Week 3: zorgen – om en voor

Ik kan groep 4 niet lastig vallen met een verhaal dat me al een paar dagen bezighoudt. Het is het verhaal dat Steven Herrick vertelt in zijn boek Cold Skin. In het verhaal, dat speelt in een klein Australisch mijndorpje, wordt een meisje vermoord. Het verhaal draait om de vraag wie de dader is. Maar dat is, hoewel een moord iets reusachtigs is in een kleine gemeenschap, niet het meest op de voorgrond tredende aspect van het boek. Dat is voor mij ook niet het verhaal van Eddie, die in het boek het meest aan het woord komt. Nee, het zijn voor mij twee vaders die terugkomen uit de oorlog en hun draai weer moeten vinden in de lokale gemeenschap. Zo is er de vader van Eddie. Hij heeft tijdens de oorlog Australië niet verlaten, maar heeft daar als vrachtwagenchauffeur gediend en troepen en materieel rondgereden over de stoffige wegen van het immense land. Dat geldt niet voor de vader van Carrol – zij zal het slachtoffer worden van de moord. Hij is, zo begrijp je uit de aanwijzingen die Herrick geeft, gevangen genomen tijdens de oorlog in de Pacific en ernstig getormenteerd teruggekeerd. Hij is een held; Eddies vader wordt gezien als angsthaas. Niet alleen vanwege zijn bescheiden bijdrage aan de oorlogsinspanningen, maar ook omdat hij weigert in de mijnen te werken. Hij vindt het ondergrondse werk te gevaarlijk en verbiedt zijn kinderen om later dit beroep te kiezen.

Wat me zo fascineert aan het verhaal is de verandering die beide mannen hebben doorgemaakt. Toen zij terugkwamen uit de oorlog werd van hen verwacht dat ze zonder probleem hun plek weer zouden innemen, zowel in het gezin als in de dorpsgemeenschap. Beiden vinden dit lastig; beide mannen worstelen met hun ervaringen en de mening van anderen over die ervaringen. Ze zijn er, maar in hun gedachten vaak niet.

Dit relaas staat haaks op het verhaal van de grootste held die ging en terugkwam: Odysseus. Die lijkt als hij is teruggekeerd te Ithaca en nadat hij de schakers van zijn vrouw meedogenloos heeft uitgeschakeld dezelfde te zijn gebleven. Hij raakt onderweg mannen kwijt aan monsters als de Cycloop, maar als een vogel schudt hij het water van zijn veren om weer vrolijk verder te trekken. Dat frivole ontbreekt bij de twee vaders in Cold Skin. Zij ploegen zwaar door de dagen. De een kan het heldendom niet dragen; de ander bezwijkt onder de last van de lafheid.

Cold Skin is een YA-boek. Het is een boek voor jongeren rond de 15 jaar. De leerlingen in groep 4, aan wie ik vandaag lesgeef, zijn voor dit verhaal nog echt te jong. Maar het boek herbergt een thema dat ik vandaag de klas mee inneem. Het gaat er om dat de personen in het verhaal zich zorgen maken. Twijfel en onzekerheid zijn de reisgenoten van de karakters die Herrick schetst. En die onzekerheid – en in zekere zin ook angst – zit verpakt in een gedicht van Koos Meinderts. Ik ken een aantal gedichten van buiten en dit is er een van:

Gebed (voor God?)

Lieve God,

als u bestaat,

zorg dan dat Loes,

dat is onze poes,

maar dat wist u al,

de operatie overleven zal.

Ik geef les aan groep 4 en groep 5 en had gemerkt dat in groep 5 veel gelovige leerlingen zitten. Tijdens een gesprek over de vraag of de aarde vol kan raken met mensen, kwamen we uit bij de vraag wie bepaalt of de aarde vol is of niet. Voor het grootste deel van mijn leerlingen was dat overduidelijk, dat was God.

In groep 4 ligt dit anders. Als we over het gedicht van Meinderts praten, wijzen ze naar twee passages waaruit je zou kunnen afleiden dat de verteller twijfelt of God bestaat. Maar ze begrijpen de wanhoop; ze begrijpen dat je angstig bent over de afloop van een operatie. Vooral ook, omdat bij het gedicht een prachtige illustratie staat afgedrukt. Je ziet een kat liggen met een lang litteken op de buik met operatie-instrumenten ernaast. De poes Loes, ligt verdoofd op een achtergrond van groen. Als ik vraag wat zij zouden doen in het geval van ziekte of zorg, wordt bidden niet genoemd. K. zou de arts op het hart drukken goed voor zijn dier te zorgen, terwijl L. naar voren brengt dat ze zou vragen om meerdere artsen.

Dan komt het gesprek op de zorgen die ze zelf hebben. M1 vertelt dat zijn jonge broertje weleens probeert om hem ‘buiten westen te slaan.’ Gisteravond nog. Hij lag om de bank en zijn broertje schopte hem gewoon op zijn gezicht. Het resultaat was een bloedlip die hij ostentatief toonde als was hij een Griekse held die een gevaarlijke veldslag had overleefd. Een ander verhaal wordt verteld door J., die tijdens het eten angstig toekijkt hoe haar jongere zusje met een veel te grote lepel haar pap naar binnen lepelt. Misschien stikt ze wel!

Dat de leerlingen zorgen hebben, blijkt nog scherper als ze een gedicht schrijven als reactie op dat van Koos. Ik ken de leerlingen nog maar net en ben dan ook benieuwd naar wat ze schrijven. Als ik vraag of iemand zijn of haar gedicht wil voordragen, blijkt dat veel leerlingen dit graag willen doen. Zo ook M2, die voor de klas staat en het volgende gedicht voorleest:

Mijn grote zus

Mijn zus is 9 jaar

Wordt ze 30?

Wordt ze 11?

Ik maak me zorgen.

 

Lieve Jasmijn,

Je bent echt de liefste zus ter wereld.

 

Ze oogst stilte en daarna stille bewondering. Ze vertelt het verhaal van haar zus, die gehandicapt is. Dat begrepen we eigenlijk direct.

M2 is zeven jaar oud, maar (of en?) door haar zorgen enorm wijs.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s