Differentiatie – Laat zien!

De leraar als vakman maakt voor, tijdens en na de les afgewogen keuzes. De keuzes die je maakt moeten, vind ik, niet afhangen van wat methodemakers voor je hebben bedacht. Als je leerlingen indeelt in groepjes met een driesterstelsel of met namen van hemellichamen, dan bestaat de kans dat leerlingen te veel zelfstandigheid krijgen bij het maken van opdrachten en dat je de grip op hun leerproces kwijtraakt. Ik zal hiervan een voorbeeld geven.

Ik trof in groep 8 eens een leerling die gewoon was om het rekenen zelfstandig te maken. Hij scoorde hoog op de lvs-toetsen en had op basis van die resultaten een vrijheid gekregen die hem feitelijk niet paste. Er gebeurden namelijk twee dingen. Het eerste was, dat deze leerling zich oplossingsstrategieën had eigengemaakt die op z’n minst bijzonder genoemd mochten worden. Ze waren omslachtig en soms ook gewoon niet goed. Deze leerling, en dat is mijn tweede ding, kon niet uit de voeten met breukensommen, maskeerde dit, vroeg geen hulp en rommelde derhalve maar wat aan. Hij had, zo bleek toen ik terugkeek, de breukensommen in de lvs-toetsen van groep 6 en 7 grotendeels fout gemaakt, maar dat had geen invloed gehad op zijn hoge score (toen nog een A). Je begrijpt dat toen ik hem terughaalde en mee liet doen met mijn instructies en uitleg en ik hem zelfs verlengde instructie gaf, hij even moest slikken.

Er zijn diverse manieren om te bepalen of leerlingen zelfstandig met hun taak aan de slag kunnen. Ik verwijs hierbij graag naar het door Marcel Schmeier vertaalde en bewerkte boek van Hollingworth en Ybarra. In dit blog wil ik een eenvoudige manier beschrijven die jou kan helpen om vooraf te bepalen waar de leerlingen staan in hun leerproces en wat de volgende stap zou kunnen zijn die jij als leraar moet zetten om de leerlingen verder te helpen. Hierbij is de opvatting van David Ausubel het uitgangspunt: “The most single important factor influencing learning is what the learner already knows. Ascertain this and teach him accordingly.”

Over hoe je deze voorkennis inzichtelijk kunt maken gaat het vervolg van dit blog. Ik reik je een voorbeeld aan. Er zijn er talloze, maar als je er een consequent hanteert dan slijp je zowel bij de leerlingen als bij jezelf een routine in. Deze routine nu noem ik Laat zien! In de VS, waar deze aanpak vandaan komt heet het Show what you know! Ik leg Laat zien! uit aan de hand van twee voorbeelden en enkele tips.

Stel je voor dat je morgen in groep 6 een spellingles gaat geven over het garagewoord. Je hebt er vorige week al een les over gegeven en je wilt weten wat de stand van zaken is. Je geeft aan het eind van de lesdag, in de laatste vijf lesminuten alle leerlingen een Post-it. Hierop schrijven ze als eerste hun naam en daarna, onder elkaar, zes woorden die jij in een minidictee afneemt. Daarin zitten zowel garagewoorden (3 à 4) als woorden waarbij je een -ch moet schrijven (marcheren) en met een -g. Nadat ze de woorden hebben opgeschreven plakken ze de Post-its bij het verlaten van de klas op een vel dat bij de deur hangt. Of ze plakken de Post-its op hun tafel. Jij kunt, nu de leerlingen naar huis zijn, rondlopen, de blaadjes bekijken en keuzes maken inzake de instructie die je morgen gaat geven. De keuzes zijn legio. Zijn er leerlingen die het zelfstandig zouden kunnen en welke opdracht geef je ze? Moet je in je instructie een stap terug of kun je juist volstaan met een ingekorte instructie?

Het tweede voorbeeld is een variant van het vorige voorbeeld. Stel je voor dat je morgen een les gaat geven over cijferend vermenigvuldigen. Leerlingen moeten sommen als 64 x 35 kunnen uitrekenen aan het eind van de les. Het is de eerste les waarin je dit soort sommen aanbiedt. Om zeker te weten of de leerlingen onder jouw begeleiding deze stap kunnen maken, is het belangrijk dat ze sommen als 4 x 35 en 60 x 35 kunnen uitrekenen. Het is in de methode aan bod geweest, maar je wilt het zeker weten. Je geeft de leerlingen 4 sommen op. Je kunt nu weer bepalen of je morgen de handleiding uit de methode kunt volgen of dat je andere keuzes moet maken. Dat kan op het niveau van de groep zijn, maar ook individueel.

Informatie over de ontwikkeling van leerlingen is cruciaal. Ik geloof niet zo in groepsplannen en uitgewerkte lessen tot achter de komma. Ik schrijf daar verderop nog iets over. Wat ik je vooral wil meegeven is dat je voorzichtig moet zijn met het trekken van algemene conclusies uit het werk van leerlingen. Zo kun je een leerling hebben die met gemak de persoonsvorm in een zin weet te vinden, alsook het voltooid deelwoord, weten wat het onderwerp in de zin is en zelfs het meewerkend voorwerp aanwijzen; het lijdend voorwerp lukt evenwel niet. Als je dat niet inzichtelijk hebt omdat je kleine interventies als Laat zien! achterwege laat, dan vul je op het rapport rv/g in, terwijl je met enkele extra instructies die leerling ook het lijdend voorwerpen had kunnen aanleren.

Wat mij opvalt als ik in klassen kom, is het relatief hoge aantal leerlingen dat op jonge leeftijd op een eigen leerlijn zit. Die leerlingen doen niet mee met de reguliere stof, krijgen weinig aandacht en instructie en bungelen als een wormvormig aanhangsel in de klas. Vaak zijn dit leerlingen die met specifieke kennis en informatie over hun leerproces geholpen hadden kunnen worden. Als iets niet lukt, zoals het leren lezen in groep 3, dan moet je het niet opgeven, maar meer oefenen. Een methode is voor het grootste deel der kinderen geschikt. Je kunt dit zien als basisaanbod. Zo’n 85 tot 90% van de leerlingen kan hiermee, tenminste als de leraar ze volgt en zoekt naar informatie, mee uit de voeten. Voor de andere leerlingen moet – het liefst in gezamenlijkheid – een plan worden gemaakt. Je moet als eerste niet opgeven en ten tweede handelen op basis van informatie. Toetsen van het lvs of van de methode zijn interessant, maar dagelijks peilen hoe je leerlingen het doen – op weg naar die toetsen – lijkt me zinvoller. Laat zien! kan daarbij helpen. Probeer het maar eens een tijdje.

Eén gedachte over “Differentiatie – Laat zien!”

  1. Ik heb eenzelfde soort anekdote. Jaren terug had ik een leerling in groep 8 die een compactrekenprogramma mocht volgen. Ik kreeg dat overgedragen uit groep 7. In het compacte programma werd het cijferen voor deze leerlingen geminimaliseerd, want er werd aangenomen dat de goede rekenaars ook goed konden cijferen. Ik wilde echter dat er wel werd meegedaan met cijferen om toch in ieder geval dit onderdeeel te onderhouden en als leerkracht te kunnen monitoren of het daadwerkelijk goed gedaan werd nu de getallen steeds groter werden. Bij cijferend delen schreef deze leerling geen berekening in zijn schrift. Ik wees hem erop, maar hij beweerde dat hij het antwoord uit z’n hoofd kon uitrekenen. Dat deed hij in groep 7 ook. Ik wilde zijn berekening toch op papier zien. Het lukte hem niet. Na afloop van de les, toen de klas naar buiten liep voor de pauze, kwam hij huilend bij me: hij wist niet hoe je een staartdeling moest maken, durfde dat niet te zeggen, want de hele klas wist dat hij een goede rekenaar was. Iedereen kon de staartdeling wel, ook de minder goede rekenaars, dan kon hij toch niet om extra uitleg vragen…? Hij schaamde zich ervoor en stortte even volledig in. Hij had de antwoorden altijd op de een of andere manier afgekeken bij anderen of bij het nakijken overgeschreven uit het antwoordenboekje en was daar in voorgaande jaren iedere keer mee weggekomen.
    We zijn er een aantal keer samen voor gaan zitten bij de verlengde instructie en hij pakte het gelukkig alsnog vlot op. Daarna heeft hij met plezier flink wat cijferkilometers gemaakt.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s