Week 5: De student

Ach ja, vroeger

Als student op de pabo vond ik mijn stages over het algemeen een verzoeking. Met de pest in mijn lijf trapte ik naar scholen en schooltjes in en rond Alkmaar om daar opdrachten te vervullen en het vak te leren. Een enkele mentor was aardig, maar voor de meesten was je een sta in de weg. Er was geen lerarentekort en in een omgeving die gekenmerkt werd door een familiecultuur werd je behandeld alsof je de belegeraar van hun heiligdom was.

Ik kan me herinneren hoe ik in een klein dorpje ten oosten van Alkmaar aan een fiks project was begonnen in groep 1/2. Ik had een enorme hoeveelheid spullen meegenomen, een lesplan gemaakt en dit vervolgens in werking gezet. De leerlingen waren enthousiast begonnen en het zag er na een dag hard werken prima uit. Toen ik evenwel een week later de klas binnenliep, had de leraar alles opgeruimd en in de container gelazerd. Ze voelde er weinig voor om mij uitleg te geven.

Wat ik lastig vond aan mijn stageperiodes was dat je nauwelijks een band kon opbouwen met de leerlingen en dat je geen zicht had op wat er in school gebeurde in de dagen dat je er niet was.  Ik zag wel het nodige op de spaarzame dagen dat ik door de klassen en de gangen dwaalde, zoals een gebrek aan structuur op veel scholen. En ik schrok me telkens rot als ik aanschoof bij een vergadering. Daar kwamen leraren naartoe met geslepen messen en gespleten tongen. Goh, wat hadden op sommige scholen leraren een hekel aan elkaar. Die vijandigheid heeft me niet afgeschrikt om leraar te worden, maar ik verbaasde me er wel over dat ik zelf, toen ik eenmaal leraar was, vrolijk meedeed aan de loopgravenoorlog die op sommige scholen heerste. Dat is een van de dingen die ik in de loop van mijn carrière heb moeten afleren. En dat viel eerlijk gezegd niet mee.

Uitgangspunten

Op mijn school gaan wij uit van vijf eenvoudige punten als het om een professionele schoolcultuur gaat:

  • Wederzijds vertrouwen
  • Actieve empathie
  • Toegang tot hulp 
  • Moed
  • Mildheid bij oordelen 

Laatst zat ik bij een presentatie van Eva over de expert-leraar. Over die expert-leraar en haar rol binnen school zal ik later iets schrijven. Hier is van belang dat tijdens die presentatie het besef indaalde dat er misschien geen ander beroep is waar professioneel handelen een doel op zich is.  Er wordt op scholen eindeloos vergaderd en gesproken over professionaliteit en een professionele cultuur, terwijl in andere bedrijfstakken die professionaliteit het uitgangspunt is. Op te veel scholen heerst een familiecultuur. In zo’n cultuur zijn de kaarten geschud en kom je als nieuwe leraar of als stagiaire niet of nauwelijks aan de bak. Als je niet in het pulletje zit, dan zit je met de gebakken peren.

Dat gebakken peren-gevoel kunnen we studenten geven als ze op een school komen waar mildheid bij oordelen ten enenmale ontbreekt. Een school waar leraren over elkaar en over studenten durven zeggen ‘dat het nooit iets wordt.’ Laat ik het maar eerlijk zeggen, ik denk dat veel studenten die vastlopen in hun stage in een omgeving verkeren waar de vijf punten die ik hierboven opsom ontbreken.

Opleidingsschool

Mijn school is een opleidingsschool. En op die opleidingsschool ben ik de opleider in school. Dit betekent dat ik zorg draag voor een goede begeleiding van de studenten die  bij ons hun stages lopen. Dat is in deze tijden van een groot lerarentekort een belangrijke taak, maar lang niet zo belangrijk als de rol van de leraren in onze school die een stagiaire onder hun hoede nemen. Door studenten goed te begeleiden en ze mee te nemen in de fascinerende veelzijdigheid van ons beroep, dragen mijn collega’s hun beroep over en dragen ze bij aan het bestrijden van het nijpende tekort aan leraren.

We zijn geen grote school. We hebben negen groepen. Dus als ik zeg dat in alle groepen wel iemand stage loopt, dan moet je niet denken aan ontzettend veel studenten. Het is wat het is. Maar ik kan over de studenten wel zeggen dat het een diverse groep is. Minstens zo divers als de leerlingen in de klassen waaraan ze, soms schroomvallig en soms vol overtuiging, hun lessen geven.

Onze jongste student is zestien jaar oud. Wow! Zestien! Amper vier jaar ouder dan de leerlingen die ze voor zich ziet als ze haar eerste les geeft. Ze loopt stage in groep 8. Ze was elf toen ze de basisschool verliet en heeft er vijf jaar over gedaan om de havo te doorlopen. Vakwerk, zou ik zeggen. Ze wist al in groep 7 dat ze leraar wilde worden. Vorig jaar hadden we een iets oudere student, die het niet lukte om zich verantwoordelijk te gedragen. Hij hield zich niet aan afspraken en hield vooral ook geen afstand tot de leerlingen in de klas. Hij kwam niet om een vak te leren, maar om vriendschap te sluiten. Dat heeft Y. niet. Hoewel het leeftijdsverschil gering is, weet ze al welke houding past bij haar toekomstige rol.

Onze oudste student is M. Ze loopt stage in groep 1/2. Ze is een zij-instromer met een rijke muzikale achtergrond. Bij haar valt een verhaal te vertellen over hoe goede bedoelingen kunnen vastlopen in een moeras van onduidelijkheid en gebrek aan daadkracht. Want het zit zo. Ze is begonnen op een andere Amsterdamse basisschool, waar ze in korte periode moest toewerken naar een beoordeling. Simpel gezegd moest ze een basisniveau laten zien dat haar toegang zou geven om de opleiding leraar basisonderwijs met werk te combineren. Dat lukte. Maar de school waar ze haar eerste stappen in het vak had gezet had geld noch plek om haar te behouden. Een plek vinden op een andere school lukte niet. Hoewel wij in ons formatieplan die ruimte ook niet hadden voor een zij-instromer, hebben we haar toch een plek gegeven. De reden is heel simpel. Als ze deze plek niet had gekregen, dan was M. alweer verdwenen uit het onderwijs. Zij is een voorbeeld van iemand die de potentie heeft om een goede leraar te worden, maar die in de zoektocht naar een plek onvoldoende is gezien en gecoacht. En gezien het schrijnende tekort in Amsterdam is dat een houding die we ons niet kunnen veroorloven.

Nieuwe opleidingsvormen, oude curricula

M. moet in twee jaar het vak leren. Ze is twee dagen op onze school, doet de nodige zelfstudie, volgt les op de pabo en heeft daarnaast nog een baan om het financieel rond te kunnen krijgen. Dit komt overeen met de wijze waarop ik zelf een kwart eeuw geleden ben opgeleid. Ik liep stage – onbetaald – ging meerdere dagen naar school en werkte daarnaast ook nog eens twintig uur. Dat is niet de enige overeenkomst. Zoals mijn collega Eva K. opmerkte, wordt van aankomende leraren in tijden van urgentie nog steeds gevraagd de leerlijn Engels in beeld te brengen. De noodzaak hiervan ontgaat een ieder. De nadruk zou moeten liggen op pedagogiek en didactiek, maar dat is in het curriculum een bijkomstigheid. Zo pleiten wij als opleidingsschool al een aantal jaar voor het vak ‘gedrag’ als onderdeel van de opleiding. Toen ik dit eens ter sprake bracht tijdens een overleg met de pabo, werd gezegd dat gedrag in elk vak zat verweven. Ja, net als gluten. Maar als je toekomstige leraren iets wilt bijbrengen over gedrag, dan zul je dat jaar in jaar uit moeten onderwijzen. Expliciet en doelgericht. En niet impliciet of zonder helder idee over hoe je omgaat met het gedrag van leerlingen of je collega’s.

Nergens is de afstand tussen de inhoud van het curriculum en de inzichten uit de onderwijspsychologie zo groot als op de pabo’s in Amsterdam. Zo besteden studenten tijdens de rekenles veel tijd aan het bedenken en spelen van rekenspelletjes en wordt effectieve didactiek onbesproken gelaten. Vandaag heb ik alle studenten daarom een exemplaar van het boek Effectief rekenonderwijs op de basisschool gegeven. Waar de ene school het belangrijk vindt om met studenten thee te drinken en hen zo het ‘thuisgevoel’ te geven, daar willen wij ze wegwijs maken in de vakinhoudelijke aspecten van onze professie. En als de pabo weinig tot niets doet aan effectieve didactiek, dan doen wij dat wel.

Een ander probleem is dat aankomende leraren te weinig wordt bijgebracht dat je in de beroepspraktijk onderdeel bent van een groter geheel. Je bent straks geen eigen bv in een school. Je deelt binnen een school een visie op onderwijs en die breng je gezamenlijk in de praktijk. Dat is ook de reden waarom we studenten uitnodigen om deel te nemen aan studiedagen die niet op hun stagedagen vallen. Binnenkort komt Gertrud Cornelissen langs om te praten over literaire gesprekken in de klas. Daar kijken mijn collega’s en ik enorm naar uit en de kennis en kunde van Gertrud willen wij onze toekomstige collega’s niet onthouden. Ook dat past in onze opvatting over een professionele schoolcultuur en het op de hoogte zijn van de nieuwste ontwikkelingen in ons vakgebied.

Dat kopje thee drinken we ook hoor. Maar meestal tussendoor.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s