Week 2: Oude en nieuwe relaties

De oude groep

Iets verderop op de bovenverdieping zit groep 7. Omdat onze deuren open staan, zie ik de leerlingen uit die groep met enige regelmaat langslopen. Ze zwaaien dan, of steken vrolijk een duim op. Ik zwaai terug, waarna direct alle leerlingen in groep 5 hun hoofd draaien om te kijken naar wie ik zwaai. Groep 7 is een klein groepje, maar pittig. We zijn twee jaar met elkaar opgetrokken. Ik ken de leerlingen en zij kennen mij. En dat kennen heeft zo zijn subtiliteiten. Zo zitten er leerlingen in die groep die precies aanvoelen wanneer ik een grap ga vertellen of wanneer ik ga uitweiden over een onderwerp. Als je goed op ze let op zo’n moment, dan zie je dat ze er echt voor gaan zitten. Ze zijn ook bedreven om in te schatten hoe mijn vlag erbij hangt. Want laten we eerlijk zijn, de ene dag is de andere niet. Ik houd van mijn vak, maar ik kan behoorlijk chagrijnig op mijn werk verschijnen. Ik ben veel, maar geen machine. De leerlingen van groep 7 zijn oude rotten als het gaat om omgaan met het gemopper van hun meester en ze kijken niet verbaasd op als ik alles terzijde schuif, de deur van het klaslokaal dichtdoe en hen iets vertel waar ze het thuis nooit over mogen hebben. Zowel zij als ik weten op zo’n moment een ding zeker: Die avond zit ik bij hen aan tafel.

Andersom ken ik de leerlingen van groep 7 na die twee jaar samen vrij goed. Als ’s morgens de schooldeur opengaat en ik de leerlingen ontmoet, dan kijk ik bijvoorbeeld even goed naar R. als ik haar de hand schud. Ze kan met de bokkenpruik op naar school komen en dan is het verstandig om haar even te laten. Buien trekken snel over, moet je maar denken. D. komt met enige regelmaat te laat. En hé, dat is niet zijn schuld. Hij vindt het vervelend om de klas binnen te lopen als we al zijn begonnen. Daarom laat ik hem en loop ik later langs zijn tafel om te vragen hoe het met hem gaat. Komt er geen lach, dan pak ik hem even vast. Dat helpt namelijk. Met Z. moet ik het eens per week over voetbal hebben. Zijn oom is profspeler en zwerft door Europa, van club naar club. Was het nu Turkije waar hij speelde? Nee, meester! Hij speelt in Rusland. En ik weet door heel even naar de oogopslag van C. te kijken hoe haar dag is. Als ik mijn wenkbrauwen optrek weet ze dat ik vraag of ik iets voor haar kan doen. Soms knikt ze en dan loop ik naar haar toe. Op andere momenten schudt ze haast onzichtbaar met haar hoofd en gaat weer rustig aan het werk.

Maar de vertrouwdheid die wij hadden verdwijnt langzaam. De eerste weken teren we nog op de herinneringen die we samen hebben opgebouwd. Als ze langslopen en mij groeten, dan lijken ze tegen groep 5 te zeggen: Wij horen nog steeds bij elkaar. Julie mogen de meester voorlopig lenen. Misschien vragen we hem straks wel terug.

Of is dit iets wat ik graag wil denken?

Verhalen als fundament

Met groep 5 moet ik de relatie nog opbouwen. Ik vind dat een klus. Want de vraag is altijd of dit gaat lukken. Ook in dit aspect van het vak van leraar schuilt onzekerheid. Het lukt vrijwel altijd, daar niet van, maar je weet het nooit. Ik kan me een jaar in de Diamantbuurt (Amsterdam-Zuid) herinneren. Ik nam op een school die in zwaar weer verkeerde een zieltogende groep 6-7-8 over. De toon in die groep was door de oudere leerlingen gezet; de jongere leerlingen hobbelden er achter aan. En wat ik ook probeerde, ik kreeg er geen grip op. Een band tussen ons wilde maar niet ontstaan. Aan het eind van het jaar ontmoette ik de meester die het stokje aan mij had overgedragen. Hij regeerde die klas met de knoet, zo vertelde hij. Een andere manier was niet mogelijk. Van liefde en betrokkenheid was geen sprake. Het was hem en mij niet gelukt om samen met de leerlingen een gemeenschappelijk verhaal te schrijven. We vonden elkaar in de mislukte poging om onszelf met de groep te verbinden.

In mijn nieuwe groep gebruik ik verhalen als middel om elkaar beter te leren kennen. Lees een verhaal met leerlingen en het gesprek begint. Ik vind dat altijd prachtig om te zien. Je hoeft maar een sprookje, een fabel of een spannend verhaal te lezen en de leerlingen kruipen uit hun schulp en laten zien wie ze zijn en hoe ze over zichzelf en de wereld denken. Een verhaal is volgens mij dan ook de meest eenvoudige manier om in gesprek en contact te komen. Prachtig hoor, al die activiteiten en werkbladen die voor deze eerste periode van het schooljaar zijn ontwikkeld, maar laat je leerlingen maar eens een gedicht schrijven als reactie op een gedicht dat je hebt besproken en je leert ze kennen. Als leerlingen schrijven, dan geven ze zich bloot.

Jaren geleden had ik in Zaandam een leerling in groep 8 waar ik het lastig mee had. Hij was op zijn minst balsturig te noemen. Ik wist niet zo veel van zijn achtergrond. Ik was na de kerstvakantie begonnen als vervanger van een leraar die net voor het kerstdiner de handdoek had geworpen. Een overdracht had niet plaatsgevonden en Parnassys bestond nog niet. Ik wist vrijwel niets van de leerlingen die tegenover me zaten. Ik besloot ze een verhaal te laten schrijven. Ideeën in het onderwijs zijn er om te lenen en ik leende er een van mijn docent taalontwikkeling op de pabo. Ik vroeg ze, na een korte inleiding, een verhaal te schrijven over het leven van een eendagsvlieg. S. was snel klaar. De eendagsvlieg in zijn verhaal werd geboren, vloog uit en sloeg direct te pletter op de voorruit van een langs scheurende auto. Dat verhaal vertelde eigenlijk, zo fluisterde hij me toe, het verhaal van zijn broertje, die tijdens het buitenspelen onverhoeds onder een langs rijdende wagen was gelopen en overleden. S. had het verhaal gebruikt om zijn pijn met mij te delen. Het was voor hem uitermate belangrijk duidelijk te maken wat hem bezighield. Het verhaal was in al zijn kortheid, duidelijkheid en abruptheid hartverscheurend. Op een andere manier lukte het S. gewoonweg niet om zijn verdriet, pijn en boosheid met mij te delen. Toen later dat jaar zijn vader stierf aan een hartstilstand, werden de woorden volledig uit hem weggeslagen. Hij zat teneergeslagen in de klas; ik liep meer dan eens langs om mijn hand op zijn schouder te leggen. Ik wist namelijk ook niet wat te zeggen.

S. lijkt een uitzondering, maar is dit niet. Toshiro Kanamori, een oude Japanse meester, had een klassenschrift waarin leerlingen beurtelings thuis een verhaal over zichzelf schreven en dit aan de groep voorlazen. Zoals ik al zei is lenen van elkaar een gewoonte in het onderwijs. Ik leende het idee van het verhalenschrift en mijn leerlingen en ik – want ik deed gewoon mee – deelden persoonlijke verhalen met elkaar, die ervoor zorgden dat we dieper inzicht kregen in wie we op dat moment waren en wat ons bewoog. Ik herinner me een jongen van amper 12 die zo boos was op zijn vader dat hij hem het liefst wilde ombrengen. Of een leerlinge die maar niet begreep waarom ze in het grote gezin nauwelijks aandacht kreeg. Het leek wel alsof ze niet bestond, zo schreef ze.

Natuurlijk zijn er talloze andere manieren om elkaar te leren kennen en om een band met elkaar op te bouwen in de klas. Ik leef in verhalen en zie verhalen als een middel om elkaar beter te leren kennen. Dat doe ik door ze samen te lezen, ze voor te lezen, door erover te spreken en door ze met elkaar te schrijven. In ieder kind zitten prachtige en aangrijpende verhalen. En al die verhalen dragen bij aan het gemeenschappelijk verhaal van een jaar samen optrekken. Dat is mijn diepste overtuiging.

 

 

 

 

Advertenties

One thought on “Week 2: Oude en nieuwe relaties”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s