een uiterst complexe en ambigue activiteit is maakt hij in zijn boek Together. Dat proces komt echter niet van de grond als we er om wat voor reden dan ook niet zijn. Deeltijdwerken is een rem op schoolontwikkeling en de ontwikkeling van het ambacht. Ericsson schreef behartenswaardige woorden over het ontwikkelen van vaardigheden met behulp van een coach die jou hoogwaardige feedback kan geven. En die vaardigheden ontwikkel je door ze veel te oefenen. En wie er vaak is, oefent deze vaardigheden vaker. En wie in overleg kan gaan met anderen om na te denken over de vraag hoe die ontwikkeling eruit zou moeten zien, zal doelgerichter oefenen.

Alles pleit ervoor dat leraren meer werken dan wel vaker op school aanwezig zijn. Deeltijdwerken mag voor een individu aantrekkelijk lijken of zijn; voor een schoolorganisatie waar het ontwikkelen van het vakmanschap een cruciale rol speelt, is het een rem op de ontwikkeling.

 

 

 

 

 

One thought on “Week 13: Werken in deeltijd”

  1. Deze visie, die ik ondersteun, zal bij velen niet in goede aarde vallen. Ik ken groepen waar drie deeltijdbaners de klas runnen, maar waar beslist niet duidelijk is bij wie de verantwoordelijkheid ligt.
    M.i. zou die bij alle drie moeten liggen, maar de praktijk is weerbarstiger…

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s